Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2025:9933

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
ARN 24/2745
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:29 AwbArt. 28 Wpg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke afwijzing verzoek tot verwijdering politiegegevens over horizontale fraude

Eiser heeft verzocht om verwijdering van politiegegevens die over hem zijn verwerkt, waaronder een registratie 'horizontale fraude' en een waarschuwingsbrief vanwege vermeende fraude met een QR-code. De korpschef heeft de sepotcode 'reprimande' verwijderd, maar geweigerd de registratie en de waarschuwingsbrief te verwijderen. Eiser stelde dat de registratie onjuist was omdat hij zich niet schuldig had gemaakt aan fraude en mogelijk sprake was van identiteitsfraude.

De rechtbank oordeelt dat de korpschef terecht heeft geweigerd de registratie en waarschuwingsbrief te verwijderen, omdat niet is gebleken dat de inhoud onjuist is of in strijd met wettelijke voorschriften wordt verwerkt. De registratie betreft het feit dat eiser in een onderzoek naar valse QR-codes naar voren is gekomen en dat hem een waarschuwingsbrief is gestuurd, hetgeen niet wordt betwist.

Hoewel het begrijpelijk is dat eiser de registratie wil laten verwijderen vanwege mogelijke gevolgen bij vergunningaanvragen, is het verwijderen van de sepotcode zonder vervanging onvoldoende om de registratie te laten vervallen. De rechtbank wijst erop dat eiser een aanvullende verklaring kan opstellen om onvolledige gegevens aan te vullen en onjuiste duiding te voorkomen.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, eiser krijgt geen gelijk, geen teruggaaf van griffierecht en geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter S.A. van Hoof en griffier L. Janssen op 21 november 2025.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de weigering van de korpschef om de registratie en waarschuwingsbrief te verwijderen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/2745

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. J.L. Baar),
en

de korpschef van politie

(gemachtigde: mr. T.M. van Breenen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de gedeeltelijke afwijzing van eisers verzoek tot verwijdering van over hem verwerkte politiegegevens. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de gedeeltelijke afwijzing van eisers verzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de korpschef terecht heeft geweigerd de registratie ‘horizontale fraude’ en de waarschuwingsbrief te verwijderen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft verzocht om verwijdering van politiegegevens die over hem zijn verwerkt en geregistreerd onder kenmerk [kenmerk]. Dit betreft een waarschuwingsbrief van de politie vanwege vermeende fraude met een QR-code en de registratie [registratie] ‘horizontale fraude’ met de sepotcode ‘reprimande’. De korpschef is met het besluit van 25 maart 2024 overgegaan tot verwijdering van de sepotcode ‘reprimande’, maar hij weigert om de registratie en de waarschuwingsbrief te verwijderen.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De korpschef heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Ook heeft de korpschef een mutatierapport en een printscreen van het politiesysteem Basisvoorziening Handhaving overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) meegedeeld dat uitsluitend de rechtbank kennis zal mogen nemen van deze stukken. Met de beslissing van 11 juni 2025 heeft de (geheimhoudingskamer van de) rechtbank geoordeeld dat het verzoek tot beperkte kennisneming gerechtvaardigd is. Eiser heeft de rechtbank geen toestemming gegeven om de geheime stukken bij de beoordeling van het beroep te betrekken. [1] Daarom heeft de rechtbank daarvan geen kennis genomen.
2.3.
De korpschef heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de korpschef.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft de korpschef terecht geweigerd om de registratie ‘horizontale fraude’ en de waarschuwingsbrief te verwijderen?
3. Eiser stelt dat de korpschef ten onrechte weigert om de registratie ‘horizontale fraude’ en de waarschuwingsbrief te verwijderen. Eiser heeft zich niet schuldig gemaakt aan fraude en heeft ook onweersproken gesteld dat waarschijnlijk misbruik is gemaakt van zijn identiteit. Dit betekent dat de registratie onjuist is. Eiser wordt hierdoor in zijn belang geraakt omdat de registratie bij vergunningaanvragen waarbij een Bibob-onderzoek wordt verricht naar voren komt. Het gebruiken van de onjuiste sepotgrond in combinatie met de betwisting van de feiten en het gegeven dat kennelijk niet meer de juiste sepotgrond valt te achterhalen, maakt dat de korpschef de registratie had moeten verwijderen. [2]
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat de korpschef terecht heeft geweigerd om de registratie ‘horizontale fraude’ en de waarschuwingsbrief te verwijderen. Op grond van artikel 28, tweede lid, van de Wet politiegegevens (Wpg) komen gegevens alleen voor vernietiging in aanmerking als ze in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt of om te voldoen aan een wettelijke verplichting. Niet is gebleken dat de inhoud van de registratie of de waarschuwingsbrief onjuist is of dat deze in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Eisers naam is naar voren gekomen in een onderzoek naar valse QR-codes en daarover is aan eiser een brief gestuurd. Dat betwist eiser ook niet. Dat eiser ontkent dat hij een valse QR-code heeft gekocht en dat mogelijk sprake is geweest van identiteitsfraude, doet niet af aan de juistheid van het feit dat eiser naar voren is gekomen in een onderzoek en dat hem in dat verband een waarschuwingsbrief is gezonden. Anders dan eiser stelt volgt uit de registratie noch uit de brief dat hij zich (daadwerkelijk) schuldig zou hebben gemaakt aan fraude. De rechtbank begrijpt dat het voor eiser wenselijk is dat de registratie wordt verwijderd zodat hij van de doorwerking daarvan geen gevolgen ondervindt, bijvoorbeeld in een onderzoek door het Landelijk Bureau Bibob. Met het verwijderen van de ‘sepotcode’ reprimande, zonder daarvoor een nieuwe sepotcode in de plaats te stellen, komt de registratie ‘horizontale fraude’ wat in de lucht te hangen. In dit verband wijst de rechtbank er op dat het eiser vrijstaat om op grond van artikel 28, eerste lid, van de Wpg een aanvullende verklaring op te stellen om de in zijn ogen onvolledige politiegegevens te laten aanvullen en een mogelijk onjuiste duiding te voorkomen.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de korpschef terecht heeft geweigerd om de registratie ‘horizontale fraude’ en de waarschuwingsbrief te verwijderen. Eiser krijgt dus geen gelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van
mr.L. Janssen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zoals bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.
2.Eiser wijst ter ondersteuning van zijn standpunt op de uitspraak van Rechtbank Amsterdam 12 januari 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:124.