Partijen sloten op 16 maart 2022 een huurkoopovereenkomst voor een Opel Vivaro met een looptijd van 72 maanden. Gedaagde raakte in verzuim door niet tijdig betaling van leasetermijnen, waarop eiser de overeenkomst op 19 september 2024 ontbond en de bus terugvorderde. Gedaagde leverde de bus vrijwillig in, die vervolgens op veiling werd verkocht voor € 3.403,73.
Eiser vorderde betaling van achterstallige leasetermijnen, contractuele rente en buitengerechtelijke incassokosten. Gedaagde erkende de overeenkomst maar betwistte de vordering, stellende dat de bus gebreken vertoonde en hij kosten had gemaakt voor reparaties, die hij wilde verrekenen. De kantonrechter oordeelde dat gedaagde onvoldoende onderbouwde dat eiser tekort was geschoten en dat de kosten niet toerekenbaar waren.
De kantonrechter stelde vast dat de ontbinding uitsluitend voor de toekomst gold en dat de achterstallige en vervroegd opeisbare termijnen toewijsbaar waren, maar dat eiser de hoofdsom onvoldoende had gespecificeerd. Daarom werd uitgegaan van een bedrag van € 10.498,50. De verkoopopbrengst van de bus werd volledig in mindering gebracht. De gevorderde contractuele rente werd slechts toegewezen vanaf de dagvaarding en de buitengerechtelijke incassokosten werden conform het Besluit vastgesteld op € 879,99.
Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van € 7.974,76 plus rente en proceskosten van € 1.137,78. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.