AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging ontruimingsbevel gekraakte panden met voorrang eigendomsrecht boven huisrecht krakers
De rechtbank Gelderland behandelde het hoger beroep tegen een beschikking van de rechter-commissaris die op grond van artikel 551a Sv een bevel tot ontruiming van gekraakte panden aan de [adres] in Oosterbeek had verleend. De eigenaar, [bedrijf], wil op de locatie woningbouw realiseren en heeft een spoedeisend belang bij ontruiming vanwege sloop en bodemonderzoek.
De krakers verblijven zonder toestemming in de panden en beroepen zich op hun huisrecht op grond van artikel 8 EVRMPro. De rechtbank weegt het eigendomsrecht en het spoedeisend belang van de eigenaar af tegen het huisrecht van de krakers. De rechtbank oordeelt dat het belang van de eigenaar prevaleert, mede omdat de krakers geen uitzonderlijke omstandigheden aannemelijk hebben gemaakt.
De procedure is kort en biedt beperkte waarborgen voor de krakers, wat vragen oproept over de fair trial en equality of arms, maar dit is door de wetgever zo beoogd om snelle ontruiming mogelijk te maken. De rechtbank stelt de ontruimingsdatum voor gebouw H21 uit tot 17 februari 2026, maar bevestigt het bevel verder. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bevel tot ontruiming van de gekraakte panden wordt bevestigd met uitstel van ontruiming gebouw H21 tot 17 februari 2026.
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
raadkamernummer : 26-003298
datum : 6 februari 2026
beslissing van de meervoudige raadkamer op het hoger beroep op grond van artikel 551a Wetboek van Strafvordering van:
[appellant] ,
geboren op [geboortedatum] 1995,
verblijvende in [adres] te Oosterbeek ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. [naam] advocaat te Arnhem, ( [adres]
),
hierna ook te noemen: appellant
Onderhavige zaak is behandeld tegelijk met de zaak van [naam] en [naam] () 26/003305), bijgestaan door mr. [naam] . De overwegingen van de rechtbank zijn in beide zaken identiek.
1.Procedure
1.1
De rechter-commissaris heeft op 2 februari 2026 beslist op de vordering van de officier van justitie tot machtiging tot het afgeven van een bevel tot het verwijderen van personen en goederen ex artikel 551a Sv (hierna: het bevel tot ontruiming) en heeft die vordering toegewezen. Deze beslissing is aangehecht.
1.2
Door appellant is op 3 februari 2026 hoger beroep ingesteld tegen deze beslissing.
1.3
De rechtbank heeft het hoger beroep op 6 februari 2026 in besloten raadkamer behandeld, waarbij appellant, zijn raadsman mr. [naam] en de officier van justitie, mr. J.R. Osinga zijn gehoord. De officier van justitie en de raadsman hebben voorafgaande aan de zitting aanvullende stukken toegestuurd. De rechtbank heeft aansluitend mondeling uitspraak gedaan. Dit is de schriftelijke weergave daarvan.
2.De feitelijke gang van zaken
2.1
[bedrijf] is eigenaresse van de onroerende zaken op De Hes West, [adres] Oosterbeek , kadastraal bekend Gemeente Oosterbeek, sectie D, nummers 5565, 8926, 8961 en 9941. Zij is voornemens op deze locatie woningbouw te realiseren. Daartoe zullen de bestaande bedrijfsgebouwen, die al enige tijd niet meer als zodanig in gebruik zijn, moeten worden gesloopt. Aanvullend dient uitgebreid bodemonderzoek plaats te vinden naar onder meer:
- niet ontplofte explosieven in verband met de hevige gevechtshandelingen in deze buurt in september 1944;
- archeologische artefacten en restanten;
- asbest.
2.2
Enkele gebouwen op deze locatie zijn gekraakt. Het gaat om de navolgende gebouwen:
1. Gebouw H40, in gebruik bij [naam] ;
2. Gebouw H31, in gebruik bij [naam] ;
3. Gebouw H21, in gebruik bij [appellant] ;
4. Gebouw H34, in gebruik bij [naam] .
2.3
De officier van justitie heeft ingevolge artikel 551a van het Wetboek van Strafvordering de rechter-commissaris verzocht hem te machtigen om een bevel te geven tot het verwijderen van alle personen die wederrechtelijk vertoeven op bovengenoemde locatie alsmede de voorwerpen die daar worden aangetroffen.
2.4
De rechter-commissaris heeft betrokkenen, bijgestaan door hun advocaten, op 30 januari 2026 gehoord. Bij beslissing van 2 februari 2026 heeft de rechter-commissaris de vordering toegewezen en beslist dat het bevel verwijdering personen en goederen niet eerder kan worden gegeven dan:
- voor gebouw H34 op 5 februari 2026 om 12.00 uur;
- voor gebouw H21 op 9 februari 2026 om 12.00 uur, en
- voor gebouwen H31 en H40 op 17 februari 2026 om 12.00 uur.
3.Het hoger beroep
3.1
Appellant verzoekt de beschikking van de rechter-commissaris te vernietigen en de vordering tot machtiging alsnog af te wijzen.
3.2
De officier van justitie heeft verzocht het hoger beroep af te wijzen.
4.Beoordeling
4.1
De raadkamer moet beoordelen of de rechter-commissaris de officier van justitie terecht heeft gemachtigd om het bevel tot ontruiming te geven van de gebouwen H21, H31 en H40 aan [adres] in Oosterbeek .
4.2
Vast staat dat de gebruikers in de bewuste gebouwen verblijven zonder toestemming van de eigenaar [bedrijf] , zonder recht of titel dus. Zij worden daarom weliswaar verdacht van het misdrijf van artikel 138 enPro/of 138a en/of 139 Wetboek van Strafrecht, maar zij worden hiervoor niet vervolgd.
Daar staat tegenover dat de gebruikers hier al geruime tijd wonen en ingevolge de op artikel 8 EVRMPro gevestigde jurisprudentie komt hen daarom het huisrecht toe om hier te wonen.
4.3
Daarmee staan hier twee grondrechten tegenover elkaar: het eigendomsrecht van [bedrijf] en het huisrecht van de gebruikers. Normaliter zouden die belangen gelijkelijk tegenover elkaar moeten worden afgewogen, waarbij het, ook in de ‘krakersjurisprudentie’ van de jaren ’80 en daarna aankomt op een gelijkwaardige afweging van alle betrokken belangen. Die belangenafweging was lange tijd in zekere zin in evenwichtige handen bij de civiele rechter. De wetgever heeft in de loop der jaren echter enkele malen ingegrepen en nieuwe wetgeving tot stand gebracht, die vooral strekte tot bescherming van het eigendomsrecht en het tegengaan van het ‘kraken’, waarmee dit maatschappelijke verschijnsel steeds meer in de strafrechtelijke sfeer werd getrokken. [1]
4.4
Dit heeft geresulteerd in de (initiatief)wet Handhaving kraakverbod [2] waarbij de huidige bepaling artikel 551a Sv werd ingevoerd. Deze wet had een drieledige doelstelling:
- een snelle en effectieve handhaving van het kraakverbod;
- een effectievere bescherming van het eigendomsrecht;
- het ontmoedigen van kraken als ‘illegaal woonmodel’. [3]
4.5
De strafbaarstelling van kraken en de ontruimingsbevoegdheid op grond van artikel 551a Sv zijn bedoeld om in geval van verdenking van kraken sneller te kunnen ingrijpen en na toetsing door de rechter-commissaris direct over te kunnen gaan tot ontruiming. De officier van justitie dient een vordering in tot het verstrekken van een machting waardoor hij de politie opdracht kan geven het gekraakte pand metterdaad te ontruimen. De rechter-commissaris moet binnen drie dagen beslissen. Er staat weliswaar hoger beroep open bij de rechtbank, maar dat heeft geen schorsende werking want de opdracht van de officier van justitie tot onruiming is, na verkregen machtiging, dadelijk uitvoerbaar. De regeling heeft tot doel bescherming van het recht van de eigenaar en bescherming van de openbare orde. Een dergelijke ontruiming maakt weliswaar een inbreuk op het door artikel 8 EVRMPro beschermde huisrecht, maar dit valt volgens de indieners van het initiatief wetsvoorstel binnen de normen van artikel 8 EVRMPro.
4.6
Bij de beoordeling van de vordering moet de rechter de door de wetgever gegeven voorrang aan de rechten van de eigenaar van het pand als uitgangspunt nemen, maar daarbij gelden enkele kanttekeningen. Onder meer de vraag of in de concrete omstandigheden van het geval de gevraagde ontruiming proportioneel is. Daarbij is enerzijds van belang dat de eigenaar van het pand voldoende concreet onderbouwt dat hij een spoedeisend belang bij ontruiming heeft. Anderzijds dient de gebruiker uitzonderlijke omstandigheden aannemelijk te maken die in het concrete geval tot een andere dan door de wetgever gemaakte afweging nopen. Vergelijk ook het door de rechter-commissaris geschetste toetsingskader.
4.7
[bedrijf] wil op de betreffende percelen 370 woningen bouwen. Dat is evident een gerechtvaardigd belang, dat nota bene in het huidige tijdsgewricht van een steeds krapper wordende woningmarkt alleen maar aan kracht toeneemt. [bedrijf] heeft hierbij ook een spoedeisend belang, gelet op de planning van de benodigde (bodem)onderzoeken die, zoals hiervoor uiteengezet, eerst uitgevoerd dienen te worden. Daar staat tegenover het huisrecht van drie gebruikers, die al geruime tijd in de panden wonen zonder recht of titel. De rechtbank verwijst naar hetgeen de rechter-commissaris hierover heeft overwogen.
4.8
Door de bewoners zijn echter geen zwaarwegende feiten en omstandigheden naar voren gebracht die maken dat het huisrecht in dit geval vóór het concrete belang van de eigenaar bij de ontruiming gaat. Naar het oordeel van de raadkamer heeft de rechter-commissaris terecht geconcludeerd dat de mogelijke dakloosheid van de bewoner(s) niet een omstandigheid is die ertoe leidt dat de belangenafweging in het voordeel van hen moet uitvallen. Die consequentie is immers al meegewogen bij de totstandkoming van artikel 551a Sv. Bovendien zijn de gebruikers al geruime tijd op de hoogte van de sloop- en bouwplannen en dus van een onvermijdelijke ontruiming.
4.9
Vervolgens moet worden bekeken of de ontruiming op dit moment leidt tot ongerechtvaardigde en langdurige leegstand van de panden (waarmee het niet gebruiken van het braakliggend terrein na sloop gelijk wordt gesteld). De rechtbank is van oordeel dat door [bedrijf] voldoende aannemelijk is gemaakt dat zij voortvarend te werk zal gaan met de realisering van de woningen. De sloopwerkzaamheden zijn reeds gestart en daarna zal het bodemonderzoek – in ruime zin – gaan plaatsvinden. Gelijktijdig zullen de activiteiten voor de bouwtekeningen en de vergunningverlening worden voortgezet. Deze voorbereidings-trajecten lopen gelijk op. Zodra het mogelijk is, zal de vergunningaanvraag worden gedaan. De door appellanten gestelde voorwaarde dat ontruiming pas proportioneel is als een omgevingsvergunning is aangevraagd dan wel als er een ontwerpvergunning is verstrekt, wordt van de hand gewezen.
Het verloop van het vergunningstraject laat zich niet voorspellen. Daar kan de raadkamer dan ook niet op ingaan. Datzelfde geldt ten aanzien van hetgeen is aangevoerd over stikstofbeleid, allerlei natuurbeschermingsomstandigheden etc.. Dit zijn onderwerpen die in deze summiere procedure niet aan de orde kunnen komen. Dat betekent dat de raadkamer de op het laatste moment overlegde stukken dienaangaande buiten beschouwing laat en ook niet zal ingaan op het verwijt van het overleggen van onvolledige stukken.
Enige procedurele bespiegelingen
4.1
Daaraan kan nog wel het volgende worden toegevoegd.
In de periode voorafgaande aan de invoering van het huidige artikel 511a Sv, diende een ontruiming volgens een OM-aanwijzing eerst te worden aangekondigd om de krakers de gelegenheid te geven een vordering tot verbod van ontruiming in kort geding in te stellen. In dat geval werd de ontruiming uitgesteld in afwachting van het vonnis in kort geding. Dat was om te voldoen aan artikel 13 EVRMPro, dat verlangt dat eenieder een daadwerkelijk en effectief rechtsmiddel heeft om zijn uit het EVRM voortvloeidende rechten geldend te maken.
4.11
De wetgever heeft de procedure van artikel 551a Sv in het leven geroepen teneinde een snellere ontruiming van gekraakte panden mogelijk te maken dan in de toen bestaande situatie mogelijk was. De wetgever wilde de civielrechtelijke en strafvorderlijke weg nadrukkelijk naast elkaar laten bestaan. Het verweer dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk is vanwege het volgen van deze, met aanmerkelijk minder waarborgen omgeven strafvorderlijke weg, wordt daarom verworpen.
4.12
Dat neemt niet weg dat het ook een mogelijkheid was geweest om de gebruikers in kort geding te dagvaarden tot ontruiming, in welke procedure de gebruikers aanmerkelijk meer mogelijkheden tot verweer zouden hebben. Het is de raadkamer niet duidelijk geworden geworden waarom deze weg niet is bewandeld.
4.13
Aan de gebruikers kan worden toegegeven dat de onderhavige procedure hen bepaald in een processueel lastige positie plaatst. Zodra de officier van justitie de vordering als bedoeld in artikel 551a Sv indient, rest de rechter-commissaris drie dagen om hierop te beslissen. Binnen die drie dagen moet dan het dossier worden bestudeerd, moet een hoorzitting worden georganiseerd en moeten de gebruikers en hun advocaten worden opgeroepen. Terwijl enerzijds de officier van justitie (na een daartoe strekkend verzoek van de perceeleigenaar) alle tijd heeft om de zaak voor te bereiden en een dossier op te bouwen om zijn vordering te ondersteunen, heeft de gebruiker slechts luttele dagen om een advocaat te zoeken, stukken te verzamelen en zijn verweer voor te bereiden. Deze wettelijke regeling roept bepaald vragen op naar de verenigbaarheid met de eisen van een fair trialen equality of armsvan artikel 6 EVRMPro. Deze procedure herbergt daarmee ook de mogelijkheid van misbruik doordat de eigenaar van het perceel dan wel het openbaar ministerie kan wachten tot het moment dat de voorgenomen sloopwerkzaamheden binnen zeer korte termijn zijn gepland om zo het vereiste spoedeisend belang te scheppen. Dat dit zich hier heeft voorgedaan, is echter niet komen vast te staan.
Slotsom
4.14
Gelet op het voorgaande is de raadkamer van oordeel dat de rechter-commissaris op goede gronden en deugdelijk gemotiveerd tot de beslissing is gekomen om de vordering van de officier van justitie toe te wijzen.
4.15
In de omstandigheden van het geval ziet de raadkamer echter wel aanleiding de ontruimingsdatum inzake gebouw H21 uit te stellen tot uiterlijk 17 februari 2026.
4.16
De raadkamer komt dan ook tot de conclusie dat het hoger beroep in de onderhavige zaak ongegrond moet worden verklaard, behoudens de ontruimingsdatum.
Beslissing
De raadkamer
- verklaart het hoger beroep gegrond voor zover daarbij als uiterlijke ontruimingsdatum is bepaald 9 februari en in zoverre opnieuw rechtdoende:
- bepaalt dat de ontruiming niet eerder kan plaatsvinden dan op 17 februari 2026 om 12.00 uur;
- bevestigt de besteden beschikking voor het overige.
Deze beslissing is gegeven door mr. FJ.H. Hovens, voorzitter, mr. I. de Bruin en mr. J.M.E. Langen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. Jansen, griffier, op 6 februari 2026.
Rechtbank Gelderland
rechter-commissaris in strafzaken
zittingsplaats Arnhem
parketnummer : 05.025649.26
datum : 2 februari 2026
Beslissing op een vordering tot machtiging bevel verwijderen personen en goederen
(artikel 551a van het Wetboek van Strafvordering)
in de zaak:
de officier van justitie
tegen
de krakers van de gebouwen H21, H31, H34 en H40 gelegen aan [adres]te 6862 VS Oosterbeek (hierna te noemen: de ‘krakers’)
Procedure
De officier van justitie heeft op 27 januari 2026 schriftelijk gevorderd dat de rechter-commissaris de bovengenoemde machtiging verleent. De vordering heeft betrekking op de gebouwen H21, H31, H34 en H40 gelegen aan [adres] Oosterbeek , gemeente Renkum (hierna te noemen: de gebouwen).
Door de officier van justitie zijn ter onderbouwing van de vordering diverse stukken overgelegd waaronder de aangifte namens de eigenaar van de gebouwen [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ) van 23 januari 2026. Door beide raadslieden zijn eveneens stukken overgelegd.
Op de zitting van 30 januari 2026 van 10:00 uur zijn door de rechter-commissaris gehoord [naam] (kraker van gebouw H31) en [naam] (kraker van gebouw H40), beide bijgestaan door mr. [naam] en [appellant] (kraker van gebouw H21), bijgestaan door mr. [naam] . Ook waren aanwezig de officier van justitie mr. J.E.R. Osinga en met toestemming van de rechter-commissaris de heer [naam] namens [bedrijf] . De heer [naam] (kraker van gebouw H34) is correct opgeroepen maar niet verschenen.
Van deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze beslissing is gehecht.
Beoordeling
FeitenDe genoemde gebouwen zijn eigendom van [bedrijf] .
Vast staat dat vier krakers wederrechtelijk, dat wil zeggen zonder toestemming van de eigenaar, in de panden verblijven. De krakers van de gebouwen H40, H31 en H21 verblijven daar naar eigen zeggen vanaf omstreeks september 2025. Ook de kraker van gebouw H34 verblijft al geruime tijd in dat gebouw.
De personen worden die in de gebouwen verblijven worden verdacht van een misdrijf als omschreven in artikel 138 enPro/of artikel 138a en/of artikel 139 vanPro het Wetboek van Strafrecht.
Op grond van artikel 8 vanPro het EVRM komt aan hen inmiddels een huisrecht toe.
Standpunt van partijen (zakelijke weergave)
Door de officier van justitie is aangegeven dat het belang van de eigenaar in dit geval dient te prevaleren boven het huisrecht van de krakers. Dit belang is erin gelegen dat de eigenaar wil beginnen met de sloop van de genoemde panden en dat daarna vervolgwerkzaamheden zijn gepland met het oog op te realiseren nieuwbouw van woningen. De officier van justitie heeft de ter zitting vordering als volgt aangevuld: gebouw H34 dient op 2 februari 2026 te zijn ontruimd, gebouw H21 op 10 februari 2026 en de gebouwen H31 en H40 op 18 februari 2026.
Door de kraker van gebouw H34 is geen verweer gevoerd.
De raadslieden van de krakers van de gebouwen H21, H31 en H40 hebben (kort gezegd) betoogd dat de eigenaar van de panden geen spoedeisend belang heeft bij de door de officier van justitie gevorderde ontruiming dat zwaarder weegt dan het huisrecht van de krakers. Er was voor de officier van justitie dan ook geen reden deze procedure te starten. Daarnaast is aangevoerd dat uit het dossier weliswaar blijkt dat [bedrijf] wil slopen maar dat onvoldoende is gebleken dat kort na de sloop nieuwbouw zal worden gerealiseerd. Door de raadslieden wordt daarnaast gewezen op de volgende omstandigheden: voor de uit te voeren explosieven- en archeologische onderzoeken vormt het geen belemmering dat de krakers in de gebouwen verblijven, er is nog geen omgevingsvergunning aangevraagd, de architecten zijn nog volop bezig zijn en de problematiek op het gebied van stikstof en netcongestie is niet opgelost. Daarnaast hebben zij aangevoerd dat ook dient te worden meegewogen dat alternatieve woonruimte voor de krakers op korte termijn niet te vinden is zodat zij na een eventuele ontruiming dus waarschijnlijk op straat komen te staan.
Toetsingskader en beoordeling door de rechter-commissaris
Het in artikel 8, tweede lid, van het EVRM besloten proportionaliteitsvereiste brengt mee dat de rechter-commissaris moet toetsen of de door de wetgever gegeven voorrang aan het belang van de openbare orde, het beëindigen van strafbare feiten en de rechten van derden boven het huisrecht van de krakers in de concrete omstandigheden van het geval proportioneel is. Dit vraagt om een afweging van de betrokken belangen van de krakers en de eigenaar. Hierbij geldt dat de bewoners uitzonderlijke omstandigheden(cursivering rechter-commissaris) aannemelijk dienen maken die met zich brengen dat het huisrecht in het concrete geval voorrang moet krijgen boven het belang van de ontruimingsvordering. Hierbij heeft als uitgangspunt te gelden dat een eigenaar in beginsel het recht heeft over zijn pand te beschikken zoals hij wil. Hierbij is echter van belang dat de eigenaar van het pand voldoende concreet onderbouwt dat hij een (spoedeisend) belang bij de ontruiming heeft. Ontruiming mag niet leiden tot ongerechtvaardigde en langdurige leegstand. Ook het belang van de openbare orde moet onder omstandigheden worden meegewogen.
De rechter-commissaris overweegt als volgt.
Ten aanzien van gebouw H34 overweegt de rechter-commissaris dat door de kraker geen verweer is gevoerd zodat geen bijzondere omstandigheden aannemelijk zijn gemaakt waaruit volgt dat zijn huisrecht in dit geval dient te prevaleren.
Ten aanzien van de gebouwen H21, H31 en H40 merkt de rechter-commissaris op voorhand op dat het de officier van justitie – in het geval van een strafbaar feit als hier aan de orde –uiteraard vrijstaat gebruik te maken van een in de wet opgenomen bevoegdheid (artikel 551a van het Wetboek van Strafvordering). Dat dit een korte en snelle procedure is, is door de wetgever ook zo beoogd.
De rechter-commissaris is ten aanzien van het inhoudelijke geschil van oordeel dat door de eigenaar voldoende concreet is onderbouwd dat er een spoedeisend belang bij de ontruiming is. De sloop van een aantal andere gebouwen op het terrein is al begonnen en het is in het belang van de voortgang van het project dat ook begonnen kan worden met de sloop van de gebouwen waar de vordering op ziet. Dat er gesloopt gaat worden is ook niet in geschil. Door de krakers zijn onvoldoende bijzondere omstandigheden aannemelijk gemaakt die ertoe kunnen leiden dat dat hun huisrecht in het concrete geval voorrang moet krijgen boven het belang van de ontruimingsvordering. In de door de krakers aangevoerde omstandigheden,
die volgens hen maken dat onvoldoende is gebleken dat kort na de sloop nieuwbouw zal worden gerealiseerd, zitten aspecten die zich in de toekomst mogelijk wel maar mogelijk ook niet zullen voordoen. Deze zijn voor de beoordeling op dit moment naar het oordeel van de rechter-commissaris echter niet van belang.
De door de krakers geschetste situatie dat het voor hen haast onmogelijk is op korte termijn passende huisvesting te vinden en dat zij na ontruiming mogelijk op straat komen te staan zijn ook geen omstandigheden die de belangenafweging in het voordeel van de krakers laat uitslaan. De wetgever heeft deze omstandigheden immers al betrokken bij zijn de keuze om voorrang te geven aan het belang van de openbare orde, het beëindigen van strafbare feiten en de bescherming van rechten van derden, boven het huisrecht van de krakers.
ConclusieHet vorenstaande leidt tot de conclusie dat de door de wetgever gegeven voorrang aan het belang van de openbare orde, het beëindigen van strafbare feiten en de rechten van derden boven het huisrecht van de krakers in de gebouwen H34, H21, H31 en H40 in dit geval dan ook proportioneel is. De rechter-commissaris is van oordeel dat de vordering van de officier van justitie dient te worden toegewezen.
De rechter-commissaris ziet echter aanleiding om de kraker van gebouw H34 een iets ruimere termijn te geven om gebouw te ontruimen en zijn eigendommen uit het pand te verwijderen. De rechter-commissaris beslist dat voor gebouw H34 het bevel verwijdering personen en goederen niet eerder kan worden gegeven dan op donderdag 5 februari 2026 om 12:00 uur. Dit geeft de kraker ruim de tijd om het gebouw te ontruimen en in goede staat achter te laten zonder dat de politie daaraan te pas hoeft te komen. Voor gebouw H21 is dat op 9 februari 2026 om 12:00 uur en voor de gebouwen H31 en H40 op 17 februari 2026 om 12:00 uur. De rechter-commissaris ziet geen aanleiding de krakers van deze gebouwen een langere termijn te geven. Voor hen is er tot de genoemde data voldoende tijd de gebouwen te ontruimen.
Beslissing
De rechter-commissaris:
wijst de vordering toe en
beslist dat het bevel verwijdering personen en goederen niet eerder kan worden gegeven dan:
Deze beslissing is op 2 februari 2026 genomen door mr. A.M.F. Geerling, rechter-commissaris.
RechtsmiddelTegen deze beslissing staat binnen veertien dagen na dagtekening van de beslissing hoger beroep open bij de rechtbank. Het hoger beroep heeft geen schorsende werking.
Voetnoten
1.Zie voor een overzicht van de ontwikkelingen P.C. Schutte, De strijd tussen het huisrecht en het eigendomsrecht in de ontwikkeling van de strafrechtelijke antikraakwetgeving in Nederland, TBS&H 2026 | nr. 1, p. 4.
2.Wet van 19 mei 2021, Stb. 2021, 285.
3.Kamerstukken II, 2019/2020, 35 296, nr. 3, p. 8.