ECLI:NL:RBGEL:2026:1062

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
442781
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 161 RvArt. 6:162 BWArt. 6:101 BWArt. 6:119 BWArt. 161 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid en schadevergoeding wegens mishandeling met deels eigen schuld

Eiser en gedaagde, familie van elkaar, raakten in oktober 2020 betrokken bij een gewelddadig incident in een fietsenwinkel waarbij eiser werd mishandeld. Gedaagde werd strafrechtelijk veroordeeld voor poging tot zware mishandeling, wat in kracht van gewijsde is gegaan. Eiser vordert civielrechtelijk schadevergoeding wegens onrechtmatige daad.

De rechtbank beoordeelt de feiten aan de hand van getuigenverklaringen en het strafvonnis. Vaststaat dat gedaagde eiser meerdere malen met vuistslagen en trappen heeft mishandeld, ook toen eiser al op de grond lag. Eiser vernielde de auto van gedaagde en zocht de confrontatie, wat mede tot het incident leidde.

Gedaagde beroept zich op noodweer en schulduitsluitingsgronden, maar de rechtbank oordeelt dat zijn geweld niet proportioneel was en dat geen rechtvaardigingsgrond aanwezig is. Er is sprake van een aan gedaagde toe te rekenen onrechtmatige daad.

De rechtbank erkent dat eiser mogelijk materiële en immateriële schade heeft geleden, maar verwijst de omvang van de schade naar de schadestaatprocedure. Vanwege het gedrag van eiser wordt 25% eigen schuld vastgesteld, waardoor gedaagde voor 75% aansprakelijk is. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding en proceskosten.

Uitkomst: Gedaagde is voor 75% aansprakelijk voor de door eiser geleden schade en wordt veroordeeld tot schadevergoeding en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/442781 / HA ZA 24-535
Vonnis van 4 februari 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. A. Doruk,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. M. Cankaya.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 28 mei 2025
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 30 september 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] en [gedaagde] zijn zowel achterneven als zwagers van elkaar; [eiser] is gehuwd met de zus van [gedaagde] .
2.2.
In 2019/2020 is tussen [eiser] en [gedaagde] een geschil ontstaan over (de overdracht van) een perceel grond in [land] . Daarover lopen in [land] verschillende gerechtelijke procedures tussen hen.
2.3.
Op 12 oktober 2020 was [eiser] aanwezig in een fietsenwinkel in [plaats] . [gedaagde] verscheen daar ook en vroeg [eiser] naar buiten te komen, volgens [gedaagde] om in gesprek te gaan over het geschil over de grond in [land] . [gedaagde] en zijn broer [naam 2] waren samen met de auto naar [plaats] gereden. Tussen [eiser] en [gedaagde] is toen een handgemeen ontstaan.
2.4.
[eiser] heeft diezelfde dag bij de politie aangifte gedaan van zware mishandeling door [gedaagde] . Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.
2.5.
De politie heeft op 12 oktober 2020 [gedaagde] als verdachte gehoord en heeft verschillende getuigen van het voorval verhoord en daarvan processen-verbaal opgemaakt.
2.6.
In een aantekening mondeling vonnis van de politierechter van deze rechtbank, locatie Zutphen, van 4 juli 2022 is - samengevat - vermeld dat aan [gedaagde] ten aanzien van feit 1 primair poging tot zware mishandeling en feit 2 handelen in strijd met artikel 13 eerste Pro lid van de wet wapens en munitie een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht is opgelegd, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren, onder vermelding van de voorwaarden waaraan [gedaagde] zich moet houden. [eiser] is niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering als benadeelde partij, omdat de behandeling van die vordering een onevenredige belasting van het strafproces opleverde. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld, zodat het in kracht van gewijsde is gegaan.
2.7.
[eiser] heeft bij deurwaardersexploot van 4 januari 2023 een brief van 19 december 2022 van zijn belangenbehartiger NH Legal & Claims B.V. aan [gedaagde] laten betekenen, waarin hij [gedaagde] aansprakelijk stelt voor de geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van de mishandeling op 12 oktober 2020, waarbij aanspraak op vergoeding van wettelijke rente is aangezegd vanaf de datum van de mishandeling, buitengerechtelijke kosten en de kosten van derden.
[gedaagde] heeft niet op de aansprakelijkstelling gereageerd.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
I voor recht zal verklaren dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het gewelddadig handelen op 12 oktober 2020,
II [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
III [gedaagde] zal veroordelen in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis tot de dag van volledige betaling.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] heeft een onrechtmatige daad jegens hem gepleegd door hem op 12 oktober 2020 te mishandelen, door het toedienen van meerdere vuistslagen in het gezicht en op het hoofd, door slagen met een wapenstok op het achterhoofd en tegen de zijkant van het hoofd te geven en, nadat [eiser] op de grond was gevallen, het toedienen van slagen en een schop tegen het hoofd. [eiser] heeft daardoor letsel opgelopen waardoor hij schade heeft geleden. Het gaat om lichamelijk letsel (snijwonden in het gezicht) en psychisch letsel. Hij had pijn en een wond aan zijn hoofd. Hij heeft aanhoudende klachten, waaronder hoofdpijn, misselijkheid en stressklachten en is door de huisarts doorverwezen naar een neuroloog. Ter onderbouwing van zijn fysieke en psychische klachten heeft [eiser] delen van zijn medische dossier in het geding gebracht. Daaruit blijkt volgens hem onder meer dat hij paniekaanvallen heeft, slecht slaapt en symptomen van PTSS heeft. [eiser] heeft daarnaast materiële schade geleden, bestaande uit schade aan zijn bril en horloge, medische kosten, reiskosten, kosten voor huishoudelijke hulp, verlies aan zelfwerkzaamheid, buitengerechtelijke kosten en een eigen bijdrage voor rechtsbijstand in het strafproces als benadeelde partij. De onrechtmatige daad is aan [gedaagde] toe te rekenen. Tussen de mishandeling en de geleden schade bestaat causaal verband, aldus [eiser] .
3.3.
[gedaagde] voert verweer. Hij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. In het geval de vordering van [eiser] desondanks wordt toegewezen, verzoekt hij het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.4.
[gedaagde] voert het volgende aan. Hij erkent dat hij [eiser] op zijn hoofd heeft geslagen, maar dat was in reactie op duwen door [eiser] . Het incident is door toedoen van [eiser] ontstaan, die begon met hem te duwen. [gedaagde] moest zich verdedigen tegen [eiser] die de confrontatie met hem bleef opzoeken en zich steeds probeerde los te rukken terwijl omstanders hem probeerden vast te houden. Er is aldus sprake van noodweer volgens [gedaagde] . Hij beroept zich verder op noodweer exces en psychische en putatieve overmacht. [gedaagde] betwist ook het causaal verband tussen het incident en de medische klachten van [eiser] . Volgens [gedaagde] staat [eiser] al sinds 2009/2010 onder behandeling van een psycholoog en een psychiater in verband met depressie en angststoornissen, krijgt hij daarvoor medicijnen en is hij al jaren arbeidsongeschikt. Dat kan ook worden afgeleid uit de door [eiser] overgelegde medische gegevens. [gedaagde] beroept zich voorts subsidiair op eigen schuld van [eiser] .
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De zaak gaat over een voorval op 12 oktober 2020 tussen [eiser] en [gedaagde] , waarbij [eiser] door [gedaagde] zou zijn mishandeld. De vraag is - kort gezegd - of [gedaagde] jegens [eiser] een onrechtmatige daad heeft gepleegd waarvoor hij aansprakelijk is en of hij schade moet vergoeden die [eiser] stelt te hebben geleden als gevolg van die mishandeling en zo ja, of er sprake is van eigen schuld aan de zijde van [eiser] .
4.2.
[gedaagde] is bij vonnis van 4 juli 2022 strafrechtelijk veroordeeld voor - voor zover hier van belang - poging tot zware mishandeling van [eiser] . Op grond van het bepaalde in artikel 161 Rv Pro levert een in kracht van gewijsde gegaan op tegenspraak gewezen vonnis waarbij de Nederlandse strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, dwingend bewijs op van dat feit. Het vonnis van de politierechter is in kracht van gewijsde gegaan. Een en ander brengt mee dat - behoudens tegenbewijs - als vaststaand dient te worden aangenomen dat [gedaagde] een poging tot zware mishandeling van [eiser] heeft begaan. Uit dit vonnis blijkt niet welke gedragingen [gedaagde] heeft begaan, zodat in die zin geen dwingend bewijs voorhanden is van feiten die mishandeling van [eiser] door [gedaagde] betreffen. De rechtbank zal daarom eerst beoordelen wat er over de gestelde mishandeling vaststaat. Daarbij zijn met name de door de politie opgemaakte processen-verbaal van verhoor van getuigen van het voorval doorslaggevend.
4.3.
In de door de politie opgemaakte processen-verbaal van het voorval is onder meer, voor zover in dit verband van belang, het volgende vermeld:
[eiser] heeft bij de aangifte van 12 oktober 2020 onder meer verklaard:
Ik was in de fietsenwinkel aan [adres] te [plaats] . (…) Toen ik binnen stond kwam mijn zwager buiten met een witte BMW voorrijden. Mijn zwager het [naam 1] (
de rechtbank stelt vast dat dit een verschrijving is, bedoeld is [gedaagde]). Hij vroeg mij om naar buiten te komen. Daarop ben ik naar zijn auto toegelopen.
Ik heb een conflict met mijn zwager met betrekking tot geld. Ik vermoede dat hij daarom verhaal kwam halen en met mij in gesprek wilde gaan. Toen ik bij zijn auto kwam stapte hij direct uit. Hij sloeg mij daarop direct met een soort wapenstok in mijn nek. Ik zag dat zijn broer, [naam 2] , ook uit de auto stapte. Vervolgens voelde ik een vuistslag in mijn gezicht. Daarop volgde meerdere vuistslagen in mijn gezicht en op mijn hoofd. Deze klappen kwamen van mijn zwager en zijn broer. Ik probeerde mij daarbij te verdedigen. Vervolgens voelde ik enkele klappen met die wapenstok op mijn hoofd. Vooral op mijn achterhoofd en op de zijkant van mijn hoofd. Daarbij riepen zij lelijke woorden over mijn moeder. De klappen op mijn hoofd veroorzaakte pijn bij mij. Ik zag dat er bloed aan mijn handen zat. Ik vermoed dat dit van de wonden op mijn hoofd kwam.
Vervolgens ben ik op de grond terecht gekomen. Ik voelde dat ik nog enkele klappen en een schop tegen mijn hoofd kreeg. Deze schop en klappen veroorzaakte pijn bij mij. Ik had het idee dat ik dood zou gaan. Vervolgens zag ik dat mijn zwager en zijn broer van mij af getrokken werden. Hierop kon ik opstaan en ben ik naar de auto van mijn zwager gelopen. Daar heb ik de spiegelkap van de linker zijspiegel erag geslagen. Ook heb ik de achteruitwisser van de auto afgetrokken.
Vervolgens ben ik door de medewerkers van de fietsenwinkel naar binnen gebracht.
[getuige 1] heeft op 12 oktober 2020 over het voorval onder meer verklaard:
Ik zag dat [eiser] achter een witte BMW op de grond lag. Ik weet dat dit [eiser] was, omdat het een goede klant van ons is. Ik zag dat hij een klein sneetje op zijn voorhoofd had. Ik zag dat er twee mannen om hem heen stonden. Ik hoorde ze in het [taal] schreeuwen. (…) Ik zag dat er een omstander aan kwam rennen. Ik zag dat de omstander de bestuurder van de witte BMW van [eiser] trok. Ik zag dat beide partijen gescheiden waren.
Ik zag dat [eiser] naar de linker spiegel van de auto liep. Ik zag dat [eiser] een klap tegen de spiegel gaf. Ik zag dat de spiegel de andere kant op klapte. Ik zag dat de bestuurder zich lostrok van de omstander. Ik zag dat de bestuurder met zijn vuist [eiser] een klap tegen de linkerkant van zijn hoofd gaf. Ik zag dat [eiser] op de grond viel. Ik zag dat de bestuurder hem twee schoppen in zijn buik gaf. De omstander en ik hebben de bestuurder vastgepakt, zodat [eiser] weer op kon staan. Ik zag dat [eiser] de linker spiegel van de auto naar beneden trok. Ik zag dat de witte kap van de spiegel op de grond lag. Ik zag dat er een vuist over mijn schouder kwam in de richting van [eiser] . Ik weet niet waar de vuist hem raakte. Ik zag dat [eiser] op de grond viel. Ik heb meerdere keren gezegd dat [eiser] van de auto moest blijven.
Ik zag dat [eiser] naar de achterzijde van de auto liep. Ik zag dat [eiser] de ruitenwisser van de auto trok. Ik zag dat [eiser] weer klappen en schoppen kreeg van de bestuurder. Ik zag dat [eiser] weer op de grond viel. Samen met mijn werkgever trokken wij de twee partijen uit elkaar. Ik hoorde over en weer in het [taal] geschreeuwd worden. Ik zag dat er over en weer werd getuft. Ik zag dat [eiser] de ruitenwisser in de richting van de auto gooide. Ik zag dat de bestuurder opnieuw [eiser] wilde aanvallen. Ik zag dat er iemand tussen stond die dit voorkwam. Ik zag dat [eiser] mee naar binnen werd genomen en zo de partijen waren gescheiden.
[getuige 2] heeft op 12 oktober 2020 over het voorval onder meer verklaard:
Ter hoogte van [de fietsenwinkel] zag ik een mondelinge ruzie tussen drie mannen. Ik zag dat er een witte auto bij de mannen stond. Ik zag hierna dat man 1 man 2 duwde. Ik zag dat man 2 man 1 hierop gelijk een vuistslag tegen de linkerkant van het hoofd van man 1 gaf. Ik zag dat man 1 hierdoor op de grond te recht kwam. Ik zag dat man 2 en man 3 begonnen in te trappen op man 1. Hierop ben ik voorzichtig tussen alle mannen in gaan staan. Ik heb man 1 meegetrokken uit de situatie. Ik zag dat het hoofd van man 1 onder het bloed zat. Ik zei hierbij tegen man 2 en 3 dat het zo wel genoeg was. Ik zag dat man 1 in de richting van man 2 en 3 tufte. Ik zag dat hierdoor bloed van man 1 op het gezicht van man 2 terecht kwam. Ik zag dat man 2 ook in de richting van man 1 tufte. Ik voelde dat man 1 in de richting van de witte auto wilde lopen. Om dat ik niet wilde dat de man boos op mij werd, liet ik hem los. Ik zag dat man 1 tegen de linker spiegel trapte van de witte auto. Ik zag hierna dat de man de ruitenwisser van achterruit aftrok. Ik zag dat de man de ruitenwisser in de richting van man 2 en 3 wilde gooien, maar hierbij de voorruit en bijna een voorbijganger raakte. Hierna zag ik dat man 1 op de grond terecht kwam. Ik heb niet gezien waardoor. Ik zag dat man 2 en 3 opnieuw op hem intrapte. Ik had het gevoel dat man 2 en 3 meer de auto aan het beschermen waren, dan dat ze uit waren om man 1 in elkaar te slaan. Wel is er naar mijn mening te excessief geweld gebruikt door beide mannen. Uiteindelijk heeft het personeel van [de fietsenwinkel] man 1 meegenomen naar binnen de winkel in. Niet lang daarna arriveerde de politie. (…)
[getuige 3] heeft op 12 oktober 2020 over het voorval onder meer verklaard:
Ik liep samen met mijn vriend, [naam 3] , vanaf de rotonde [naam rotonde] de [straatnaam] op. Ik zag op de [straatnaam] ter hoogte van [de fietsenwinkel] een witte auto staan. Bij de auto stonden drie mannen. Ik zag en hoorde dat er een mondelinge ruzie gaande was tussen de drie mannen. Ik denk dat man 1 man 2 op ten duur duwde. Hierna zag ik dat man 2 man 1 met zijn vuist op de linkerslaap sloeg. Ik weet niet hoe vaak man 2 man 1 sloeg, maar ik denk twee keer. Ik hoorde man 3 hierna tegen man 2 zei of hij … uit de auto moest pakken. Hierna is mijn vriend tussen beide mannen gesprongen. Ik zag dat man 2 en 3 heel rustig. Ik zag dat mijn vriend man 1 vasthield. Ik zag dat man 1 zich probeerde los te maken. En dat lukte op den duur. Ik zag dat man 1 weer naar man 2 en 3 ging. Ik zag dat man 1 hierop probeerde om de linker spiegel van de witte auto af te trappen. Ik zag dat man 1 de ruitenwisser van de witte auto probeerde af te trekken. Ik zag dat man 1 de ruitenwisser in de richting van persoon 2 en 3 gooide. Ik zag dat, als reactie hierop, man 2 man 1 weer sloeg en trapte. Ik zag dat man 1 de hele tijd werd weggehaald door mijn vriend en personeel van [de fietsenwinkel] . Ik zag dat persoon 1 niet wilde weggehaald worden. Ik zag dat man 1 de hele tijd de confrontatie zocht met man 2 en 3. Ik zag dat man 1 eigenlijk de hele tijd naar de auto van man 2 liep en daarna heel hard werd geslagen door man 2. (…)
[getuige 4] heeft op 12 oktober 2020 over het voorval onder meer verklaard:
Toen ik de [straatnaam] insloeg zag ik dat er ter hoogte van de fietsenwinkel een gevecht was. Ik zag dat er aan de andere kant van de weg een witte BMW stond (…). Ik zag dat er drie mannen met elkaar aan het vechten waren. Tenminste ik zag dat er drie mannen een conflict met elkaar hadden. Ik kan de mannen als volgt omschrijven (…) Ik zag dat er over en weer gevochten werd, maar ik kon niet goed zien wie wat deed. (…) Het was voor mij wel duidelijk dat man 2 en 3 bij elkaar hoorde en dat het tegen man 1 ging. (…) Toen ik met 112 aan de telefoon zat zag ik dat eerdergenoemde persoon 1 tegen de grond werd geslagen. Ik zag dat hij hard tegen de grond aan viel. Door wie hij tegen de grond werd geslagen weet ik niet zo goed. Ik zag op dat moment ook dat persoon 1 een bebloed hoofd had. In het begin van de vechtpartij weet ik zeker dat hij dit nog niet had. Ik hoorde dat persoon 1 ook maar bleef roepen bel de politie, bel de politie. Vervolgens zag ik dat ze de confrontatie met elkaar bleven opzoeken. Wie daar het initiatief in nam weet ik niet zo goed. Toen ik 112 nog aan de telefoon had zag ik dat persoon 1 naar een woning liep en uiteindelijk daar naar binnen ging.
[getuige 5] op 12 oktober 2020 heeft over het voorval onder meer verklaard:
Toen ik de [straatnaam] in kwam rijden zag ik dat er ter hoogte van de fietsenmaker en gevecht plaats vinden tussen een paar personen. Ik kon er niet langs oprijden omdat de vechtende mensen de weg blokkeerde. (…) Ik zag dat er twee mensen aan het vechten waren. 1ste man (…) 2de man (…). Ik zag dat de man in het zwarte shirt (2de man) tegen gehouden werd door omstanders. Vervolgens zag ik dat de man met de groene jas (1ste man) in de richting van de 2de man liep en hem vervolgens een harde duw gaf.
Toen zag ik dat de 2de man vol in de aanval ging en meerdere malen op het hoofd sloeg van de 1ste man. Dit waren rake harde klappen op het hoofd. Ik schrok hier enorm van. Vooral omdat het zo hard ging. (…)
Vervolgens zag ik dat de 1ste man een wapenstok in zijn hand had. Ik zag dat hij de stok van zich af gooide in de richting van een witte auto welke aan de overzijde van de weg geparkeerd stond. Hierdoor kreeg ik de indruk dat die witte auto bij iemand hoorde die betrokken was in dit conflict. (…)
Vervolgens zag ik dat verschillende mensen beide mannen weer uit elkaar probeerde te halen. Maar uiteindelijk werd dit toch weer een vechtpartij.
Hierbij heeft man 2 meerder malen geschopt tegen de 1ste man. Ik zag da de 1ste man tegen de grond viel en daar bleef liggen.
Ik zag dat de 2de man vervolgens een flinke harde trap tegen het hoofd van de man met het groene jas gaf.
Vervolgens krabbeld de 1ste man overeind.
Op dat moment zag ik dat de weg vrij was en vervolgens ben ik er snel langs op gereden. (…)
[gedaagde] is op 12 oktober 2020 als verdachte gehoord en heeft onder meer verklaard:
We hadden sigaretten meegenomen voor een vriend van mij [plaats] , deze gingen mijn broertje en ik vandaag langs brengen. Ik wist waar mijn zwager uithing, ik ken hem al 40 jaar. Ik zag dat hij bij de fietsenmaker was in [plaats] . Ik kwam daar aangereden. Ik ben vervolgens naar binnen gegaan, daar zag ik mijn zwager zitten en ik zei, kom laten we naar buiten gaan om te praten. Mijn zwager schreeuwt nogal dus wilde ik naar buiten.
Ik wilde een heel kort gesprek voeren. Ik had de auto aan gelaten. Ik ben in de auto gaan zitten om de auto te verplaatsen, Ik zag dat mijn zwager hard aan kwam lopen. Ik dacht dat hij me niet wilde laten uitstappen. Ik had het portier dicht, alleen het raam stond open.
Ik pakte die stok, ik wilde mijn zwager laten schrikken.
V: Hoe komt ploertendoder in die auto?
Ik gebruik die auto niet vaak, ik heb die ploertendoder vanaf huis meegenomen. Ik wilde hem laten schrikken, maar dat heeft niet geholpen. De ploerten doder zat in de deur.
Toen mijn zwager aan kwam lopen dacht ik dat het fout zou gaan, ik heb de ploertendoder gepakt. Ik ben uitgestapt, mijn zwager pakte mij bij de keel. Ik heb hem vervolgens met de ploertendoder op zijn bips geslagen. Toen liet hij me los. Ik heb vervolgens de ploertendoder terug gelegd in de auto.
Ik voelde en zag dat mijn zwager mij weer bij mijn keel pakte. Ik heb hem vervolgens weggeduwd. Ik heb tegen hem geroepen dat hij weg moest gaan, duit riep in het [taal] . Ik heb meerdere keren gezegd dat hij weg moest gaan. Er zijn over en weer klappen gevallen. Mijn zwager heeft meer klappen gehad dan ik.
We hebben ook in het [taal] gescholden.
Wat de getuigen zeggen is de waarheid. Ik heb mijn zwager naar de grond gewerkt en hem een paar trappen gegeven. Hij schold mijn hele familie uit en dat kan niet.
V: het gezicht van je zwager was redelijk gehavend?
Dat klopt, dat komt door zijn bril. Toen mijn zwager mij niet aankon is hij de auto gaan slopen. Hij heeft de spiegel en de ruitenwisser gesloopt, ook zit er nu een deuk in de deur.
Ik ontken niet dat ik hem geslagen heb.
(…)
Ik wil aangifte tegen mijn zwager doen van vernieling. Ik heb nog tegen mijn broertje gezegd dat hij hem tegen moest houden. Mijn zwager liep telkens op mij af. Dit was niet mijn bedoeling, ik wilde alleen maar praten.
[naam 2] is op 13 oktober 2020 als verdachte gehoord en heeft onder meer verklaard:
[gedaagde] vertelde mij in de auto, onderweg naar [plaats] , dat hij wilde gaan praten met onze zwager [eiser] . Ik weet dat [gedaagde] en [eiser] onderling problemen hebben, ik weet niet precies waar het over gaat.
We reden naar de fietsenwinkel, (…). We kwamen aan en mijn broer stapte uit. [eiser] zit heel vaak bij deze fietsenmaker. Ik zag dat [gedaagde] weer terug kwam. [gedaagde] parkeerde de auto om de hoek. Ik zag dat [gedaagde] uitstapte. Ik was ondertussen met mijn telefoon bezig.
Het eerste wat ik zag was dat [gedaagde] de stok terug zette.
V: Stok?
Ja, ik bedoel de ploertendoder. [gedaagde] stopte deze in het vak van de deur. (…) Toen ik dat zag ben ik ook uitgestapt. Ik zag dat mijn broer [eiser] sloeg. Ik zag dat [gedaagde] , [eiser] bij zijn kraag pakte. Ik weet dat [gedaagde] sterk is, ik heb [gedaagde] weggetrokken. (…) [eiser] is een paar keer tot rust gemaand door mensen van de fietsenwinkel, echter hij bleef naar mijn broer lopen.
Ik zag dat [eiser] ook de auto begon te vernielen, hij heeft de linkerbuitenspiegel gesloopt, hij heeft tegen de deur getrapt. Hij heeft ook de achter-ruitenwisser afgebroken. (…)
V: Heb jij je zwager geschopt of geslagen?
Nee, ik heb wel aan hem getrokken. Ik wilde ze uit elkaar trekken. Ik weet dat mijn broer sterker is. Mijn zwager en broer hebben elkaar over en weer geslagen.
4.4.
[eiser] heeft als productie 20 een aanvullende schriftelijke verklaring van [naam 2] overgelegd. Daarin staat voor zover van belang het volgende:
Tijdens het politieverhoor heb ik vragen beantwoord zoals deze mij toen zijn gesteld. Voor zover ik mij herinner, heb ik deze vragen beknopt en zonder veel detail beantwoord. Dit was mede omdat mijn broer tijdens het verhoor vastzat. Ik moest ook aan mijn moeder denken (destijds [leeftijd] jaar oud) waarvan ik niet wilde dat zij zou horen dat haar zoon een lange tijd in een cel moest verblijven. Dit maakte het voor mij moeilijk om vrijuit te spreken.
Aanvullend wil ik nu verklaren dat [eiser] geen partij voor [gedaagde] . [gedaagde] sloeg hem herhaaldelijk, met grote kracht. Het geweld was buitenproportioneel en in mijn beleving beestachtig van aard. [eiser] probeerde zich te verweren, maar hierin slaagde hij niet.
Ik herinner mij bovendien dat [gedaagde] gebruik heeft gemaakt van een ploertendoder en dat hij [eiser] daarmee heeft geslagen, gevolgd door slagen met de vuist. De exacte details weet ik niet meer, maar ik weet zeker dat [eiser] meerderde malen door [gedaagde] met de ploertendoder en zijn vuisten is geslagen.
4.5.
[eiser] en [gedaagde] verklaren allebei anders over wie is begonnen met fysiek geweld. Volgens [eiser] is [gedaagde] begonnen met het slaan met een wapenstok en volgens [gedaagde] is [eiser] begonnen door hem bij de keel te pakken. Uit de verklaring van [naam 2] die hij bij de politie heeft afgelegd, kan worden opgemaakt dat hij niet heeft gezien hoe de ruzie tussen [eiser] en [gedaagde] is begonnen, omdat hij verklaart dat hij met zijn telefoon bezig was en het eerste wat hij zag was dat [gedaagde] de ploertendoder terugzette. De getuigen verklaren niet hoe de ruzie is begonnen. Zij verklaren pas over de ruzie/vechtpartij van de drie mannen, dus toen [naam 2] ook uit de auto was gestapt. Uit de getuigenverklaringen concludeert de rechtbank dat voldoende is komen vast te staan dat [eiser] [gedaagde] op een zeker moment duwde, waarna [gedaagde] [eiser] tegen de linkerkant van het hoofd heeft geslagen, dat [eiser] daardoor viel, waarna [gedaagde] hem heeft geschopt toen hij op de grond lag, en dat [eiser] nadat hij de spiegel en de ruitenwisser van de auto van [gedaagde] had vernield door [gedaagde] weer werd geslagen, op de grond viel en vervolgens werd geslagen en getrapt door [gedaagde] . Verder is komen vast te staan dat het hoofd van [eiser] bebloed was geraakt door de klappen. Dit wordt ook grotendeels bevestigd door de verklaring van [gedaagde] , waarin hij erkent dat hij [eiser] tegen de grond heeft gewerkt en een paar trappen heeft gegeven en waarin hij verklaart dat hij niet ontkent dat hij [eiser] heeft geslagen. Dat [eiser] naar [gedaagde] kwam lopen en hem bij de keel greep, is niet komen vast te staan. Alleen [gedaagde] heeft dit verklaard, wat op zichzelf onvoldoende is. [eiser] heeft immers een andere versie van het gebeuren, namelijk dat hij kwam aanlopen en dat [gedaagde] toen uit de auto stapte en hem direct met een soort wapenstok in de nek sloeg. De getuigen hebben hierover niets verklaard, zodat niet vaststaat hoe de feitelijke gang van zaken aan het begin van de ruzie is geweest.
Dat [gedaagde] [eiser] ook op het hoofd heeft geslagen kan niet uit de verklaringen worden geconcludeerd, omdat alleen [eiser] zelf en [getuige 5] dat hebben verklaard, wat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende is, nu de andere getuigen hierover niet hebben verklaard en [gedaagde] dit heeft weersproken.
Over het gebruik van de ploertendoder is door de getuigen niets verklaard. Kennelijk hebben de getuigen het begin van de ruzie, waar de ploertendoder zou zijn gebruikt, niet waargenomen, nu uit de getuigenverklaringen kan worden opgemaakt dat het gevecht al gaande was toen zij aankwamen. [eiser] heeft verklaard dat [gedaagde] hem met een wapenstok in zijn nek heeft geslagen en daarmee enkele klappen op zijn hoofd heeft gegeven. [gedaagde] heeft verklaard dat hij [eiser] met de ploertendoder op zijn achterwerk heeft geslagen toen [eiser] hem bij de keel greep. [naam 2] heeft bij de politie verklaard dat hij heeft gezien dat [gedaagde] de ploertendoder terug legde in de auto. Weliswaar is hij in zijn aanvullende verklaring (productie 20) hierop teruggekomen en heeft hij verklaard dat [gedaagde] [eiser] met de ploertendoder heeft geslagen, maar die verklaring is pas jaren later opgesteld. Bovendien is [naam 2] niet alleen de broer van [gedaagde] , maar is hij ook familie van [eiser] (de echtgenote van [eiser] is een zus van Ismaël ) en niet valt uit te sluiten dat de belangen van Ismaël thans anders liggen. Aan zijn verklaringen kan dus weinig betekenis worden gehecht omdat hij verschillende, elkaar tegensprekende verklaringen heeft afgelegd. De feitelijke gang van zaken op dit punt is daarmee niet duidelijk geworden. Nu [gedaagde] zelf heeft verklaard dat hij [eiser] met de ploertendoder op zijn achterwerk heeft geslagen is wel aannemelijk dat hij dit heeft gedaan. Dat hij [eiser] (ook) met de ploertendoder in zijn nek en op zijn hoofd heeft geslagen is echter niet voldoende komen vast te staan, omdat alleen [eiser] zelf dit heeft verklaard en deze verklaring geen steun vindt in de getuigenverklaringen.
4.6.
Gelet op wat hiervoor is overwogen staat de mishandeling van [eiser] door [gedaagde] in rechte vast. Dit leidt tot de conclusie dat [gedaagde] in beginsel onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld.
Van onrechtmatig handelen is echter geen sprake als vast komt te staan dat voor het handelen van [gedaagde] een rechtvaardigingsgrond bestaat (artikel 6:162 lid 2 BW Pro).
[gedaagde] heeft in dit verband een beroep gedaan op de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond, namelijk noodweer. [gedaagde] heeft verder, als wel sprake zou zijn van onrechtmatig handelen, een beroep gedaan op de aanwezigheid van een schulduitsluitingsgrond (artikel 6:162 lid 3 BW Pro), die aan toerekenbaarheid van een onrechtmatige daad in de weg staat.
4.7.
[gedaagde] stelt dat zijn handelen werd ingegeven door [eiser] , die hard aan kwam lopen en hem direct bij de keel greep. Het daarop volgende handelen van [gedaagde] gericht tegen [eiser] is naar zijn zeggen aan te merken als de noodzakelijke verdediging van eigen lijf en goed (zijn auto) tegen de onrechtmatige agressie van de zijde van [eiser] . [eiser] is meerdere keren op hem afgestormd en heeft hem hard geduwd, waarop [gedaagde] hem met de vuist van zich af heeft geslagen. [eiser] zocht steeds opnieuw de confrontatie en begon ook de auto van [gedaagde] te vernielen. [gedaagde] stelt dat vluchten niet mogelijk was en dat sprake was van een bedreigende situatie waartegen hij zich moest verdedigen. Wat betreft de aanwezigheid van een schulduitsluitingsgrond stelt [gedaagde] dat, als de grenzen van noodzakelijke verdediging al zouden zijn overschreden, dit een onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die door de aanranding door [eiser] werd veroorzaakt (noodweer-exces). Ook is het volgens [gedaagde] zo, dat door zijn medische situatie en medicijngebruik hij redelijkerwijs in de veronderstelling kan hebben verkeerd dat hij werd aangevallen door [eiser] en zich daartegen moest verdedigen (psychische overmacht), dan wel heeft [gedaagde] zich verontschuldigbaar het dreigende gevaar ingebeeld of de aard van de dreiging verkeerd beoordeeld (putatieve overmacht).
4.8.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep van [gedaagde] op de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond of een schulduitsluitingsgrond niet slaagt. Daartoe wordt als volgt overwogen. Het begin van de ruzie is onduidelijk, nu [eiser] stelt dat [gedaagde] hem meteen met de wapenstok in de nek sloeg, terwijl [gedaagde] stelt dat [eiser] hem bij de nek greep en de getuigen hierover niets hebben verklaard. Wie precies is begonnen is dus niet komen vast te staan. Wel blijkt uit de getuigenverklaringen dat [eiser] [gedaagde] duwde, waarop [gedaagde] hem direct een vuistslag in het gezicht gaf, dat [eiser] op de grond viel en dat [gedaagde] hem trapte. Toen [eiser] , nadat hij was opgestaan, de spiegel en de ruitenwisser van de auto vernielde heeft [gedaagde] hem weer tegen de grond geslagen en getrapt. Ook blijkt uit de getuigenverklaringen dat [eiser] , die door een omstander werd tegengehouden, zich probeerde los te rukken en op [gedaagde] af bleef komen. Dat [gedaagde] de noodzaak voelde zichzelf en zijn auto te verdedigen, is gelet op deze gang van zaken op zichzelf wel gerechtvaardigd. De wijze waarop [gedaagde] zich heeft verdedigd is echter niet proportioneel en voldoet evenmin aan het subsidiariteitsvereiste. De wijze van verdediging door [gedaagde] staat namelijk niet in verhouding tot de ernst van het handelen van [eiser] . Het was [gedaagde] die [eiser] meerdere keren met de vuist in het gezicht heeft geslagen en die [eiser] twee keer naar de grond heeft geslagen en hem, toen [eiser] al op de grond lag, heeft getrapt en geslagen. Uit geen van de getuigenverklaringen blijkt dat [eiser] [gedaagde] heeft geslagen of geschopt, alleen dat hij [gedaagde] duwde, in zijn gezicht spuugde, de spiegel en de ruitenwisser van de auto vernielde en dat hij de confrontatie met [gedaagde] bleef zoeken. Naar het oordeel van de rechtbank had [gedaagde] voorts met een minder schadelijke wijze van verdediging kunnen volstaan. Met name was niet noodzakelijk om [eiser] tot twee keer toe naar de grond te werken en hem terwijl hij al op de grond lag nog te trappen. De conclusie luidt dan ook dat noodweer niet kan worden aangenomen, nu geen sprake was van een noodzakelijke verdediging op deze manier, terwijl anders handelen door [gedaagde] mogelijk moet worden geacht.
4.9.
Dat [gedaagde] de grenzen van noodzakelijke verdediging niet meer in acht kon nemen, omdat hij door de plotselinge aanval van [eiser] in een hevige gemoedstoestand kwam te verkeren (noodweer-exces), is niet aannemelijk geworden. Dat het handelen van [eiser] , namelijk het duwen van [gedaagde] , bij [gedaagde] een gemoedstoestand veroorzaakte die ertoe leidde dat de noodzakelijke verdediging verder ging dan in de situatie geboden was, is niet aannemelijk. Evenmin is aannemelijk dat sprake was van psychische overmacht. Van een van buiten komende kracht van zodanige aard dat [gedaagde] die niet hoefde te weerstaan, is onvoldoende gebleken. Het duwen door [eiser] is daarvoor onvoldoende. [gedaagde] heeft ook een beroep gedaan op putatieve overmacht. Daarvan is sprake als er verontschuldigbaar wordt gedwaald over de aanwezigheid van een overmachtsituatie. Dat van een overmachtsituatie sprake zou zijn geweest, en in welke zin, is door [gedaagde] onvoldoende gesteld en onderbouwd.
4.10.
Uit het voorgaande volgt dat er geen rechtvaardiging is voor het handelen van [gedaagde] , zodat de onrechtmatigheid van zijn handelen jegens [eiser] vaststaat, terwijl de onrechtmatige daad ook aan [gedaagde] kan worden toegerekend.
4.11.
Nu sprake is van een aan [gedaagde] toerekenbare onrechtmatige daad, is [gedaagde] verplicht de schade die [eiser] door die onrechtmatige daad lijdt te vergoeden. [eiser] stelt dat hij immateriële schade (psychisch letsel en wonden in zijn gezicht) en materiële schade heeft opgelopen door de onrechtmatige daad. [gedaagde] heeft het causaal verband tussen de gestelde klachten en de onrechtmatige daad gemotiveerd weersproken. Hij wijst erop dat uit het door [eiser] overgelegde medisch dossier niet blijkt van causaal verband tussen het incident en de gestelde klachten en evenmin blijkt daaruit welke beperkingen de klachten meebrengen. [gedaagde] betwist dat de gestelde klachten en beperkingen een belemmering vormen voor het verrichten van huishoudelijke taken en zelfwerkzaamheid en deze gestelde klachten leiden volgens [gedaagde] dus niet tot schade. Ook is niet bekend welk vermeend letsel door [gedaagde] is toegebracht en welk vermeend letsel door [naam 2] is toegebracht. Bovendien is [eiser] al sinds 2009/2010 in behandeling bij psychologen en psychiaters in verband met depressieklachten en angststoornissen en gebruikt hij al jaren medicatie in verband met mentale klachten. Ook zou hij al jaren een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangen wegens die klachten en beperkingen. [gedaagde] verwijst ter onderbouwing naar de verklaring van [eiser] in het proces-verbaal van de politie dat is opgemaakt in verband met de aangifte die [gedaagde] tegen hem heeft gedaan wegens vernieling van zijn auto.
4.12.
[eiser] heeft desgevraagd op de mondelinge behandeling verklaard dat hij al een uitkering van het UWV ontving voordat het incident plaatsvond, maar dat zijn arbeidsongeschiktheidspercentage is toegenomen door het incident. Ook had hij voor het incident plaatsvond al last van hartkloppingen en paniekaanvallen. Door het incident heeft hij naar eigen zeggen een PTSS stoornis opgelopen met als bijverschijnselen slecht slapen, hoofdpijn en verminderd zicht.
4.13.
De rechtbank is van oordeel dat [eiser] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij door de onrechtmatige daad mogelijk materiële en/of immateriële schade heeft geleden. De schade kan thans niet worden begroot. Dat [eiser] wonden in zijn gezicht heeft opgelopen is door [gedaagde] niet betwist en staat dus vast. Of hij daardoor schade heeft geleden is onduidelijk. Of [eiser] psychisch letsel heeft opgelopen door de onrechtmatige daad staat nog niet vast. Dat die mogelijkheid aanwezig is, volgt uit wat hiervoor is overwogen en ook uit een brief van de behandelend psycholoog van 2 februari 2021 (productie 17 bij dagvaarding), waarin staat dat [eiser] al voor het voorval in behandeling was, maar dat het voorval de klachten heeft verergerd. Thans staat ook nog niet vast of [eiser] , als hij psychisch letsel heeft opgelopen door de onrechtmatige daad van [gedaagde] , daardoor schade heeft geleden. De zaak zal daarom naar de schadestaatprocedure worden verwezen. De geleden materiële schade door beschadiging van de bril en het horloge, medische kosten en reiskosten zijn door [eiser] niet geconcretiseerd en kunnen in de schadestaatprocedure worden begroot. De overige materiële schadeposten, waar onder kosten voor huishoudelijke hulp en verlies aan zelfwerkzaamheid, kunnen eveneens in de schadestaatprocedure worden beoordeeld.
4.14.
Voor zover er schadevergoeding zou worden toegewezen heeft [gedaagde] subsidiair een beroep gedaan op eigen schuld van [eiser] (artikel 6:101 BW Pro). Artikel 6:101 BW Pro geeft als uitgangspunt dat de schade over de benadeelde en de aansprakelijke wordt verdeeld in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Er moet dan worden beoordeeld in welke mate enerzijds het gedrag van [gedaagde] en anderzijds het gedrag van [eiser] aan het ontstaan van de schade heeft bijgedragen. Als de billijkheid het vereist wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval, kan een andere verdeling plaatsvinden, of de vergoeding geheel vervallen of in stand blijven.
4.15.
Op grond van de getuigenverklaringen is voldoende komen vast te staan dat [eiser] , ook nadat hij door [gedaagde] was geslagen, naar de grond was gewerkt en was getrapt, de confrontatie met [gedaagde] bleef opzoeken, hij zich niet liet tegenhouden door omstanders, dat hij [gedaagde] in het gezicht spuugde en dat hij de spiegel en de ruitenwisser van de auto van [gedaagde] vernielde. Zo heeft [getuige 1] verklaard dat hij meerdere keren tegen [eiser] zei dat hij van de auto af moest blijven, maar dat [eiser] vervolgens de ruitenwisser van de auto trok. [getuige 2] heeft verklaard dat hij [eiser] aan zijn arm meetrok uit de situatie, dat [eiser] in de richting van [gedaagde] en zijn broer spuugde en dat hij voelde dat [eiser] in de richting van auto wilde lopen. [getuige 2] liet [eiser] los omdat hij niet wilde dat [eiser] boos op hem werd, waarna [eiser] de spiegel van de auto van [gedaagde] trapte en daarna de ruitenwisser van de auto trok en in de richting van [gedaagde] wilde gooien, maar daarbij de voorruit raakte. [getuige 3] heeft verklaard dat zij zag dat [gedaagde] en zijn broer heel rustig waren en dat [eiser] werd vastgehouden door haar vriend, [getuige 2] , maar dat [eiser] zich wilde losmaken, wat lukte. Daarna ging [eiser] weer naar [gedaagde] en zijn broer en probeerde hij de spiegel en de ruitenwisser van de auto te trekken en hij gooide de ruitenwisser in de richting van [gedaagde] en zijn broer. Hierop werd [eiser] weer geslagen en getrapt door [gedaagde] . [getuige 3] zag dat [eiser] de hele tijd werd weggehaald door haar vriend en personeel van de fietsenwinkel. Zij zag dat [eiser] niet weggehaald wilde worden en de hele tijd de confrontatie zocht met [gedaagde] en zijn broer. Zij zag dat [eiser] de hele tijd naar de auto van [gedaagde] liep en daarna heel hard werd geslagen door [gedaagde] .
4.16.
Door het geven van de duw en daarna de confrontatie met [gedaagde] te blijven opzoeken en deze niet uit de weg te gaan door weg te lopen, wat hij had kunnen doen na de eerste vuistslag die [gedaagde] hem gaf, en ook door zich los te trekken toen hij werd vastgehouden door omstanders en vervolgens de spiegel en de ruitenwisser van de auto trok, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van enige mate van eigen schuld aan de zijde van [eiser] . Daartegenover staat dat [gedaagde] [eiser] een aantal keren met zijn vuist heeft geslagen, ook tegen zijn hoofd, en ook toen [eiser] op de grond lag hem is blijven slaan en trappen. Uit de getuigenverklaringen van [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 5] volgt dat het ging om harde klappen. [getuige 2] heeft het over excessief geweld tegen [eiser] . Vaststaat dat beide partijen hebben bijgedragen aan het voortduren van het gevecht. Ieder heeft dus een bijdrage gehad aan het ontstaan van de mogelijke schade. De rechtbank acht de rol van [gedaagde] groter dan die van [eiser] aan het ontstaan van de mogelijke schade, omdat [gedaagde] bleef slaan en trappen ook toen [eiser] al op de grond lag. Bovendien was het geweld van [gedaagde] gericht tegen [eiser] in persoon en het geweld van [eiser] gericht tegen de auto van [gedaagde] , en dat eerste weegt zwaarder. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de aan [gedaagde] toe te rekenen omstandigheden voor 75% bijgedragen aan het ontstaan van de gestelde schade. Als een schadevergoeding aan [eiser] wordt toegekend, is er reden om 25% van de schade voor rekening van [eiser] te laten. Er is onvoldoende gebleken van feiten en omstandigheden die tot een andere verdeling van schade op grond van de billijkheidscorrectie moeten leiden.
4.17.
Dat betekent dat voor recht zal worden verklaard dat [gedaagde] voor 75% aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden en nog te lijden materiele en immateriële schade als gevolg van de door hem jegens [eiser] gepleegde onrechtmatige daad op 12 oktober 2020.
4.18.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
137,38
- griffierecht
320,00
- salaris advocaat
1.228,00
(2 punten × € 614,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.863,38
4.19.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.20.
[gedaagde] heeft verzocht een toewijzend vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Nu [gedaagde] niet heeft toegelicht wat zijn belang daarbij is, wordt hieraan voorbij gegaan. De gevorderde verklaring voor recht en de verwijzing naar de schadestaat zijn naar hun aard niet uitvoerbaar bij voorraad, zodat deze niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
verklaart voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor 75% van de door [eiser] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade, als gevolg van de door [gedaagde] jegens [eiser] gepleegde onrechtmatige daad op 12 oktober 2020,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van schadevergoeding aan [eiser] , nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.863,38, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart de veroordelingen onder 5.3 en 5.4 uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Peerdeman en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!