ECLI:NL:RBGEL:2026:1101

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
12026944
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:629 lid 1 BWArt. 7:625 BWArt. 6:119 BWArt. 3:44 lid 3 BWArt. 3:44 lid 4 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verplichting werkgever tot volledige loondoorbetaling bij ziekte ondanks bedrijfsreglementwijziging

De werknemer trad in 2021 in dienst bij Polymount en was sinds zijn indiensttreding volledig doorbetaald bij ziekte. In december 2024 tekende hij een nieuw bedrijfsreglement waarin een loondoorbetaling van 70% na zes weken ziekte werd vermeld. De werknemer werd in mei 2025 ziek en Polymount verlaagde vanaf september 2025 het loon naar 70%.

De werknemer stelde dat de wijziging van de arbeidsvoorwaarden eenzijdig en zonder instemming was doorgevoerd en dat hij recht had op 100% loondoorbetaling op grond van een verworven recht door gedragslijn. Hij vorderde betaling van achterstallig loon en toekomstige salarissen conform de oude regeling.

De kantonrechter oordeelde dat de gedragslijn een arbeidsvoorwaarde had doen ontstaan die recht gaf op volledige loondoorbetaling bij ziekte. Het bedrijfsreglement kon deze arbeidsvoorwaarde niet eenzijdig wijzigen. Polymount werd veroordeeld tot betaling van het achterstallige loon, het salaris vanaf januari 2026 inclusief inflatiecorrectie, wettelijke verhoging en rente, en buitengerechtelijke kosten. De vordering tot dwangsom werd afgewezen.

Uitkomst: Polymount is gehouden het volledige loon van de werknemer bij arbeidsongeschiktheid door te betalen en moet achterstallig loon, salaris vanaf januari 2026, wettelijke verhoging, rente en buitengerechtelijke kosten betalen.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 12026944 \ VV EXPL 25-219
Vonnis in kort geding van 13 februari 2026
in de zaak van
[naam eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. A.F. Inden-van Dijck,
tegen
POLYMOUNT SLEEVES B.V.,
te Nijkerk,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Polymount ,
gemachtigde: mr. M. Jansen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 22 januari 2026 met producties 1 tot en met 17;
- de aanvullende producties 18 tot en met 20 van [eiser] ;
- de producties 1 tot en met 14 van Polymount.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgehad op 30 januari 2026, waarbij door de gemachtigden van partijen pleitnotities zijn overgelegd.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] treedt op 16 april 2007 in dienst bij Polymount International B.V. (hierna: Polymount International) en werkt daar tot 1 maart 2018. [eiser] is vervolgens mee overgegaan naar Tesa SE die Polymount International heeft overgenomen.
2.2.
Op 1 april 2021 komt [eiser] in dienst bij Polymount. In de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen:
“3 Functie:
technisch en kwaliteits manager van de Polymount Sleeve plus Sleeve coaching, in deze functie ben je onderdeel van het management team van Polymount Sleeves BV, verantwoordelijk voor de kwaliteit, assembleren, demonstreren van de Polymount Sleeve cleaner. (...)
5 De werkzaamheden worden verricht in een kader van een 40--urige werkweek.
6 Beloning:
De werknemer ontvangt een salaris van 7500 € bruto per maand jaarlijks geïndexeerd naar inflatie, telefoonkostenvergoeding, en een auto van de zaak (…)
7 Bonusplan
bonusplan van 5% berekend over de jaarwinst (EBIT) van Polymount Sleeves BV, waarbij in de bepaling van de hoogte van de EBIT wordt uitgegaan van een bestendige gedragslijn. (...) Bonusplan van 5% geldt alleen bij fulltime werkzaam dienstverband, bij parttime werkzaam naar ratio. (...))
2.3.
Op 3 december 2024 heeft [eiser] zijn handtekening gezet onder een nieuw bedrijfsreglement. Hierin staat over ziekte het volgende:
“In Nederland heeft een werkgever de verplichting om het loon van een werknemer door te betalen bij ziekte, maar er zijn wel voorwaarden en beperkingen. Volgens de Ziektewet (ZW) en de Wet verhoging loondoorbetalingsplicht bij ziekte geldt het volgende:
Eerste twee jaar ziekte: Een werkgever is verplicht om het loon van een zieke werknemer door te betalen gedurende de eerste twee ziektejaren. Gedurende deze periode moet de werkgever minimaal 70% van het loon doorbetalen, maar in sommige gevallen kan het loon hoger zijn, afhankelijk van de cao of arbeidsovereenkomst.
Loonsverlaging na zes weken: Na de eerste zes weken ziekte geldt er geen verplichte loonsverhoging of verlaging, maar na deze periode kan het loon door de werkgever verlaagd worden naar 70% van het salaris (tenzij er een andere afspraak in de cao of arbeidsovereenkomst staat).
Maximumbedrag: Er is wel een maximumbedrag aan loondoorbetaling, dat het maximumdagloon van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) betreft. Het kan zijn dat de 70% loondoorbetaling lager uitvalt dan het oorspronkelijke salaris, afhankelijk van de hoogte van het loon.”
2.4.
Op 26 mei 2025 meldt [eiser] zich ziek. Per 1 september 2025 is hij hersteld, maar op 10 september 2025 is hij opnieuw uitgevallen (samengesteld verzuim). [eiser] is tot op heden volledig arbeidsongeschikt.
2.5.
Op 18 november 2025 vindt een gesprek met de arts [bedrijfsarts] , werkend onder supervisie van bedrijfsarts [bedrijfsarts 2] , (hierna: bedrijfsarts) plaats. In de periodieke evaluatie van de bedrijfsarts van diezelfde datum wordt onder meer het volgende opgenomen:
“Meneer [eiser] is ten gevolge van energetische beperkingen beperkt in prikkel verwerking, en verdelen van de aandacht, in omgang met taken met druk/deadlines/eindverantwoordelijkheid, in hanteren van emotionele problemen van anderen, in uiten van eigen gevoelens en in omgang met conflicten. De beperkingen zijn toegenomen. Er is behandeling gaande. Ik vraag medische informatie op om meer inzicht te krijgen in de medische situatie en de verwachtingen van verder herstel. (...)
Op dit moment zijn er geen mogelijkheden voor werkhervatting. Er is meer herstel nodig. Tevens spelen er werkgerelateerde knelpunten welke herstel en reintegratie belemmeren waarvoor een oplossing moet worden gevonden. Ik begrijp dat dit tot op heden nog niet gelukt is. Ik adviseer om een erkende mediator in te schakelen om jullie hierin te ondersteunen. Er wordt een offerte naar u als werkgever gestuurd.”
2.6.
Polymount betaalt in mei, juni, september en oktober 2025 het volledige salaris van [eiser] van € 9.076,44 bruto. Polymount betaalt in juli 2025 een bedrag van € 8.484,50 bruto, in augustus een bedrag van € 7.488,06 bruto, in november een bedrag van 6.353,51 bruto en in december een bedrag van € 6.997,23 bruto aan [eiser] .
2.7.
In de periode van 24 september 2025 tot en met 20 oktober 2025 sturen de gemachtigden van partijen diverse e-mailberichten naar elkaar over onder meer de loondoorbetaling bij ziekte. In het e-mailbericht van 24 september 2025 van de gemachtigde van Polymount aan de gemachtigde van [eiser] staat onder meer het volgende:
“Voor wat betreft de gewijzigde regeling binnen de organisatie cliënte met betrekking tot de hoogte van het loon tijdens ziekte geldt, anders dan u stelt, dat [eiser] daar wel degelijk over is geïnformeerd. De wijziging was/is voor cliënte noodzakelijk om kosten te besparen. Alle andere werknemers van cliënte hebben hier ook mee ingestemd en de regel is inmiddels organisatie breed doorgevoerd. Er is overigens geen sprake van een eenzijdige wijziging, aangezien [eiser] met deze regeling heeft ingestemd, zo bevestigt u ook in uw onderstaande e-mail. Dat hij thans kennelijk op zijn instemming terug wil komen, maakt dat niet anders. Het enkele feit dat sprake is van een verslechtering maakt bovendien nog niet dat [eiser] zijn gegeven instemming met succes kan vernietigen.”
In reactie hierop stuurt de gemachtigde van [eiser] op 16 oktober 2025 een e-mailbericht naar de gemachtigde van Polymount. Daarin staat onder meer het volgende:
“Het feit dat uw cliënte stelt kosten te moeten besparen, vormt onvoldoende rechtvaardiging voor het wijzigen van arbeidsvoorwaarden. Daarbij geldt temeer dat deze arbeidsvoorwaarden, de hoogte van de doorbetaling bij ziekte, een zeer essentiële arbeidsvoorwaarde is. (…) Dat andere werknemers ingestemd zouden hebben met de wijziging, is niet relevant. Dat de regeling inmiddels organisatie breed is doorgevoerd, evenmin.
Er is geen sprake van instemming van een wijziging. [eiser] was niet op de hoogte van deze wijziging op het moment dat hij het document tekende. Hem is het document onder de neus geschoven, waarbij hem werd verzekerd dat er geen wijzigingen zouden zijn. Het was alleen een formaliteit. Vanwege de ISO-certificering, diende alles goed gedocumenteerd worden.
Bij e-mail van 24 september jl. heb ik namens [eiser] zijn een buitengerechtelijk vernietigingsverklaring uitgebracht. Er is immers sprake van een wilsgebrek. Op 24 september jl. heeft deze verklaring u bereikt. De rechtshandeling is op 24 september jl. dus vernietigd.
T.a.v. het wilsgebrek geldt dat [eiser] de wijziging niet getekend had als hij een juiste voorstelling van zaken zou hebben gehad. De dwaling is in dit geval te wijten aan de inlichtingen van uw cliënte. Zij had [eiser] moeten inlichten. Daarnaast is sprake van misbruik van omstandigheden.”
In reactie hierop stuurt de gemachtigde van Polymount op 20 oktober 2025 een e-mailbericht naar de gemachtigde van [eiser] met daarin onder meer het volgende:
“Bij mijn e-mail van 24 september jl. heb ik u het standpunt van cliënte met betrekking tot de regeling loondoorbetaling tijdens ziekte (voor [eiser] ) toegelicht. Uw onderstaande uiteenzetting maakt niet dat cliënte haar standpunt wijzigt. Cliënte zal dan ook geen gehoor geven aan uw sommatie.”
2.8.
Op 17 november 2025 stuurt [medewerker] (hierna: [medewerker] ) van Polymount een brief naar [eiser] met daarin onder meer het volgende:
“Op 10 september 2025 meldde jij je bij ons ziek. Op dit moment ben jij 100% ziek en dat heeft gevolgen voor de hoogte van jouw loon.
Vanaf 10-09-2025 ontvang jij 70% van jouw laatstverdiende loon. Dit betekent dat jij met ingang van 10-09-2025 een bedrag van 6.353,51 euro bruto per maand ontvangt het teveel uitgekeerde loon wordt verrekend met het salaris van november 2025.”
2.9.
Op 20 november 2025 stuurt [medewerker] een e-mailbericht naar [eiser] met daarin onder meer het volgende:
“In navolging van de mail van 17-11-2025 stuurt je hierbij de verrekening van het teveel betaalde salaris september oktober 2025. Het te verrekenen bedrag is 2011,13 euro, in verband met de hoogte van het te verrekenen bedrag, vinden wij het onredelijk om het totaal te verrekenen in november. We zullen daarom dit bedrag over de komende vier maanden verrekenen (…)”
2.10.
Op 5 december 2025 stuurt de gemachtigde van [eiser] een brief naar Polymount, waarin Polymount gesommeerd wordt om uiterlijk op 9 december 2025 het achterstallige loon over de maanden juli, augustus en november 2025 van in totaal € 5.403,25 bruto te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% en de wettelijke rente.
2.11.
In reactie hierop stuurt de gemachtigde van Polymount op 8 december 2025 een e-mailbericht naar de gemachtigde van [eiser] , waarin onder meer wordt aangegeven om geen rechtsmaatregelen te treffen omdat partijen op advies van de bedrijfsarts met een mediationtraject gaan starten.
2.12.
Op 10 december 2025 stuurt [eiser] een e-mailbericht naar de mediator, waarin hij onder meer aangeeft niet (verder) in gesprek te willen gaan en dat hij met Polymount in gesprek gaat over het vervolg.
2.13.
In de periode van 10 december 2025 tot en met 16 december 2025 sturen (de gemachtigden van) Polymount en [eiser] diverse e-mailberichten naar elkaar over onder meer het mediationtraject en het eventueel opleggen van een loonstop door Polymount vanwege niet meewerken van [eiser] aan re-integratieverplichtingen. Uiteindelijk stemt [eiser] in met een andere mediator.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, bij wijze van voorlopige voorziening en zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Polymount veroordeelt:
tot betaling van het achterstallige salaris over de periode 26 mei 2025 tot en met december 2025, zijnde een bedrag van € 7.482,46 bruto, binnen 24 uur te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en de wettelijk rente ex artikel 6:119 BW Pro;
tot betaling van het overeengekomen salaris van € 9.076,44 bruto per maand uiterlijk op de eerste van de maand, te vermeerderen met de inflatiecorrectie op grond van de CPI (CBS) per 1 januari 2026, te weten € 9.375,96 bruto, en jaarlijks toe te passen inflatiecorrectie CPI vanaf 1 januari 2026, te vermeerderen met vakantiegeld en overige emolumenten, tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd,;
tot betaling van de wettelijke verhoging conform artikel 7:625 BW Pro en de wettelijke rente, voor elke dag dat Polymount vanaf 1 januari 2026 te laat is met betaling van het salaris;
om gelijktijdig met de salarisbetaling en dus uiterlijk voor de eerste van de maand deugdelijke bruto-netto-specificaties te verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag, dan wel een gedeelte van de dag dat Polymount hiermee in gebreke blijft;
tot betaling van de buitengerechtelijke kosten conform het Rapport BGK-integraal van tenminste € 875,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment dat het verzuim is ingetreden, althans subsidiair vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
in de proces- en nakosten, alsmede de wettelijke rente over de proceskosten daaronder begrepen, indien deze niet binnen vijf dagen na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis zijn voldaan.
3.2.
[eiser] baseert zijn vorderingen, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, kort en zakelijk weergegeven, op de volgende stellingen.
Volgens [eiser] heeft Polymount in december 2024 de arbeidsvoorwaarden eenzijdig gewijzigd. Zij heeft echter geen zwaarwichtig belang om deze arbeidsvoorwaarden eenzijdig te wijzigen. Dat deze wijziging nodig was om kosten besparen, zoals Polymount aangegeven heeft, biedt volgens [eiser] onvoldoende grond tot het doen van een voorstel tot de verslechtering van de arbeidsvoorwaarden. Bovendien is deze grond pas achteraf en maanden later aangegeven. Oorspronkelijk reden was de ISO-certificering, aldus [eiser] . Voor zover voor zover er wel voldoende grond is, doet [eiser] een beroep op bedrog ex artikel 3:44 lid 3 BW Pro, misbruik van omstandigheden ex artikel 3:44 lid 4 BW Pro en tenslotte op dwaling ex artikel 6:228 BW Pro. Bij e-mailbericht van 24 september 2025 heeft [eiser] zijn instemming met de nieuwe arbeidsvoorwaarden buitengerechtelijk vernietigd op grond van een wilsgebrek. Ook op grond van het nieuwe bedrijfsreglement is Polymount verplicht om 100% van het loon door te betalen tijdens arbeidsongeschiktheid, nu er sprake is van een arbeidsvoorwaarde, althans een verworven recht door een bestendige gedragslijn, aldus [eiser] .
3.3.
Polymount voert gemotiveerd verweer. Op dit verweer zal, voor zover nodig, hierna worden ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het spoedeisend belang van de vordering vloeit voort uit de aard van de vordering en de stellingen van [eiser] . Daarbij heeft verder te gelden dat een loonvordering naar zijn aard een spoedeisend karakter draagt. [eiser] is dan ook ontvankelijk in zijn vorderingen.
4.2.
Vervolgens moet worden beoordeeld of de loonvordering van [eiser] in een eventuele bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat toewijzing gerechtvaardigd is. Gelet op het voorlopige karakter van de kortgedingprocedure past geen uitgebreid onderzoek naar de feiten en is er geen plaats voor nadere bewijsvoering. Er is in dit geval geen reden om van deze regel af te wijken. De kantonrechter baseert de beslissing daarom op feiten die erkend of onweersproken zijn of die voorshands aannemelijk zijn geworden.
Toetsingskader
4.3.
De kantonrechter stelt voorop dat in artikel 7:629 lid 1 BW Pro is bepaald dat een arbeidsongeschikte werknemer in beginsel gedurende maximaal 104 weken recht heeft op doorbetaling van 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon. Dit met dien verstande dat indien het loon meer bedraagt dan het maximale dagloon als bedoeld in artikel 17 lid 1 Wet Pro financiering sociale verzekeringen (hierna: Wfsv), de werknemer geen aanspraak heeft op 70% over meerdere. Van het bepaalde in artikel 7:629 lid 1 BW Pro mag niet ten nadele, maar wel ten voordele van de werknemer worden afgeweken.
Arbeidsvoorwaarde
4.4.
De kantonrechter dient, gelet op de stellingen van [eiser] , derhalve allereerst te beoordelen of de niet contractueel vastgelegde afspraak, om bij arbeidsongeschiktheid 100% van het salaris te betalen, een verkregen recht is en daarmee een arbeidsvoorwaarde is geworden.
4.5.
Een arbeidsvoorwaarde hoeft niet per se bij het sluiten van een arbeidsovereenkomst (schriftelijk) te zijn overeengekomen, maar kan ook als een verworven recht voortvloeien uit de gedragslijn die een werkgever na het sluiten van de arbeidsovereenkomst tegenover de werknemer heeft gevolgd. Het komt naar vaste jurisprudentie (ECLI:NL:HR:2018:976) aan op de zin die partijen aan elkaars gedragingen (en in verband daarmee staande verklaringen) hebben toegekend en in de gegeven omstandigheden daaraan redelijkerwijs mochten toekennen. In dit verband komt betekenis toe aan gezichtspunten als de inhoud van de gedragslijn, de aard van de arbeidsovereenkomst en de positie die de werkgever en de werknemer jegens elkaar innemen, de lengte van de periode gedurende welke de werkgever de desbetreffende gedragslijn heeft gevolgd, hetgeen de werkgever en de werknemer in verband met deze gedragslijn jegens elkaar hebben verklaard of juist niet hebben verklaard, de aard van de voor- en nadelen die voor de werkgever en de werknemer uit de gedragslijn voortvloeien, en de aard en de omvang van de kring van werknemers jegens wie de gedragslijn is gevolgd.
4.6.
De kantonrechter is vooralsnog van oordeel dat sprake is van een gedragslijn, waaruit een arbeidsvoorwaarde is ontstaan. Daarbij neemt de kantonrechter in overweging dat [eiser] op 1 april 2021 in dienst is getreden als technisch en kwaliteitsmanager en dat hij sinds zijn indiensttreding altijd volledig is doorbetaald bij arbeidsongeschiktheid. Dit geldt eveneens voor de overige werknemers van Polymount en volgt ook uit onder meer uit de verklaringen van partijen ter mondelinge behandeling en het feit dat Polymount een andere regeling wilde vastleggen in het bedrijfsreglement. Doorbetalen bij ziekte is voor [eiser] , mede gelet op zijn vaste lasten en nu hij de kostwinner is, belangrijk. Het levert, als hij nog maar 70% van zijn loon zou ontvangen bij arbeidsongeschiktheid, ook een extra stressfactor op en zorgt voor belemmering voor zijn herstel. Polymount heeft dit alles onvoldoende (gemotiveerd) weersproken. [eiser] mocht er, gelet op deze omstandigheden, naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter derhalve op vertrouwen dat hij in het kader van zijn arbeidsovereenkomst bij Polymount recht had op 100% loondoorbetaling bij arbeidsongeschiktheid. Het is daarmee een arbeidsvoorwaarde geworden.
Bedrijfsreglement
4.7.
De kantonrechter komt vervolgens toe aan de vraag of partijen zijn overeengekomen dat [eiser] enkel nog recht heeft op 70% loonbetaling bij arbeidsongeschiktheid. In dat kader wordt allereerst naar (de inhoud van) het betreffende beding bij ziekte in het bedrijfsreglement gekeken. De kantonrechter overweegt hierover als volgt.
4.7.1.
De kantonrechter stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:1981:AG4158) het bij de uitleg van voormeld bedrijfsreglement niet alleen aankomt op een taalkundige uitleg van de bewoordingen daarvan, maar ook op de bedoeling van partijen ten tijde van het aangaan daarvan en op hetgeen zij onder de omstandigheden redelijkerwijs van elkaar konden en mochten verwachten. Daarbij spelen ook de maatstaven van redelijkheid en billijkheid een rol (HR 1 oktober 2004, NJ 2005, 499, TCM/Gesink). Daarbij komt het niet aan op een grammaticale uitleg van de tekst van de betrokken bepaling, maar op het vaststellen van de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen van de overeenkomst, waarbij, naast de taalkundige betekenis, ook acht dient te worden geslagen op de kenbare ratio, strekking en systematiek van de regeling waartoe de bepaling behoort, en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe verschillende, op zichzelf mogelijke, tekstinterpretaties zouden leiden (HR 9 april 2004, JAR 2004, 83 DSM/Fox). Tegen deze achtergrond overweegt de kantonrechter als volgt.
4.7.2.
De kantonrechter stelt vast dat gesteld noch gebleken is dat partijen het inhoudelijk over het voormelde beding hebben gehad. Dit volgt ook niet uit het door Polymount overgelegde formulier functioneringsgesprek van 28 november 2024. Op het formulier is enkel aangegeven dat het bedrijfsreglement nog getekend moet worden. Ter mondelinge behandeling is ook door Polymount aangegeven dat bij het functioneringsgesprek enkel is gevraagd of de medewerkers het bedrijfsreglement hebben gelezen en daarbij is het beding verder inhoudelijk niet besproken. Gelet op de betekenis van het beding in het bedrijfsreglement (ziekte), dient daarom voor de uitleg ervan aansluiting te worden gezocht bij de objectieve taalkundige betekenis van de bewoordingen van dat beding, dat op initiatief en in de bewoordingen van Polymount in het bedrijfsreglement is opgenomen (zie randnummer 2.3).
Naar het oordeel van de kantonrechter wordt in het bedrijfsreglement bij het eerste lid bij het kopje ziekte het wettelijke kader geschetst. Vervolgens wordt in het tweede lid aangegeven dat er na de eerste zes weken geen verplichte loonsverhoging of verlaging geldt, maar dat na deze periode het loon door de werkgever verlaagd kan worden naar 70% van het salaris, tenzij er een andere afspraak in de cao of arbeidsovereenkomst staat. De kantonrechter stelt, zoals hiervoor reeds is overwogen, vast dat er op de arbeidsovereenkomst van [eiser] een afwijkende arbeidsvoorwaarde van toepassing is bij arbeidsongeschiktheid. Dit betekent dat, als aansluiting wordt gezocht bij de objectieve taalkundige betekenis van de bewoordingen van het beding, [eiser] vooralsnog ook bij toepassing van het voormelde tweede lid bij ziekte in het bedrijfsreglement aanspraak kan maken op 100% loondoorbetaling bij arbeidsongeschiktheid. Immers, in het tweede lid is enkel bepaald dat het loon door de werkgever verlaagd kan worden naar 70% als er tussen partijen geen andere afspraak is gemaakt. Dat er in het reglement is opgenomen dat het in de arbeidsovereenkomst moet
staanimpliceert naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet dat daarmee is bedoeld dat het schriftelijk daarin is opgenomen. In het voorgaande lid staat immers een soortgelijke afwijking, maar daarin staat slechts dat het loon hoger kan zijn,
afhankelijk van de arbeidsovereenkomst. Dat verhoudt zich niet tot een strikte lezing op grond waarvan het schriftelijk moet zijn opgenomen in de arbeidsovereenkomst. Daarenboven is – zoals hiervoor reeds is overwogen – de 100% loondoorbetaling bij zieke een arbeidsvoorwaarde en kan de werkgever het loon tijdens arbeidsongeschiktheid naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet zomaar verlagen. Ook niet op basis van het bedrijfsreglement. Polymount is daarom gehouden het loon van [eiser] voor 100% door te betalen bij arbeidsongeschiktheid. Daarbij merkt de kantonrechter ten overvloede op dat de bepalingen bij ziekte in het bedrijfsreglement ook aan duidelijkheid te wensen overlaten. Dit volgt ook uit het feit dat Polymount ter mondelinge behandeling heeft verklaard dat andere werknemers verrast waren toen 30% van hun loon wegens arbeidsongeschiktheid werd ingehouden, maar dat die medewerkers zich daarbij hebben neergelegd. Ook wordt geen gebruik gemaakt van de maximering op het maximum dagloon van lid 3. In het geval van onduidelijkheid over de uitleg van een bepaling in het bedrijfsreglement geldt dat deze onduidelijkheid volgens de contra-proferentem-regel voor rekening en risico van Polymount dient te komen.
4.8.
De vraag of [eiser] door ondertekening van het bedrijfsreglement akkoord is gegaan met de nieuwe arbeidsvoorwaarde, wat [eiser] overigens gemotiveerd heeft betwist, kan, gelet op het al voorgaande, in het midden blijven. Het leidt immers niet tot een ander oordeel.
4.9.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat voldoende aannemelijk is dat Polymount gehouden is het volledige loon van [eiser] bij arbeidsongeschiktheid te voldoen. Nu tussen partijen niet in geschil is dat Polymount in de periode van mei 2025 tot en met december 2025 een bedrag van € 7.482,46 bruto aan loon niet heeft uitbetaald, wijst de kantonrechter dit bedrag toe. Dit geldt eveneens voor het loon vanaf 1 januari 2026, waarbij de kantonrechter - nu dit niet gemotiveerd door Polymount is weersproken - uitgaat van een bedrag van € 9.375,96 bruto (inclusief de per 1 januari 2026 verschuldigde inflatiecorrectie op grond van CPI van 3,3%). De kantonrechter begrijpt dat [eiser] daarnaast ook de eerstvolgende jaarlijkse inflatiecorrectie vordert. Ook dit deel van de vordering wordt, gelet op al het voorgaande en de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst, toegewezen.
Wettelijke verhoging en wettelijke rente
4.10.
[eiser] vordert, krachtens het bepaalde in artikel 7:625 BW Pro, de wettelijke verhoging over het achterstallige salaris. Polymount betwist dat zij de wettelijke verhoging verschuldigd is, omdat zij te goeder trouw heeft gehandeld door uitvoering te geven aan het bedrijfsreglement. De kantonrechter zal de gevorderde wettelijke verhoging toewijzen, nu de niet volledige en tijdige voldoening van het loon tijdens ziekte aan Polymount moet worden toegerekend. Wel ziet de kantonrechter aanleiding, gezien de omstandigheden van het geval, de wettelijke verhoging te beperken tot 10%. De vordering van [eiser] tot betaling van de wettelijke verhoging over de toekomstige loontermijnen wordt afgewezen, omdat Polymount (nog) niet in verzuim is en die loontermijnen (nog) niet opeisbaar zijn. Dat geldt eveneens voor de gevorderde wettelijke rente over de toekomstige loontermijnen.
4.11.
In artikel 6:119 BW Pro is bepaald dat wettelijke rente als schadevergoeding wegens vertraging in de voldoening van een geldsom verschuldigd is over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening van die geldsom in verzuim is geweest. De kantonrechter wijst de wettelijke rente daarom toe vanaf de respectieve vervaldata van het verschuldigde loon en de wettelijke verhoging tot aan de dag der algehele voldoening.
4.12.
De kantonrechter stelt dat de termijn van 24 uur, waarbinnen Polymount het achterstallige loon, de wettelijke verhoging en de wettelijke rente dient te betalen, begint te lopen na de betekening van dit vonnis.
Dwangsom
4.13.
Polymount heeft ter mondelinge behandeling toegezegd dat zij op basis van het oordeel van de kantonrechter de correcte bruto-netto-specificaties aan [eiser] zal verstrekken. Daarom ziet de kantonrechter geen aanleiding om de gevorderde dwangsom toe te wijzen. Dit deel van de vordering wordt daarom afgewezen.
Buitengerechtelijke kosten
4.14.
[eiser] heeft voorts vergoeding van de buitengerechtelijke kosten gevorderd. Aan de wettelijke eisen voor vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. De hoogte van het toegewezen deel de vordering zal worden getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Hoewel niet direct van toepassing, geldt dat deze tarieven geacht worden redelijk te zijn. De kantonrechter wijst, gelet op al het voorgaande en het toegewezen deel van de vordering, een bedrag van € 786,54 aan buitengerechtelijke kosten toe. Omdat [eiser] niet heeft gesteld dat de schade (de buitengerechtelijke incassokosten) al eerder dan op de datum van de dagvaarding is geleden, zal de gevorderde rente worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding.
4.15.
De door partijen aangevoerde argumenten die in het voorgaande niet aan de orde zijn gekomen, behoeven geen bespreking, nu deze, in het licht van hetgeen is overwogen, niet tot een ander oordeel kunnen leiden.
4.16.
Polymount wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
151,94
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
814,00
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.357,94
4.17.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeeltPolymount om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis aan [eiser] te betalen het achterstallige salaris over de periode 26 mei 2025 tot en met december 2025 van in totaal € 7.482,46 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 10% en te vermeerderen met de wettelijke rente over het loon en de wettelijke verhoging vanaf de respectieve vervaldata tot aan de dag van volledige voldoening,
5.2.
veroordeeltPolymount tot betaling van het salaris per 1 januari 2026 van € 9.375,96 bruto per maand (inclusief de per 1 januari 2026 verschuldigde inflatiecorrectie op grond van CPI van 3,3%), te vermeerderen met vakantiegeld, emolumenten en de na 1 januari 2026 jaarlijks toe te passen inflatiecorrectie CPI tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd,
5.3.
veroordeeltPolymount om deugdelijke bruto-netto-specificaties te verstrekken van hetgeen ingevolge r.ov. 5.1. en 5.2. verschuldigd is en daarna gelijktijdig met de salarisbetalingen, en dus uiterlijk voor de eerste van iedere maand, een deugdelijke bruto-netto-specificatie te verstrekken,
5.4.
veroordeeltPolymount om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 786,54 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling,
5.5.
veroordeeltPolymount in de proceskosten van € 1.206,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Polymount niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
veroordeeltPolymount tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.7.
verklaartdit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijsthet meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W. van der Boon en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026.
53854\415