ECLI:NL:RBGEL:2025:9831

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
6 november 2025
Publicatiedatum
19 november 2025
Zaaknummer
05/224626-24
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging doodslag en bedreiging, veroordeling voor vernieling

Op 6 november 2025 heeft de Rechtbank Gelderland uitspraak gedaan in de zaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van poging tot doodslag, bedreiging en vernieling. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van de feiten 1 en 2, die betrekking hadden op de poging tot doodslag en bedreiging van twee slachtoffers. De rechtbank kon niet vaststellen wie er met een wapen had geschoten en oordeelde dat er onvoldoende bewijs was om de verdachte hiervoor te veroordelen. De verklaringen van de slachtoffers waren inconsistent en niet betrouwbaar genoeg om tot een veroordeling te komen. De rechtbank heeft echter wel vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan vernieling van de auto van zijn ex-partner, [slachtoffer 2]. De verdachte heeft de auto opzettelijk beschadigd, wat leidde tot een veroordeling tot een gevangenisstraf van één maand. De rechtbank hield rekening met de omstandigheden waaronder de vernieling plaatsvond, waaronder de invloed van alcohol en de emotionele toestand van de verdachte. De rechtbank heeft ook een schadevergoeding van € 6.500,- toegewezen aan de benadeelde partij, [slachtoffer 2], voor de materiële schade aan de auto. De rechtbank heeft de vordering tot smartengeld afgewezen, omdat er geen bewijs was voor de psychische schade die de benadeelde partij zou hebben geleden. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank in Zutphen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05/224626-24
Datum uitspraak : 6 november 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] [geboortejaar] in [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in [verblijfplaats] .
raadsvrouw mr. H.A.F.C. Tack, advocaat in Amsterdam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 7 juli 2024 te Nijmegen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door
verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven:
- om 07:15 uur jegens die [slachtoffer 1] heeft gedreigd dat hij die [slachtoffer 1] dood zou maken en/of
- ( daarbij) een vuurwapen heeft getoond en/of
- het vuurwapen op hem heeft gericht en/of
- ( in de richting van die [slachtoffer 1] ) een schot heeft gelost,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 7 juli 2024 te Nijmegen, althans in Nederland, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door;
- om 07:15 uur jegens die [slachtoffer 1] te dreigen dat hij die [slachtoffer 1] dood zou maken en/of
- ( daarbij) een vuurwapen te tonen en/of
- het vuurwapen op hem te richten en/of
- ( in de richting van die [slachtoffer 1] ) een schot te lossen;
2.
hij op of omstreeks 7 juli 2024 te Nijmegen, althans in Nederland, [slachtoffer 2] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht, door;
- tussen 04:38 uur en 04:47 uur die [slachtoffer 2] de woorden toe te voegen: ‘ik ga je dood maken en ik ga je auto kapot maken. Nu weet je wie ik ben’ of woorden van gelijke strekking en/of
- ( vervolgens), nadat bij de woning van die [slachtoffer 2] weg is gereden, om 07:15 uur wederom bij die [slachtoffer 2] voor de woning te gaan staan en/of tegen de deur aan te trappen en/of te bonken en/of
- ( daarbij) een vuurwapen te tonen en/of
- ( vervolgens), op het moment dat die [slachtoffer 2] bij de voordeur stond, een schot te lossen;
3.
hij op of omstreeks 7 juli 2024 te Nijmegen, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een auto, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1, primair, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 1, primair en subsidiair, en feit 2 vrijspraak bepleit. De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat verdachte de persoon met het wapen was en daarmee heeft geschoten. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte een wapen heeft getoond en de dreigende woorden heeft geuit. De verklaring van aangeefster is niet bruikbaar, omdat zij enkel heeft gehoord dat er een schot werd gelost. De verklaring van verdachte is daarnaast aannemelijker dan de verklaring van aangeefster en haar broer. De verklaringen van aangeefster en haar broer komen niet overeen.
Ten aanzien van feit 3 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
Vrijspraak feiten 1 en 2
Niet ter discussie staat dat verdachte in de nacht en de vroege ochtend van 7 juli 2024 meermalen bij de woning aan het [adres slachtoffer 2] is geweest. In die woning was zijn ex-partner [slachtoffer 2] aanwezig. Ook kan de rechtbank op basis van de verklaringen van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en verdachte vaststellen dat [slachtoffer 1] en verdachte voor de woning hebben gestaan en dat er is geschoten. De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om te kunnen vaststellen dat verdachte met een wapen heeft geschoten en dat hij [slachtoffer 2] tussen 04:38 uur en 04:47 uur heeft bedreigd. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Uit het forensische onderzoek in het dossier blijkt dat er met een wapen is geschoten vanaf het balkon van het trappenhuis. Zowel de verklaring van [slachtoffer 1] als van verdachte sluit aan op dit technische bewijs, zodat op basis hiervan niet kan worden vastgesteld wie er heeft geschoten. Beide mannen hebben immers verklaard dat de ander op het balkon van het trappenhuis stond en heeft geschoten en dat zij zelf voor de voordeur van de woning van [slachtoffer 2] stonden. [slachtoffer 2] heeft, net als [slachtoffer 1] , verklaard dat verdachte op het balkon van het trappenhuis stond en heeft geschoten. De rechtbank moet dan de vraag beantwoorden of de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] betrouwbaar zijn en elkaar ondersteunen. De rechtbank constateert dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] wisselend hebben verklaard, niet alleen ten opzichte van elkaar, maar ook hun eigen verklaringen in onderlinge samenhang beschouwd. Zo hebben [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] anders verklaard over de grootte van het wapen. Daarnaast geldt dat [slachtoffer 2] niet heeft gezien dat verdachte heeft geschoten. Zij heeft enkel een schot gehoord.
De rechtbank kan niet uitsluiten dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd na afloop van het schietincident. Het is niet ondenkbaar dat [slachtoffer 2] haar broer [slachtoffer 1] , die haar te hulp kwam schieten, uit de wind probeert te houden. De rechtbank acht de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , evenals de verklaring van verdachte, daarom niet voldoende betrouwbaar. De rechtbank kan op basis van deze drie verklaringen niet vaststellen wat er op 7 juli 2024 bij de woning in Nijmegen tijdens het schietincident is gebeurd. Dit betekent dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte een wapen bij zich heeft gedragen en vervolgens in de richting van [slachtoffer 1] heeft geschoten. De rechtbank zal verdachte daarom van het onder feit 1, zowel primair als subsidiair, tenlastegelegde vrijspreken.
Ten aanzien van de bedreiging van [slachtoffer 2] (feit 2) merkt de rechtbank op dat uit het dossier duidelijk blijkt dat verdachte [slachtoffer 2] op 7 juli 2024 meermalen telefonisch heeft bedreigd. De uitwerkingen van de voicemailberichten die verdachte heeft ingesproken bevinden zich in het dossier. Deze bedreigingen zijn echter niet aan verdachte tenlastegelegd. Tenlastegelegd is de mondelinge bedreiging die heeft plaatsgevonden tussen 04:38 uur en 04:47 uur. Uit de aangifte van [slachtoffer 2] volgt dat verdachte van 4:38 uur tot 4:47 uur bij haar aanbelde. Volgens aangeefster stond verdachte al die tijd voor de algemene toegangsdeur; zij zag hem op de monitor, maar zij heeft hem niet gesproken. Aanvullend heeft zij nog verklaard dat ze het geluid had uitgeschakeld. Verdachte ontkent deze bedreiging ook. Daarmee is geen wettig bewijs voor deze bedreiging aanwezig. Daarnaast heeft de rechtbank hierboven al vastgesteld dat zij niet wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte degene met een vuurwapen was. De rechtbank zal verdachte daarom ook vrijspreken van de bedreiging van [slachtoffer 2] tussen 04:38 uur en 04:47 uur, het tonen van een vuurwapen en vervolgens het lossen van een schot met voornoemd vuurwapen.
Feit 3
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 35;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 23 oktober 2025.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
3.
hij op
of omstreeks7 juli 2024 te Nijmegen,
althans in Nederland,opzettelijk en wederrechtelijk een auto
, in elk geval enig goed, dat/die geheel
of ten deletoebehoorde aan [slachtoffer 2]
, in elk geval aan een ander dan aan verdachte,heeft vernield
en/of beschadigd.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 3:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel aan een ander toebehoort vernielen.

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd een contact- en locatieverbod in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel aan verdachte op te leggen voor de duur van vijf jaren en de dadelijke uitvoerbaarheid hiervan.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest bepleit. Ten aanzien van het contact- en locatieverbod heeft de raadsvrouw verzocht om een uitzondering op te nemen dat contact met de dochter van [slachtoffer 2] en verdachte via Veilig Thuis kan plaatsvinden. Er is volgens de raadsvrouw geen reden om het contact- en locatieverbod dadelijk uitvoerbaar te verklaren, omdat verdachte tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis geen contact heeft opgenomen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vernieling van de auto van zijn ex-partner. Uit het dossier blijkt duidelijk dat verdachte, onder invloed van alcohol, zijn ex-partner lastig viel in de nacht/vroege ochtend. Hij had zijn emoties niet onder controle en vernielde – na meerdere keren aan de voordeur te hebben gestaan van de woning – de auto van [slachtoffer 2] . Hij heeft daarbij ruitenwissers verbogen, een kentekenplaat eraf getrokken, een buitenspiegel beschadigd, een band lek geprikt en op zijkant en de motorkap van de auto krassen in de lak gemaakt. Dit is naar het oordeel van de rechtbank een duidelijke wraakactie omdat [slachtoffer 2] de deur niet voor verdachte wilde openen. Verdachte heeft er hiermee blijk van gegeven geen respect te hebben voor de spullen van anderen.
De rechtbank heeft kennis genomen van de justitiële documentatie van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit (vernieling) met justitie in aanraking is gekomen. Wel is aan verdachte op 28 april 2025 een strafbeschikking opgelegd voor het rijden onder invloed van drugs, waardoor artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
De rechtbank houdt rekening met de rapportage van de reclassering van 21 november 2024. De reclassering schat het risico op recidive en letsel als hoog in. Het ontbreekt verdachte aan een dagbesteding en inkomen. Verdachte bouwt schulden op. De relatie met [slachtoffer 2] betrof al langere tijd een rumoerige relatie, overwegend door justitiecontacten en maatschappelijke problemen van verdachte. Verdachte was onder invloed van alcohol ten tijde van de verdenking en werd vaker veroordeeld wegens strafbaar gedrag onder invloed van alcohol. De reclassering heeft zorgen over de functie van zijn alcoholgebruik. Verdachte neemt onvoldoende verantwoordelijkheid voor zijn gedrag op meerdere leefgebieden. Wat ten grondslag ligt aan de gebrekkige vaardigheden, impulscontrole en de problemen in zijn emotieregulatie blijft voor de reclassering onduidelijk. Zij adviseren een straf zonder bijzondere voorwaarden. Zij zien geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen.
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank verder rekening gehouden met de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De ernst van de feiten, bezien in het licht van de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in plaats van een taakstraf of een geldboete. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van één maand passend en geboden. Dit is lager dan door de officier van justitie geëist. De rechtbank komt hiertoe omdat zij enkel de vernieling bewezen acht.
Ten aanzien van het contact- en locatieverbod overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat verdachte contact zal opnemen met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] of zich belastend jegens hen zal gedragen. De rechtbank is niet gebleken dat verdachte sinds juli 2024 contact heeft opgenomen met of zich belastend heeft gedragen jegens één van hen. Dit betekent dat de rechtbank geen contact- en locatieverbod zal opleggen.
Gelet op de op te leggen straf heeft de rechtbank in een apart bevel de voorlopige hechtenis per 27 oktober 2025 opgeheven.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in verband met feiten 2 en 3 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 8.181,15 aan materiële schade en € 9.000,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard ten aanzien van de herstelkosten, zorgkosten en smartengeld. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat betaalbewijzen van de herstelkosten ontbreken en dat onvoldoende duidelijk is dat [slachtoffer 2] naar aanleiding van het incident PTSS heeft opgelopen.
Ten aanzien van de schadepost schadecalculatie refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
De auto van [slachtoffer 2] is vernield (feit 3). Ter vaststelling van de omvang van de schade heeft [slachtoffer 2] een schadecalculatie laten opstellen door [autobedrijf] voor een bedrag van € 135,-. De schade aan de auto is door dit bedrijf begroot op een bedrag van € 6.365,-. De rechtbank is van oordeel dat deze schade voldoende is onderbouwd en toewijsbaar is. [slachtoffer 2] heeft aangegeven dat zij op dit moment alleen de noodzakelijke reparaties heeft laten verrichten en het herstel van de lak (het overgrote deel van de kosten) vanwege geldgebrek nog niet heeft laten uitvoeren. Dat de reparaties deels nog niet zijn verricht, maakt niet dat geen sprake is van schade, zoals door de verdediging betoogd. Nu de verdediging de hoogte van de schade verder niet inhoudelijk heeft betwist, wijst de rechtbank beide bedragen toe, dus in totaal € 6.500,-.
Overige materiële schade
Nu de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komt van feit 2, zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering ten aanzien van de schadeposten eigen risico en psychotherapeutische behandelingen.
Smartengeld
Nu de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komt van feit 2, zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
In totaal zal de rechtbank aldus een schadevergoeding toewijzen die bestaat uit € 6.500,- aan materiële schade. Wat betreft het meer of anders gevorderde zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
De wettelijke rente over de schadecalculatie is toewijsbaar vanaf 9 juli 2024 (datum betaling). Over het bedrag van € 6.365,- is de wettelijke rente verschuldigd vanaf de datum van dit vonnis.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 36f, 63 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 spreekt verdachte vrij van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten;
 verklaart bewezen dat verdachte het overige ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
1 (één) maand;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
  • veroordeelt verdachte in verband met het feit onder nummer 3 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 6.500,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over € 135,- vanaf 9 juli 2024 en over € 6.365,- vanaf 6 november 2025, beide tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade en smartengeld;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 2] , een bedrag te betalen van € 6.500,- aan materiële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente over € 135,- vanaf 9 juli 2024 en over € 6.365,- vanaf 6 november 2025, beide tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 68 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.P.T. Blokhuis (voorzitter), mr. H.C. Leemreize en mr. R.M. Schoo, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Wisseborn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 november 2025.
Mr. Leemreize is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [naam] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024353760, gesloten op 15 augustus 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.