ECLI:NL:RBGEL:2026:1009

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
AWB - 24 _ 3344
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 NOW-3Art. 25 NOW-3Art. 27 NOW-3Art. 4:44 AwbArt. 4:95 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen vaststelling nihil tegemoetkoming NOW-3 en terugvordering voorschot

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid waarin de definitieve tegemoetkoming op grond van de NOW-3 voor de vierde aanvraagperiode is vastgesteld op nihil en het betaalde voorschot van €16.614 is teruggevorderd. De minister stelde dat eiser niet tijdig een definitieve aanvraag had ingediend, ondanks herinneringsbrieven en een verlengde termijn.

De rechtbank oordeelt dat eiser niet tijdig de aanvraag heeft ingediend. Hoewel eiser stelde dat hij de aanvraag op 13 februari 2023 via e-herkenning had gedaan, bleek uit een schermafdruk van zijn persoonlijke UWV-omgeving dat dit niet het geval was voor de NOW-3 vierde aanvraagperiode. De rechtbank acht het de verantwoordelijkheid van eiser om op de hoogte te zijn van de voorwaarden en termijnen.

Eiser voerde aan dat brieven naar een oud adres waren gestuurd, maar de rechtbank vond dat eiser redelijkerwijs kon weten dat hij tijdig moest aanvragen, mede omdat hij andere aanvragen wel tijdig had ingediend en een brief op het juiste adres was ontvangen. De terugvordering van het voorschot is niet onevenredig, mede omdat een betalingsregeling is getroffen.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, eiser krijgt geen gelijk en ook geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter H.J. Klein Egelink op 12 februari 2026.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de vaststelling van de tegemoetkoming NOW-3 op nihil en de terugvordering van het voorschot wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/3344

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

[eiser], uit [plaats], eiser

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de minister

(gemachtigde: L.A.P. ter Laak).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de vaststelling van de definitieve tegemoetkoming op grond van de Derde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-3), vierde tranche op nihil, en de terugvordering van het betaalde voorschot van € 16.614. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de vaststelling van de definitieve tegemoetkoming op grond van de NOW-3 en de terugvordering van het betaalde voorschot.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister een juiste beslissing heeft genomen. De minister heeft in redelijkheid de tegemoetkoming op grond van de NOW-3 op nihil kunnen vaststellen en het ten onrechte uitbetaalde voorschot van
€ 16.614 mogen terugvorderen. Het beroep is daarom ongegrond en eiser krijgt geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met de besluiten van 9 en 13 mei 2023 heeft de minister de definitieve tegemoetkoming op grond van de NOW-3 vastgesteld op nihil en het betaalde voorschot van € 16.614 teruggevorderd. Met het bestreden besluit van 18 april 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij die besluiten gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen.
2.3.
Tijdens de zitting heeft eiser nota’s van zijn accountant en een proceskostenformulier overgelegd. Deze stukken zijn aan het dossier toegevoegd.
Beoordeling door de rechtbank
De totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser heeft op 15 februari 2021 een aanvraag gedaan voor een tegemoetkoming in de loonkosten op grond van de NOW-3. Het gaat om de vierde aanvraagperiode (januari, februari en maart 2021), met loonheffingennummer [nummer 1].
3.1.
Met het besluit van 18 februari 2021 heeft de minister aan eiser de tegemoetkoming in de loonkosten op grond van de NOW-3 op € 20.769 vastgesteld voor de periode van januari tot en met maart 2021 en een voorschot van € 16.614 toegekend.
3.2.
Met de brief van 19 januari 2023 heeft de minister eiser eraan herinnerd, dat hij nog geen definitieve (berekening van de) tegemoetkoming op grond van de NOW-3 heeft aangevraagd. In deze brief is tevens opgenomen dat eiser dit tot en met 22 februari 2023 kon doen. Deze brief is verstuurd naar het adres [locatie 1] in [plaats].
3.3.
Op 28 februari 2023 heeft de minister opnieuw een herinneringsbrief aan eiser verstuurd. Met deze brief is de termijn voor het doen van de definitieve aanvraag verlengd tot 19 april 2023. Deze brief is ook verstuurd naar het adres [locatie 1] in [plaats].
3.4.
Met het besluit van 9 mei 2023 heeft de minister aangegeven de definitieve tegemoetkoming in de loonkosten niet te kunnen berekenen, omdat van eiser geen aanvraag is ontvangen binnen de daarvoor geldende termijn. De tegemoetkoming is daarom op nihil vastgesteld en het teveel betaalde voorschot van € 16.614 is van eiser teruggevorderd. Met het besluit van 13 mei 2023 heeft de minister aangegeven op welke manier, en binnen welke termijn, eiser het teveel betaalde voorschot van € 16.614 moest terugbetalen.
3.5.
Op 31 januari 2024 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het besluit van 13 mei 2023. De minister heeft het bezwaar van eiser opgevat mede gericht te zijn tegen het besluit van 9 mei 2023.
3.6.
Met het bestreden besluit is de minister bij de besluiten van 9 en 13 mei 2023 gebleven.
Het wettelijk kader
4. Op grond van artikel 24, eerste lid, van de NOW-3 geldt voor een werkgever de verplichting, om de vaststelling van de subsidie aan te vragen door middel van een door de minister vast te stellen formulier. Eiser had hiervoor tot uiterlijk 22 februari 2023 de tijd. De termijn om de aanvraag te doen is met de brief van 28 februari 2023 verlengd tot 19 april 2023.
4.1.
In artikel 27, eerste lid, van de NOW-3 is opgenomen dat de minister aan de Raad van Bestuur van het UWV [1] mandaat, volmacht en machtiging verleent om, in het kader van de uitvoering van deze regeling:
besluiten te nemen, privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten en handelingen te verrichten die een privaatrechtelijke rechtshandeling noch een besluit zijn;
te beslissen op bezwaarschriften, met dien verstande dat de persoon die betrokken is bij het besluitvormingsproces ten aanzien van het bezwaarschrift niet ook betrokken is geweest bij het besluitvormingsproces in eerste aanleg; en
in rechte op te treden en tegen rechterlijke uitspraken hoger beroep of cassatie in te stellen, dan wel af te zien van hoger beroep of cassatie.
4.2.
Naast de bepalingen van de NOW-3, is ook titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) inzake subsidievaststelling van toepassing. Op grond van artikel 4:44, vierde lid, van de Awb kan, indien geen aanvraag tot vaststelling van de subsidie is ingediend, de subsidie ambtshalve worden vastgesteld.
Heeft eiser de aanvraag op 13 februari 2023 ingediend?
5. Eiser voert aan dat hij de definitieve aanvraag op grond van de NOW-3, die ziet op de vierde aanvraagperiode, middels e-herkenning heeft ingediend op 13 februari 2023.
5.1.
Eiser heeft bij zijn bezwaarschrift een bijlage genaamd ‘mijn-now-[nummer 2]’ gevoegd. De rechtbank gaat ervan uit dat die bijlage een schermafdruk is van
31 januari 2024 van eisers persoonlijke omgeving genaamd ‘Mijn NOW’, die te raadplegen is via de website van het UWV. Uit deze schermafdruk volgt dat eiser op 13 februari 2023 een aanvraag heeft gedaan voor de zevende aanvraagperiode (november en december 2021) op grond van de NOW-5. Bij de vierde aanvraagperiode (januari, februari en maart 2021), die ziet op de NOW-3, staat ‘aanvragen is (nog) niet mogelijk’. De rechtbank begrijpt hieruit, dat eiser op 13 februari 2023 geen aanvraag op grond van de NOW-3 (vierde aanvraagperiode) heeft ingediend.
5.2.
Nu eiser tot 19 april 2023 de tijd had om de definitieve (berekening van de) tegemoetkoming op grond van de NOW-3 in te dienen, en uit de schermafdruk volgt dat eiser dit op 31 januari 2024 niet gedaan had, staat vast dat eiser niet (tijdig) een aanvraag heeft ingediend voor de definitieve berekening van de tegemoetkoming op grond van de NOW-3. De beroepsgrond slaagt niet.
Niet ontvangen herinneringen van de minister
6. Eiser voert aan dat de brieven van de minister naar zijn oude adres zijn verstuurd. De minister heeft de correspondentie omtrent eisers andere NOW-aanvragen wel naar het juiste adres gestuurd. Nu de minister wist wat eisers juiste adres was, heeft hij onzorgvuldig gehandeld.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank kon eiser redelijkerwijs weten, dat hij tijdig een definitieve vaststelling moest aanvragen. De uiterste datum voor het indienen van de aanvraag voor de vaststelling is opgenomen in de NOW-3. Met het aanvragen van de voorschotbeschikking heeft eiser verklaard alle verplichtingen te kennen die horen bij de tegemoetkoming NOW en de uitleg en voorwaarden op uwv.nl/now te hebben gelezen. Deze intentieverklaring is onderdeel van het aanvraagformulier. Dit is ook in overeenstemming met het uitgangspunt, dat het de eigen verantwoordelijkheid van eiser is om bij het indienen van een aanvraag om subsidie op de hoogte te zijn van de voorwaarden en termijnen die daarbij gelden. De rechtbank gaat er daarom van uit, dat het in beginsel de verantwoordelijkheid van eiser is om kennis te nemen van de verplichting en de bijbehorende termijn.
Hierna zal de rechtbank ingaan op de vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven hier toch anders over te oordelen.
6.2.
Uit hetgeen tijdens de zitting is besproken, begrijpt de rechtbank het volgende. Eisers oude adres is [locatie 1] in [plaats]. Zijn nieuwe (en juiste) adres is [locatie 2] in [plaats]. Eiser heeft desgevraagd tijdens de zitting toegelicht dat hij eind april of begin mei 2021 is verhuisd naar dit nieuwe adres.
De minister heeft gesteld dat wordt uitgegaan van het adres dat bij de aanvraag is opgegeven, en dat alle correspondentie naar dat adres wordt verstuurd. Uit eisers aanvraag van 15 februari 2021 volgt dat hij [locatie 1] in [plaats] heeft opgegeven als adres.
6.3.
In het dossier bevindt zich een brief van 10 oktober 2022 die is verstuurd naar eisers juiste adres ([locatie 2] in [plaats]). In deze brief staat onder meer dat eiser over één of meer aanvraagperioden op grond van de NOW een definitieve berekening moet aanvragen. Ook staat in deze brief dat eiser voor de derde aanvraagperiode tot en met de zevende aanvraagperiode, tot en met 22 februari 2023 de tijd heeft om de definitieve berekening aan vragen. Hier valt dus ook de vierde aanvraagperiode op grond van de
NOW-3 onder. Naar het oordeel van de rechtbank had eiser op grond van deze brief tijdig de aanvraag kunnen indienen. Daar komt bij dat eiser tijdens de zitting heeft verklaard andere NOW-aanvragen om een tegemoetkoming wel tijdig te hebben ingediend. Eiser kon dan ook weten dat hij ook voor de vierde aanvraagperiode een definitieve aanvraag om een tegemoetkoming moest doen. Dat de brieven in onderhavige procedure naar een verkeerd adres zijn verstuurd, maakt dit niet anders, en is geen bijzondere omstandigheid die aanleiding geeft om hier anders over te oordelen. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Omdat geen aanvraag is ingediend, kon de minister de definitieve tegemoetkoming op nihil vaststellen. [2]
De terugvordering van het voorschot
8. Op grond van artikel 25 van Pro de NOW-3 en op grond van artikel 4:95, vierde lid, van de Awb heeft de minister een discretionaire bevoegdheid om het onverschuldigd betaalde voorschot geheel of gedeeltelijk terug te vorderen van de subsidieontvanger. Op grond van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb moet beoordeeld worden of de nadelige gevolgen van de terugvordering voor eiser niet onevenredig zijn in verhouding met de doelen die met het besluit worden gediend.
8.1.
In het bestreden besluit heeft de minister toegelicht, dat niet is gebleken dat het terugbetalen van het voorschot door eiser leidt tot een onevenredige uitkomst ten opzichte van het algemeen belang, dat is gediend bij het hanteren van een strikte aanvraagtermijn. Met het verweerschrift van 14 juni 2024 heeft de minister daaraan toegevoegd, dat de afweging van de nadelige gevolgen van het besluit in verhouding staan tot het doel daarvan en derhalve tot de conclusie leidt dat de terugvordering niet onevenredig is. De minister is niet gebleken, noch is door eiser onderbouwd, dat de terugvordering van het voorschot zodanig ingrijpend is dat de minister daar geheel of gedeeltelijk van moest afzien. De terugvordering is voor eiser dan ook niet onevenredig in verhouding met het doel dat met het besluit wordt gediend.
8.2.
De rechtbank kan de uitleg van de minister volgen. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij mogelijk in financiële problemen komt door de terugvordering. Daarnaast blijkt uit het dossier dat voor het terug te betalen voorschot een betalingsregeling is overeengekomen. Het is de rechtbank niet gebleken dat deze verplichting onhaalbaar is voor eiser.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen.
2.Artikel 4:44, vierde lid, van de Awb.