Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:1015

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
11800767
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43 algemene voorwaarden financiële leaseBesluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding leaseovereenkomst en betaling achterstallige leasetermijnen na wanbetaling

Partijen sloten op 16 maart 2022 een huurkoopovereenkomst voor een Opel Vivaro met een looptijd van 72 maanden. Gedaagde raakte in verzuim door niet tijdig betaling van leasetermijnen, waarop eiser de overeenkomst op 19 september 2024 ontbond en de bus terugvorderde. Gedaagde leverde de bus vrijwillig in, die vervolgens op veiling werd verkocht voor € 3.403,73.

Eiser vorderde betaling van achterstallige leasetermijnen, contractuele rente en buitengerechtelijke incassokosten. Gedaagde erkende de overeenkomst maar betwistte de vordering, stellende dat de bus gebreken vertoonde en hij kosten had gemaakt voor reparaties, die hij wilde verrekenen. De kantonrechter oordeelde dat gedaagde onvoldoende onderbouwde dat eiser tekort was geschoten en dat de kosten niet toerekenbaar waren.

De kantonrechter stelde vast dat de ontbinding uitsluitend voor de toekomst gold en dat de achterstallige en vervroegd opeisbare termijnen toewijsbaar waren, maar dat eiser de hoofdsom onvoldoende had gespecificeerd. Daarom werd uitgegaan van een bedrag van € 10.498,50. De verkoopopbrengst van de bus werd volledig in mindering gebracht. De gevorderde contractuele rente werd slechts toegewezen vanaf de dagvaarding en de buitengerechtelijke incassokosten werden conform het Besluit vastgesteld op € 879,99.

Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van € 7.974,76 plus rente en proceskosten van € 1.137,78. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 7.974,76 plus rente en proceskosten, met afwijzing van het meer gevorderde.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 11800767 \ CV EXPL 25-2035
Vonnis van 30 januari 2026
in de zaak van
[eiser],
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: H.J.C. Oudshoorn (Janssen & Janssen c.s. Eindhoven),
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de nadere productie van [eiser]
- de mondelinge behandeling van 13 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 16 maart 2022 is er tussen partijen een huurkoopovereenkomst gesloten met betrekking tot een Opel Vivaro met kenteken [kenteken bus] (hierna: de bus) met een looptijd van 72 maanden. De leverancier van de bus is [naam leverancier] in Stadskanaal (hierna: [naam leverancier] ).
2.2.
Op de overeenkomst zijn de Algemene voorwaarden financiële lease (Huurkoop) versie 01-07-2020 (hierna: algemene voorwaarden) van toepassing.
2.3.
De totale leaseprijs bedraagt € 19.347,84 en de maandelijkse leasetermijnen bedragen € 268,72 per maand, welke [gedaagde] bij vooruitbetaling op de eerste werkdag van iedere kalendermaand moet voldoen.
2.4.
[gedaagde] heeft een achterstand laten ontstaan in betaling van de leasetermijnen waardoor hij in verzuim is geraakt. Op grond van artikel 43 van Pro de algemene voorwaarden heeft [eiser] de overeenkomst daarom op 19 september 2024 ontbonden.
2.5.
[gedaagde] heeft naar aanleiding van de ontbinding de bus vrijwillig ingeleverd.
2.6.
De bus is vervolgens in oktober 2024 op de veiling verkocht voor een bedrag van € 3.403,73.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 11.845,31 (€ 11.286,24 aan hoofdsom, € 1.263,81 aan reeds verschenen contractuele rente berekend tot 14 juni 2025 en € 1.128,62 aan buitengerechtelijke kosten waarop € 1.833,36 in mindering is gebracht), te vermeerderen met de nog lopende contractuele rente over een bedrag van € 11.286,24 en de veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] , ondanks herhaalde aanmaningen, de maandelijkse leasetermijnen niet (tijdig) aan [eiser] heeft voldaan. Om die reden heeft [eiser] de overeenkomst op grond van artikel 43 van Pro de algemene voorwaarden ontbonden en de bus teruggevorderd. Uit hoofde van de overeenkomst is [gedaagde] nog een bedrag van in totaal € 11.286,24 verschuldigd aan achterstallige leasetermijnen tot het moment van ontbinding en vervroegd opgeëiste termijnen. De verkoopopbrengst van de bus wordt hierop in mindering gebracht. Omdat [gedaagde] de in rekening gebrachte bedragen niet (op tijd) heeft betaald, maakt [eiser] primair aanspraak op de contractuele rente van 18% per jaar en (meer) subsidiair op de wettelijke (handels)rente. Door de wanbetaling zag [eiser] zich bovendien genoodzaakt om haar vordering ter incasso uit handen te geven en buitengerechtelijke incassokosten te maken. Deze kosten komen primair op grond van de algemene voorwaarden en subsidiair op grond van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) voor rekening van [gedaagde] .
3.3.
[gedaagde] voert verweer. Hij erkent de tussen partijen gesloten leaseovereenkomst maar betwist de vordering van [eiser] . De bus voldeed namelijk niet aan de verwachtingen. Binnen twee maanden begaf de koppeling het en na zes maanden de motor. Hij heeft zelf ook nog vier nieuwe banden op de bus laten zetten en een trekhaak geplaatst. [gedaagde] heeft dus veel kosten gemaakt voor de bus, tussen de € 8.000,00 en € 9.000,00. Door deze problemen heeft hij de bus een jaar lang niet kunnen gebruiken. Hij voert als verweer dat [eiser] tekort is geschoten in het oplossen van de problemen. Hij is het er dan ook niet mee eens dat de termijnbetalingen doorliepen, terwijl de bus niet voldeed. Daarnaast is [gedaagde] van mening dat de bus te weinig heeft opgeleverd op de veiling.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Onweersproken is dat [gedaagde] tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst, door de leasetermijnen niet (tijdig) te betalen. [gedaagde] heeft daartegenin gebracht dat [eiser] ook niet aan haar verplichtingen op grond van de overeenkomst heeft voldaan. Hij wil daarom een deel van de vordering verrekenen met de kosten die hij heeft gemaakt voor het onderhoud aan de bus, zo begrijpt de kantonrechter.
4.2.
De kantonrechter overweegt hierover als volgt. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een tekortkoming aan de kant van [eiser] waardoor hij zijn schade kan verrekenen. Door hem is niet onderbouwd dat hij kosten heeft gemaakt voor reparatie van de bus en dat die kosten het gevolg zijn van een aan [eiser] toerekenbare tekortkoming. [gedaagde] heeft weliswaar gesteld dat hij contact heeft opgenomen met [eiser] over de gestelde gebreken, dat [eiser] hem vervolgens heeft doorverwezen naar [naam leverancier] en dat [naam leverancier] hem weer doorverwees naar iemand anders, maar ook hiervan ontbreekt iedere onderbouwing. Nergens blijkt uit hij de gestelde problemen heeft gemeld bij [eiser] dan wel [naam leverancier] . De conclusie is dan ook dat [gedaagde] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat sprake is van een tekortkoming, schade en causaal verband. Om die reden faalt zijn verweer.
4.3.
Gelet op het voorgaande oordeelt de kantonrechter dat [eiser] bevoegd was om leaseovereenkomst te ontbinden. [eiser] heeft in de dagvaarding gewezen op bepalingen uit de toepasselijke algemene voorwaarden die over ‘beëindiging’ van de overeenkomst gaan. Daaruit begrijpt de kantonrechter dat de overeenkomst uitsluitend voor de toekomst is ontbonden. Voor zover de vordering ziet op de dag van ontbinding achterstallige termijnen is zij dan ook een nakomingsvordering en als zodanig toewijsbaar. De op de dag van ontbinding nog te vervallen (toekomstige) termijnen zijn ook toewijsbaar. [eiser] heeft deze termijnen vervroegd opgeëist op grond van een beding uit de algemene voorwaarden. De verbintenissen uit dat beding worden niet door de ontbinding getroffen, omdat het beding de ontbindingsschade vaststelt en daarmee bedoeld is om de situatie na de ontbinding te regelen. De kantonrechter is echter van oordeel dat [eiser] de gevorderde hoofdsom in de dagvaarding onvoldoende heeft onderbouwd. Een specificatie hiervan ontbreekt en het is de kantonrechter niet duidelijk hoe deze vordering is opgebouwd. [eiser] heeft dit op de zitting tevergeefs proberen toe te lichten. De kantonrechter gaat daarom uit van de achterstallige termijnen en het inlossaldo zoals opgenomen in de ontbindingsbrief van 19 september 2024 (productie 3) en productie 5, zijnde een totaalbedrag van € 10.498,50 (achterstallige termijnen van € 1.467,95 en vervroegd opgeëiste termijnen van € 9.030,55). Het bedrag van € 10.498,50 is in beginsel toewijsbaar, nu [gedaagde] (de hoogte van) dit bedrag op zichzelf niet heeft betwist.
4.4.
Op de toewijsbare hoofdsom van € 10.498,50 moet de verkoopopbrengst van de bus nog in mindering worden gebracht. [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij de opbrengst van € 3.403,73 te weinig vindt. [eiser] heeft daarover op de zitting gesteld dat de bus door een derde partij genaamd Autotelex is getaxeerd op een bedrag van € 3.800,00. Bij die taxatiewaarde is uitgegaan van een volledig schadevrije bus die technisch in orde is. De bus was echter na inlevering door [gedaagde] niet schadevrij en technisch ook niet in orde, aldus [eiser] . Dit volgt volgens haar ook uit de nadere productie die zij heeft overgelegd. [eiser] heeft dan ook gesteld dat de bus voor het hoogst haalbare bedrag op de veiling is verkocht. De kantonrechter overweegt hierover als volgt. Dat de bus is getaxeerd op een bedrag van € 3.800,00 en na inlevering schade en technische gebreken had is niet door [gedaagde] weersproken. Daarnaast heeft [eiser] uitgebreid onderbouwd waarom de verkoopopbrengst redelijk is en heeft [gedaagde] verder niet gemotiveerd aangevoerd waarom de opbrengst van € 3.403,73 niet redelijk zou zijn. Naar het oordeel van de kantonrechter staat het dan ook vast dat de verkoopopbrengst van de bus reëel is, gelet op de taxatiewaarde en de schade en technische mankementen aan de bus.
4.5.
[eiser] heeft echter maar € 1.833,36 in mindering gebracht op het door [gedaagde] verschuldigde bedrag. Op de zitting heeft zij daarover gesteld dat een bedrag aan verkoopkosten van de opbrengst is afgehaald en dat daarnaast een deel van de opbrengst is verrekend met de door [gedaagde] verschuldigde leasetermijnen tot aan ontbinding van de overeenkomst. Het resterende bedrag van € 1.833,36 is er vervolgens vanaf gehaald. De kantonrechter overweegt hierover dat niet gebleken is dat [eiser] verkoopkosten heeft moeten maken, laat staan de precieze hoogte van die kosten. Dat vervolgens een deel van de verkoopopbrengst is verrekend met de verschuldigde leasetermijnen blijkt ook nergens uit. De kantonrechter zal daarom de gehele verkoopopbrengst van € 3.403,73 in mindering brengen op de toewijsbare hoofdsom van € 10.498,50.
4.6.
[eiser] vordert vergoeding van contractuele rente. De kantonrechter stelt voorop dat de gevorderde contractuele rente toewijsbaar is over de achterstallige en de vervroegd opgeëiste termijnen. Deze verbintenissen uit het rentebeding worden niet door de ontbinding getroffen, nu die ontbinding als gezegd slechts voor de toekomst geldt, althans het rentebeding in het verlengde van het vorenstaande ook bedoeld is om ook na een ontbinding werking te houden. De volledig gevorderde hoofdsom van € 11.286,24 is echter, zoals hiervoor geoordeeld, niet toewijsbaar. Om die reden wordt de reeds verschenen contractuele rente van € 1.263,81 ook afgewezen. De kantonrechter kan namelijk niet nagaan over welk bedrag deze rente is berekend. Daarnaast is door [eiser] ook niet gesteld op welke datum [gedaagde] in verzuim is geraakt en vanaf welk moment zij de rente dus heeft berekend. De contractuele rente wordt daarom toegewezen vanaf de datum van dagvaarden (23 juni 2025) en is toewijsbaar over het bedrag dat hierna zal worden toegewezen.
4.7.
[eiser] vordert verder vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten over een bedrag van € 11.286,24. Dit doet zij primair op grond van haar algemene voorwaarden en subsidiair op grond van het Besluit. De hoogte van de vordering zal worden getoetst aan het Besluit omdat deze vergoedingen redelijk worden geacht
.De primaire vordering van € 1.128,62 als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief en [eiser] heeft niet gesteld dat die hogere kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. De primaire vordering wordt daarom afgewezen. De kantonrechter wijst conform het Besluit een bedrag van € 879,99 aan buitengerechtelijke kosten exclusief btw toe, passend bij de toewijsbare hoofdsom van € 10.498,50.
4.8.
Uit het voorgaande volgt dat het volgende bedrag (exclusief lopende contractuele rente) wordt toegewezen:
- hoofdsom
10.498,50
- buitengerechtelijke incassokosten
879,99
+
- verkoopopbrengst
3.403,73
-
Totaal
7.974,76
4.9.
[gedaagde] wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] haar vordering in de dagvaarding onvoldoende heeft onderbouwd, wijst de kantonrechter geen punt salaris gemachtigde toe voor de dagvaarding. Daarnaast zal het salaris voor de gemachtigde worden toegekend op basis van het toegewezen bedrag. De proceskosten van [eiser] worden derhalve begroot op:
- kosten van de dagvaarding
120,78
- griffierecht
543,00
- salaris gemachtigde
339,00
(1 punt × € 339,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.137,78
4.10.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 7.974,76, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 18% per jaar met ingang van 23 juni 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.137,78, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2026.
62956/560