ECLI:NL:RBGEL:2026:1064

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
05/344195-21
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 33 SrArt. 33a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling schuldwitwassen en bezit vuurwapen met munitie tot voorwaardelijke gevangenisstraf

Op 24 december 2021 werd verdachte aangehouden in Barneveld met een pistool van het merk FN, type Baby, geladen met vier kogelpatronen van 6.35 mm, en een contant geldbedrag van €10.000,- in zijn auto. De rechtbank oordeelde dat verdachte het vuurwapen en de munitie in zijn beschikkingsmacht had en dat het geldbedrag redelijkerwijs afkomstig moest zijn uit een misdrijf, gelet op de omstandigheden en het ontbreken van een geloofwaardige verklaring.

Verdachte had zich bij verhoor beroepen op zijn zwijgrecht en pas later een verklaring gegeven over een lening, die door nader financieel onderzoek niet aannemelijk werd geacht. De rechtbank achtte het witwassen van het geldbedrag en het bezit van het vuurwapen wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de maatschappelijke risico’s van vuurwapenbezit en het feit dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten was veroordeeld, maar wel een eerdere onherroepelijke veroordeling had. Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn werd een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden opgelegd met een proeftijd van 2 jaar.

Daarnaast werd het vuurwapen met munitie onttrokken aan het verkeer en het geldbedrag van €10.000,- verbeurd verklaard. Een kleiner bedrag van €79,10,- dat bij verdachte werd aangetroffen, werd teruggegeven. Het vonnis werd uitgesproken door de meervoudige kamer van de Rechtbank Gelderland op 12 januari 2026.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden voor schuldwitwassen en het bezit van een vuurwapen met munitie.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05.344195.21
Datum uitspraak : 12 januari 2026
Verstek
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1990 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen
aan de [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 24 december 2021, te Barneveld, in elk geval in Nederland,
voorwerpen, te weten een geldbedrag van (in totaal ongeveer) €10000, in elk geval
enig goed voorhanden heeft gehad terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs
moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig
was uit enig (eigen) misdrijf;
2.
hij op of omstreeks 24 december 2021 te Barneveld, in elk geval in Nederland
een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te
weten een pistool, van het merk FN, type Baby zijnde een vuurwapen in de vorm
van een geweer, revolver en/of pistool en/of
munitie van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten 4,
althans een of meer kogelpatro(o)n(en), kaliber 6.35mm, voorhanden heeft gehad.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 1 en feit 2.
Beoordeling door de rechtbank
Feit 2
Op 24 december 2021 hield de politie in Barnveld ter controle een voertuig staande. De bestuurder van het voertuig bleek verdachte te zijn. Verdachte stapte uit zijn auto richting het dienstvoertuig van de verbalisanten toen verbalisant zag dat verdachte een voorwerp uit zijn zak haalde, in de berm gooide en erop stampte. [2] Verbalisant zag hierna dat het voorwerp dat verdachte in de berm had gegooid een vuurwapen betrof. [3]
Het vuurwapen is onderzocht en bleek een pistool van het merk FN, type Baby te zijn van het kaliber 6.35 mm. Verbalisant heeft 2 proefschoten afgevuurd met het pistool met patronen van het kaliber 6.35, waaruit bleek dat het pistool geen storingen gaf tijdens de schotsessie en geschikt was om projectielen af te schieten door een loop en waarvan de werking berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing of andere scheikundige reactie. Derhalve is dit pistool een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder Pro 3 in verband met artikel 2, lid 1 categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie.
Bij het pistool zat ook een patroonmagazijn dat in het pistool paste waarin 4 kogelpatronen van het kaliber 6.35mm zaten. De kogelpatronen waren geschikt om met het betreffende vuurwapen te worden verschoten. Deze patronen betreffen munitie in de zin van artikel 1 onder Pro 4 in verband met artikel 2, lid 2 categorie III van de Wet Wapens en Munitie. [4]
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte het vuurwapen en munitie in zijn zak had zitten waarna hij het op de grond gooide. De rechtbank is van oordeel dat hieruit volgt dat verdachte het wapen en de munitie in zijn beschikkingsmacht heeft gehad en dat hij het daarmee voorhanden heeft gehad. Er is daarmee wettig en overtuigend bewijs voor het onder 2 tenlastegelegde.
Feit 1
Na zijn aanhouding werd in het dashboardkastje van de auto van verdachte een witte envelop met 2 bundels van biljetten van € 50 aangetroffen. Het bleek in totaal om een bedrag van €10.000,- te gaan. [5] De vraag die voorligt is of verdachte het genoemde geldbedrag heeft witgewassen.
Er is geen direct bewijs dat het geldbedrag dat verdachte onder zich had van een misdrijf afkomstig is. In dat geval kan er toch sprake zijn van witwassen als het op grond van de feiten en omstandigheden niet anders kan dan dat het geld uit misdrijf afkomstig is. Daarbij hanteert de rechtbank het in de rechtspraak ontwikkelde beoordelingskader.
De wijze waarop het geld werd aangetroffen – een aanzienlijk contant bedrag, verpakt in bundels van gelijke coupures en verborgen in het dashboardkastje van een auto – levert, bezien in samenhang met de overige omstandigheden van het geval, een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen op. Dat brengt mee dat van verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de legale herkomst van het geld.
Verdachte heeft zich bij de politieverhoren beroepen op zijn zwijgrecht en geen verklaring afgelegd over zijn inkomsten of de herkomst van het geld. [6] Pas op 10 maart 2022 is namens verdachte in reactie op de 30 dagen brief verklaard dat het bedrag van €10.000,- afkomstig zou zijn uit een geldlening van €48.000,- die verdachte in april 2018 van ING Bank had ontvangen. [7] Naar aanleiding van deze verklaring is nader onderzoek ingesteld naar de financiële situatie van verdachte met een analyse van bank- en belastinggegevens op zijn naam over de periode van 1 april 2018 tot en met 24 december 2021. [8]
Uit dit onderzoek volgt dat op 12 april 2018 een bedrag van €48.000,- op rekeningnummer [rekeningnummer] op naam van verdachte is bijgeschreven, afkomstig van een lening van de ING bank. Daaropvolgend werd op 16 april 2018 €10.000,- contant opgenomen van de rekening. [9]
Echter blijkt uit het nadere onderzoek ook, dat verdachte in 2019 meerdere nieuwe leningen is aangegaan, waaronder een bedrag van €2.000 euro dat werd bijgeschreven met als omschrijving ‘lening’ en ook op 28 oktober 2019 werd er een bedrag van €1.200,- bijgeschreven met omschrijving ‘lening voor je huur Arnhem’ en daarop ook aflossingen heeft verricht, terwijl uit de onderzochte bankgegevens volgt dat verdachte van 2018 tot en met 2021 slechts 1 keer salaris ontving [10] en de saldi op zijn bankrekeningen vrijwel nihil waren. [11] Verdachte heeft hiervoor geen verklaring gegeven. Ook bleek uit de bankanalyse dat het totaal aan contante stortingen in de onderzochte periode hoger was dan het totaal aan contante opnames.
Indien, zoals verdachte stelt, het inbeslaggenomen bedrag van €10.000,- in 2018 contant is opgenomen en niet opnieuw is gestort, betekent dit dat per saldo een aanvullend bedrag aan contant geld is gestort waarvan de herkomst onverklaard is gebleven.
De rechtbank acht het onaannemelijk dat verdachte een rentedragende lening in 2018 zou hebben afgesloten en daarvan een aanzienlijk bedrag gedurende meerdere jaren contant zou hebben bewaard, terwijl hij daarna nieuwe leningen aanging. Zonder nadere onderbouwing is deze gang van zaken niet logisch en niet controleerbaar.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de door verdachte gegeven verklaring niet kan worden aangemerkt als concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring voor de herkomst van het aangetroffen geld. Nu verdachte bovendien geen inzicht heeft gegeven in zijn inkomsten en de financiële gegevens wijzen op onverklaarbare geldstromen, concludeert de rechtbank dat het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het bedrag van €10.000,- afkomstig is uit enig misdrijf en dat verdachte dit redelijkerwijs had moeten vermoeden. De rechtbank acht het ten laste gelegde witwassen dan ook wettig en overtuigend bewezen.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het feit 1 en feit 2 van het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op
of omstreeks24 december 2021, te Barneveld,
in elk geval in Nederland,
voorwerpen, te weten een geldbedrag van (in totaal ongeveer) €10000,
in elk gevalenig goedvoorhanden heeft gehad terwijl hij, verdachte, redelijkerwijs
moest vermoeden dat dat
/dievoorwerp
(en)- onmiddellijk of middellijk - afkomstig
was uit enig (eigen) misdrijf;
2.
hij op
of omstreeks24 december 2021 te Barneveld,
in elk geval in Nederlandeen wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te
weten een pistool, van het merk FN, type Baby zijnde een vuurwapen in de vorm
van een
geweer, revolver en/ofpistool en
/ofmunitie van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten 4,
althans een of meerkogelpatro
(o)n(en), kaliber 6.35mm, voorhanden heeft gehad.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
schuldwitwassen
feit 2:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie,
meermalen gepleegd
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en munitie

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstaf van 8 maanden met aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft hierbij rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag tot een totaal van €10.000,-. Witwassen is een ernstig strafbaar feit. Het vormt een aantasting van de legale economie en schaadt de integriteit van het financiële handelsverkeer en het vertrouwen dat daarin moet kunnen worden gesteld. Daarnaast draagt het bij aan de instandhouding van criminaliteit. Het leidt er immers toe dat het uit misdrijf verkregen geld een schijnbaar legale herkomst krijgt en het wordt aan het zicht van justitie onttrokken. De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk.
Daarnaast heeft verdachte ook een pistool geladen met 4 stuks bijpassende munitie voorhanden gehad. Het voorhanden hebben van vuurwapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee en het ongecontroleerde bezit ervan leidt tot gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Dat die risico’s zich realiseren blijkt uit de veelheid van geweldsincidenten waarbij vuurwapens worden gebruikt en (dodelijke) slachtoffers vallen.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft in aanmerking genomen het uittreksel justitiële documentatie van 3 november 2025, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Bij arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is verdachte op 24 januari 2022 onherroepelijk veroordeeld op grond van de Opiumwet en diefstal, waardoor artikel 63 Sr Pro van toepassing is.
De straf
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar de oriëntatiepunten voor de strafoplegging van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Het uitgangspunt voor het bezit van een pistool in de openbare ruimte is een gevangenisstraf van 8 maanden. Voor 1-50 patronen munitie is dit een geldboete van €150 tot €350,-.
Gelet op deze oriëntatiepunten en de ernst van de feiten is in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. De rechtbank houdt echter rekening met strafmatigende omstandigheden. In het bijzonder weegt mee dat artikel 63 Sr Pro van toepassing is en dat verdachte sinds onderhavige feiten zijn gepleegd niet opnieuw met politie of justitie in aanraking is gekomen. Onder deze omstandigheden zou een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden passend zijn.
Daarnaast is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM in aanzienlijke mate overschreden. Verdachte is op 24 december 2021 aangehouden en op die datum voor het eerst gehoord. Vanaf dat moment is de redelijke termijn aangevangen. Als uitgangspunt geldt dat een strafzaak in eerste aanleg binnen twee jaar na aanvang van die termijn behoort te zijn afgerond met een eindvonnis. De uitspraak in deze zaak volgt eerst op 12 januari 2026, wat betekent dat de redelijke termijn met ruim twee jaar is overschreden.
De rechtbank betrekt de overschrijding van de redelijke termijn bij de strafoplegging en verdisconteert deze in de hoogte en modaliteit van de op te leggen straf. Gelet op de omvang van de overschrijding is het niet langer aangewezen een onvoorwaardelijke straf op te leggen. Alles afwegende wordt aan verdachte opgelegd een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met aftrek van voorarrest en een proeftijd van 2 jaar.

8.De beoordeling van het beslag

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het inbeslaggenomen vuurwapen met munitie kan worden verbeurdverklaard, net als de €10.000,- contant geld. De €70,10,- die verdachte bij zich had tijdens zijn aanhouding mag worden teruggegeven aan verdachte.
De beoordeling door de rechtbank
Verdachte is op 24 december 2021 aangehouden door de politie. Verdachte had op dat moment een vuurwapen met bijbehorende munitie bij zich, welke in beslag is genomen voor onderzoek.
De rechtbank zal beslissen dat deze voorwerpen (goednummer PL0600-2021598788-G2658373) met betrekking tot welke feit 2 is begaan, worden onttrokken aan het verkeer omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.
De rechtbank zal verder gelasten dat de inbeslaggenomen €10.000,- (goednummer PL0600-2021598825-G2658292) zal worden verbeurd verklaard, nu met betrekking tot dit goed feit 1 is begaan.
Verder werd er onder verdachte ook €79,10,- aangetroffen (proces-verbaal van bevindingen, p. 21, PL0600-2021598788-4). Indien hier nog beslag op rust, zal de rechtbank de teruggave van dit bedrag aan verdachte gelasten omdat geen strafvorderlijk belang zich daartegen verzet.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen:
- 14 a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36c, 57, 63 en 420quater van het Wetboek van Strafrecht;
- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 maanden;
 bepaalt dat deze gevangenisstraf van 4 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 beveelt de onttrekking aan het verkeer van het vuurwapen met munitie (goednummer PL0600-2021598788-G2658373);
 verklaart verbeurd de €10.000,- (goednummer PL0600-2021598788-G2658373);
 gelast de teruggave van de €79,10,- aan verdachte indien hier beslag op rust.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.J.M. Doon (voorzitter), mr. M.G.E. ter Hart en mr. J. Wiersma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.D. van Egdom, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 januari 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2021598851, gesloten op 28 januari 2022 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 21.
3.Het proces-verbaal van bevindingen met bijlagen, p. 51 en 54 t/m 57.
4.Het proces-verbaal van onderzoek wapen, p. 63.
5.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 26.
6.De processen-verbaal van verhoor verdachte, p. 104-108 en p. 110-114.
7.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 138 met bijlagen p. 140-161.
8.Het aanvullend proces-verbaal iCOV-rapportage, p. 15.
9.Het aanvullend proces-verbaal iCOV-rapportage, p. 15.
10.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 150
11.Het aanvullend proces-verbaal iCOV-rapportage, p. 16.