ECLI:NL:RBGEL:2026:1134

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
C/05/452479
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 194 RvArt. 195 RvArt. 195a RvArt. 196 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot voorlopige bewijsverrichting inzake verdeling gemeenschap van goederen na beëindiging samenlevingsovereenkomst

Partijen hadden een samenlevingsovereenkomst die op 20 september 2024 is geëindigd, waarna zij hun vermogens moeten verrekenen. Verzoekster vordert afschrift van diverse financiële gegevens van verweerder, waaronder belastingaangiften, cryptovaluta-transacties, grootboekrekeningen van eenmanszaak en verkoopstukken van een auto.

Verweerder heeft reeds veel gegevens verstrekt en betwist dat hij over meer documenten beschikt. De rechtbank beoordeelt per categorie of verzoekster voldoende belang heeft en of verweerder de gevraagde gegevens bezit.

De rechtbank wijst het verzoek grotendeels af wegens gebrek aan belang of omdat verweerder niet over de gevraagde gegevens beschikt. Alleen het verzoek tot afschrift van een overzicht van cryptovaluta bij Bitvavo vanaf 1 juli 2024 tot de peildatum wordt toegewezen. Verzoekster wordt veroordeeld in de proceskosten van €1.826,00.

Uitkomst: Verzoek tot afgifte van financiële gegevens wordt grotendeels afgewezen, behalve voor een overzicht van cryptovaluta bij Bitvavo vanaf 1 juli 2024 tot de peildatum.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer / rekestnummer: C/05/452479 / HA RK 25-72
Beschikking van 17 februari 2026
in de zaak van
[naam verzoekster],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
advocaat: mr. R. van Coolwijk,
tegen
[naam verweeder],
wonende te [woonplaats] ,
verweerder,
hierna te noemen: [verweerder] ,
advocaat: mr. W.P.G.M. Schellens-Stoks.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 12 mei 2025 met vier producties,
- het verweerschrift van 7 augustus 2025 met zeven producties,
- het aanvullend verzoekschrift van 13 augustus 2025 met wijziging van eis, met bijgevoegd producties 5 tot en met 13,
- de brief van 15 augustus 2025 van mr. Schellens-Stoks, met bijgevoegd productie 8,
- de spreekaantekeningen van mr. Van Coolwijk,
- de mondelinge behandeling van 18 augustus 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Verschenen zijn [verzoekster] , bijgestaan door mr. Van Coolwijk, en [verweerder] , bijgestaan door mr. Schellens-Stoks.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Op 9 juni 2022 hebben zij een samenlevingsovereenkomst gesloten. De samenlevingsovereenkomst is door opzegging geëindigd op 20 september 2024. Deze datum zal hierna “de peildatum” worden genoemd, gelet op het bepaalde in artikel 6 van Pro de samenlevingsovereenkomst. Daaruit volgt dat partijen hun vermogens met elkaar dienen te verrekenen per de datum waarop de samenlevingsovereenkomst eindigt. In artikel 6 staat Pro, voor zover relevant, het volgende:
(…)
Finale afrekening
Artikel 6
1. Wij hebben een verrekenbeding met elkaar afgesproken. Het recht verrekening te vorderen ontstaat door het eindigen van deze overeenkomst als bedoeld in artikel 9 lid Pro 1. Dit verrekenbeding verplicht ons om onze vermogens met elkaar te verrekenen alsof wij samen eigenaar zijn van al onze goederen en al onze schulden gezamenlijke schulden zijn.
(…)
2. Nadat het recht verrekening te vorderen is ontstaan kan ieder van ons tot beschrijving en waardevaststelling van zijn eigen goederen en schulden overgaan en vorderen dat ook de goederen en schulden van de ander worden beschreven en de waarde daarvan wordt vastgesteld. Aan een dergelijke vordering zal door de ander binnen drie maanden daarna moeten worden voldaan. Tenzij wij andere afspraken hierover maken zal de beschrijving en waardevaststelling van de goederen plaatsvinden naar de toestand en de waarde ten tijde van het ontstaan van het recht om verrekening te vorderen. (…)
2.2.
[verweerder] drijft een eenmanszaak onder de naam “ [bedrijf] ”.
2.3.
[verweerder] is rechthebbende van diverse cryptomunten, die hij aanhoudt in een wallet bij Bitvavo. In de periode van 7 november 2021 tot 17 juni 2024 heeft hij meermaals bedragen overgeboekt naar betaalrekeningen bij een Nederlandse bank en van die betaalrekeningen naar de wallet van Bitvavo.
2.4.
Bij brief van 9 december 2024 heeft [verweerder] op het kantoor van [toenmalig advocaat] , de toenmalig advocaat van [verzoekster] , aan [verzoekster] inzage gegeven in de bij Bitvavo aanwezige cryptovaluta. Bij brief van diezelfde dag heeft [toenmalig advocaat] aan mr. Schellens-Stoks geschreven welke cryptomunten er in de wallet aanwezig waren, met vermelding van het aantal eenheden en de waarde, per de peildatum.
2.5.
[verweerder] heeft een auto, een Tesla, in eigendom gehad. De auto heeft hij in maart 2025 aan een derde verkocht en geleverd.
2.6.
[verzoekster] heeft een aantal maal en laatstelijk bij brief van 16 april 2025 aan [verweerder] verzocht om een afschrift te verstrekken van gegevens, welke gegevens zij blijkens de brief wil gebruiken om tot verrekening van de vermogens van partijen te kunnen komen als bedoeld in artikel 6 van Pro de samenlevingsovereenkomst. In antwoord daarop heeft mr. Schellens-Stoks namens [verweerder] meerdere e-mailberichten verzonden aan eerst
[toenmalig advocaat] en daarna mr. Van Coolwijk, met in de bijlagen bepaalde gegevens.
2.7.
Op 23 juni 2025 heeft [verzoekster] conservatoir beslag laten leggen onder notaris
mr. [medewerker] van [notariskantoor] N.V. te [plaatsnaam] op de vordering die [verweerder] op de notaris heeft. De vordering heeft betrekking op het aandeel van [verweerder] in de door de notaris van de koper ontvangen koopprijs uit hoofde van de verkoop van een gezamenlijk appartementsrecht.
2.8.
Bij dagvaarding van 11 juli 2025 heeft [verzoekster] [verweerder] gedagvaard om op 23 juli 2025 voor de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem te verschijnen. Zij vordert op grond van artikel 6 van Pro de samenlevingsovereenkomst dat tot finale afrekening van de samenleving wordt gekomen door betaling door [verweerder] aan haar van € 290.193,39. [verweerder] heeft een conclusie van antwoord met eis in reconventie genomen. [verweerder] vordert opheffing van het conservatoir beslag en vergoeding van schade van een bedrag van € 211.578,00.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoekster] verzoekt na wijziging van eis dat de rechtbank bij zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking [verweerder] beveelt om binnen twee weken na betekening van deze beschikking, op straffe van een dwangsom, afschrift te verstrekken van:
I. de aangifte inkomstenbelasting van 2024, al dan niet in concept, en voorlopige en/of definitieve aanslagen inkomstenbelasting 2023 en 2024 op naam van [verweerder] en betaalbewijzen van de door [verweerder] aan de Belastingdienst maandelijks betaalde voorschotten over de periode van 1 januari 2023 tot en met heden; en
II. ten aanzien van het account bij Bitvavo en de cryptomunten bij Trust: alle stukken waaruit blijkt van de aanwezige cryptomunten over de periode van
1 januari 2023 tot de peildatum, inclusief opgave van de bankrekeningen waarop opnames zijn binnengekomen; en
III. ter zake de eenmanszaak “ [bedrijf] ”
a. een uitdraai van alle grootboekrekeningen vanaf 1 januari 2022 tot en met 20 september 2024 (in pdf en in excel) waarbij tevens alle tegenrekeningen zijn opgenomen; en
b. verkoopbewijs van de auto van de koper en stukken waaruit blijkt van de door [verweerder] van de derde ontvangen koopprijs, alsmede opgave van de openstaande schuld aan de Rabobank die verband houdt met de financiering van de aankoop van deze auto, per de peildatum; en
c. een uitdraai van de grootboekrekening van de aanwezige inventaris van de onderneming op de peildatum met toelichting van de accountant op welke wijze de waarde van de inventaris is vastgesteld,
met veroordeling van [verweerder] in de proceskosten.
3.2.
[verzoekster] stelt belang te hebben bij afschrift van de gegevens, omdat zij met de gegevens de samenstelling en omvang van het te verrekenen en verdelen vermogen uit hoofde van de beëindigde samenleving kan vaststellen. Daarnaast wil [verzoekster] kunnen controleren of de kosten van de huishouding zijn voldaan in overeenstemming met hetgeen partijen daarover hebben afgesproken in de samenlevingsovereenkomst en of aan haar nog een recht tot vergoeding toekomt, zodat zij kan bepalen of zij een vordering uit dien hoofde heeft op [verweerder] . Verder stelt [verzoekster] dat partijen partij zijn bij een rechtsbetrekking, omdat zij ex-samenwoners zijn. [verzoekster] stelt ten slotte dat zij meermaals aan [verweerder] heeft verzocht om gegevens te verstrekken, maar dat [verweerder] onterecht niet alle gegevens waarom is verzocht, wil overleggen. Daarom verzoekt zij de rechtbank om [verweerder] te bevelen om dat alsnog te doen.
3.3.
[verweerder] betoogt dat het verzoek moet worden afgewezen. Hij stelt dat hij alle gegevens waarom door [verzoekster] is verzocht in afschrift heeft verstrekt voor zover hij daarover beschikt. De afschriften zijn verstrekt aan [toenmalig advocaat] en bij meerdere
e-mailberichten aan mr. Van Coolwijk. Er bestaat daarom geen grond voor toewijzing van het verzoek. [verweerder] verlangt dat de rechtbank [verzoekster] veroordeelt in de proceskosten, in afwijking van de hoofdregel dat proceskosten tussen ex-partners worden gecompenseerd.
3.4.
Op hetgeen partijen over en weer naar voren brengen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De rechtbank zal [verweerder] bevelen om afschrift te verstrekken van gegevens over de aanwezige cryptovaluta bij Bitvavo vanaf 1 juli 2024 tot en met de peildatum. De verzoeken zullen voor het overige worden afgewezen. Dit is ofwel omdat er geen of onvoldoende belang bestaat bij het verkrijgen van afschrift, ofwel omdat niet is komen vast te staan dat [verweerder] beschikt over de gegevens waarvan afschrift wordt verzocht. Deze beslissingen zullen in het hiernavolgende worden toegelicht.
4.2.
Het recht op inzage, afschrift of uittreksel van gegevens voorafgaande aan een procedure is geregeld de artikelen 196 - 204 Rv. Op grond van artikel 196 Rv Pro kan de rechter op verzoek van een belanghebbende een of meer voorlopige bewijsverrichtingen bevelen. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de rechter het verzoek toewijst, tenzij hij van oordeel is dat: a. de informatie die verlangd wordt, niet voldoende bepaald is, b. onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat, c. het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde, d. er misbruik van bevoegdheid wordt gemaakt; of
e. andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting. Op het verzoek om inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens zijn op grond van artikel 204 Rv Pro de artikelen 194, 195 en 195a Rv van overeenkomstige toepassing. In deze artikelen is geregeld dat een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, recht heeft op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens als zij daarbij voldoende belang heeft. Degene die over de gegevens beschikt, dient een afschrift of uittreksel te verstrekken, tenzij hem een verschoningsrecht toekomt of gewichtige redenen zich daartegen verzetten.
4.3.
De gegevens waar het verzoek betrekking op heeft, zijn bepaalbaar en zien op een rechtsbetrekking waar [verzoekster] en [verweerder] partij bij zijn. Deze rechtsbetrekking is de verplichting van partijen jegens elkaar om te komen tot finale afrekening van de samenleving op grond van artikel 6 van Pro de samenlevingsovereenkomst, die op 20 september 2024 is geëindigd. In zoverre is voldaan aan de vereisten voor het recht op een afschrift, iets wat tussen partijen overigens niet in geschil is. Het geschil tussen partijen concentreert zich namelijk op het belang van [verzoekster] bij de verzochte gegevens, mede omdat [verweerder] stelt dat hij reeds afschrift heeft verstrekt van verschillende gegevens waar het verzoek betrekking op heeft, en of [verweerder] überhaupt beschikt over de gegevens waarvan afschrift is verzocht. In het hiernavolgende zal de rechtbank daarom aan de hand van de standpunten van partijen voor iedere categorie van gegevens beoordelen of [verzoekster] recht heeft op afschrift van die gegevens.
Het verzoek onder I. wordt afgewezen; [verweerder] heeft de beschikbare gegevens reeds verstrekt en bij afschrift van meer gegevens bestaat geen belang
4.4.
[verzoekster] verlangt afgifte van de aangiftes en aanslagen, voorlopig en definitief, van [verweerder] . Zij stelt aan de hand van deze stukken te kunnen controleren welk vermogen er bij [verweerder] op 1 januari 2023 en 2024 aanwezig was. [verzoekster] betwist deze reeds te hebben ontvangen, zoals [verweerder] stelt. [verzoekster] wenst ook betaalbewijzen te ontvangen waaruit volgt welke voorschotten op de inkomstenbelasting [verweerder] heeft betaald in 2023 en 2024. Met deze gegevens wil [verzoekster] kunnen bepalen of er op de peildatum nog een openstaande schuld was of dat er teveel is betaald.
4.5.
[verweerder] stelt dat hij de voorlopige aanslagen inkomstenbelasting 2023 aan [verzoekster] heeft verzonden bij e-mailberichten van 2 oktober 2024 en 18 juni 2025. Een definitieve aanslag inkomstenbelasting 2023 heeft [verweerder] volgens hem nog niet ontvangen. Een aangifte inkomstenbelasting over 2024 is nog niet opgesteld. Een door [verweerder] ontvangen voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2024 is aan [verzoekster] verzonden bij e-mailbericht van 2 oktober 2024, aldus [verweerder] .
4.6.
De rechtbank zal het verzoek onder I. afwijzen, nu niet aannemelijk is geworden dat [verweerder] over meer gegevens beschikt dan hij reeds aan [verzoekster] heeft verstrekt en omdat [verzoekster] bij het ontvangen van meer stukken, als [verweerder] daar al over zou hebben beschikt, geen belang bestaat. Voor dit oordeel is het volgende redengevend.
4.7.
[verzoekster] verzoekt om afschrift van de aangifte inkomstenbelasting 2024 en een definitieve aanslag inkomstenbelasting 2023, maar [verweerder] heeft gemotiveerd betwist dat hij over deze stukken beschikt. [verzoekster] heeft dit niet meer weersproken, zodat daarvan dient te worden uitgegaan. Het verzoek moet daarom worden afgewezen voor zover het op deze documenten ziet. Omdat [verweerder] nog geen aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2024 heeft gedaan, zal hij ook niet beschikken over een definitieve aanslag van dat jaar, zodat het verzoek ook niet toewijsbaar is voor zover het betrekking heeft op dit document. Verder heeft [verzoekster] op de mondelinge behandeling erkend dat zij de door [verweerder] genoemde voorlopige aanslagen heeft ontvangen, zodat er ook geen belang meer bestaat bij een afschrift van deze documenten. Het verzoek dient daarom te worden afgewezen, voor zover het betreft die voorlopige aanslagen.
[verzoekster] meent echter dat [verweerder] over meer gegevens beschikt, die hij van de Belastingdienst heeft ontvangen. Volgens [verzoekster] ontvangt [verweerder] namelijk iedere keer dat hij een betaling verricht op een voorlopige aanslag van de Belastingdienst een betalingsbewijs of een gewijzigde aanslag waarop staat welk bedrag hij nog is verschuldigd. Om een afschrift van die gegevens heeft [verzoekster] ook verzocht, maar zij heeft die volgens haar nog niet ontvangen. Zij meent die documenten nodig te hebben om te kunnen bepalen wat de openstaande schuld bij de Belastingdienst was op de peildatum. [verweerder] heeft in reactie hierop verklaard dat het niet zo is dat er periodiek een bedrag wordt betaald, maar dat hij soms een naheffingsaanslag ontvangt en daarop een betaling verricht. [verweerder] stelt dat [verzoekster] afschriften heeft ontvangen van die naheffingsaanslagen. Uit reeds aan [verzoekster] verstrekte bankafschriften volgt wanneer en hoeveel er telkens is betaald op de ontvangen aanslagen, aldus [verweerder] .
Gelet op deze toelichting van [verweerder] , die [verzoekster] niet meer heeft weersproken, acht de rechtbank het aannemelijk dat de betaalbewijzen of gewijzigde aanslagen waar [verzoekster] op doelt, niet bestaan en dat [verweerder] de gegevens waarover hij wel beschikt, zoals dus de voorlopige aanslagen en ook de naheffingsaanslagen en bankafschriften, reeds in afschrift aan [verzoekster] heeft verstrekt. Nu vast staat dat [verweerder] niet over meer gegevens beschikt dan hij reeds heeft verstrekt, dus ook niet over de door [verzoekster] bedoelde betaalbewijzen of gewijzigde aanslagen, bestaat er geen recht op afschrift en dient het verzoek daarom te worden afgewezen. De rechtbank is voorts van oordeel dat [verzoekster] met de gegevens die zij reeds heeft ontvangen in staat moet worden geacht om vast te stellen wat de openstaande schuld bij de Belastingdienst was op de peildatum, zodat bij het ontvangen van meer gegevens, als [verweerder] daar al over had beschikt, geen belang bestaat. Voor toewijzing van het verzoek is ook om deze reden geen grond.
Het verzoek onder II.; [verweerder] moet afschrift verstrekken van gegevens over de aanwezige cryptovaluta bij Bitvavo vanaf 1 juli 2024 tot en met de peildatum
4.8.
[verzoekster] stelt dat [verweerder] tijdens de samenleving heeft belegd in cryptovaluta en dat daarbij veel geld van en naar wallets bij Bitvavo en Trust is gegaan. [verzoekster] wenst inzicht in alle transacties tussen de bankrekeningen van [verweerder] en zijn wallets. Er zijn volgens [verzoekster] voor de peildatum grote geldbedragen opgenomen uit de wallets, maar onduidelijk is naar welke rekeningen dit geld is overgemaakt.
4.9.
[verweerder] stelt dat hij de gegevens van zijn account bij Bitvavo reeds heeft toegezonden bij e-mailbericht van 2 oktober 2024, waaronder printscreens van de cryptovaluta rekeningen. Daarnaast heeft hij op 9 december 2024 inzage gegeven in het saldo van de cryptovaluta op de peildatum, wat [toenmalig advocaat] in zijn brief van diezelfde dag heeft bevestigd, aldus [verweerder] . Daarbij komt, zo stelt [verweerder] , dat hij bij zijn conclusie van antwoord jaaroverzichten heeft overgelegd van Bitvavo van de jaren 2022, 2023 en 2024. Over meer gegevens beschikt [verweerder] niet naar zijn zeggen.
4.10.
Op de mondelinge behandeling heeft [verzoekster] verklaard dat hetgeen tot dan toe is verstrekt door [verweerder] onvoldoende is, met name omdat inzicht ontbreekt in de tegenrekeningen waar geld van en naar is overgemaakt. [verzoekster] wil kunnen controleren welke bedragen van en naar Bitvavo zijn overgemaakt zodat vervolgens kan worden vastgesteld of dit geld is gebruikt voor de kosten van de huishouding. [verzoekster] wil die gegevens gebruiken om haar vordering uit hoofde van verrekening van de kosten van de huishouding te onderbouwen. [verzoekster] merkt op dat er geen gegevens zijn overgelegd die betrekking hebben op de bij Trust aangehouden cryptovaluta.
[verweerder] heeft in reactie hierop verklaard dat hij een overzicht met printscreens heeft verzonden aan [verzoekster] die de mutaties van de aangehouden cryptovaluta bij Bitvavo weergeven tot 1 juli 2024. [verweerder] betoogt dat [verzoekster] met de door hem verstrekte bankafschriften van al zijn bankrekeningen, waaronder die van de tegenrekening van Bitvavo, zelf kan controleren welke bedragen er zijn ontvangen van en overgemaakt naar Bitvavo. [verweerder] heeft ook nog verklaard dat bij Trust geen cryptovaluta meer worden aangehouden, omdat in juli 2024 alles naar de wallet bij Bitvavo is overgedragen.
4.11.
De rechtbank zal [verweerder] bevelen tot het verstrekken van gegevens waaruit blijkt wat de mutaties zijn van de verschillende door hem aangehouden cryptovaluta bij Bitvavo vanaf 1 juli 2024 tot en met de peildatum. [verzoekster] heeft voldoende belang bij het verkrijgen van deze gegevens. Met deze gegevens kan zij namelijk bepalen of en zo ja welke bedragen tussen partijen nog moeten worden verrekend. [verweerder] heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling reeds aangeboden om een overzicht voor de cryptovaluta aangehouden bij Bitvavo te verstrekken middels printscreens, zodat duidelijk is dat hij over deze gegevens beschikt. Gelet hierop is het verzoek onder II. voor een deel toewijsbaar. De rechtbank zal [verweerder] bevelen om afschrift te verstrekken van een overzicht voor de cryptovaluta aangehouden bij Bitvavo middels printscreens, waaruit moet blijken welke cryptovaluta er bij Bitvavo werd aangehouden in de periode van 1 juli 2024 tot en met de peildatum.
4.12.
Het verzoek zal voor het overige worden afgewezen bij gebrek aan belang. Wat betreft het account bij Bitvavo is de rechtbank van oordeel dat [verweerder] reeds alle gegevens heeft verstrekt waarover hij beschikt, waaruit de aanwezige cryptovaluta over de periode van 1 januari 2023 tot en met 30 juni 2024 kan blijken. [verzoekster] heeft namelijk niet betwist, en daarom staat vast, de stelling van [verweerder] dat hij aan [verzoekster] middels printscreens een overzicht heeft verstrekt van de aanwezige cryptovaluta en de ontwikkelingen in het saldo van die cryptovaluta op het account van Bitvavo in de periode van 1 januari 2023 tot 1 juli 2024 en dat hij jaaropgaves heeft verstrekt van Bitvavo over de jaren 2023 en 2024. Met deze gegevens moet [verzoekster] in staat worden geacht om te bepalen welke cryptovaluta er in de periode van 1 januari 2023 tot en met 30 juni 2024 bij Bitvavo aanwezig zijn geweest. Ook staat vast, nu [verzoekster] dit ook niet heeft betwist, dat [verweerder] bankafschriften heeft verstrekt van al zijn bankrekeningen, waaronder de betaalrekening die hij als tegenrekening heeft gebruikt voor zijn wallet bij Bitvavo. Daarmee is ook voldaan aan het verzoek voor zover het betreft opgave van de tegenrekeningen waarop opgenomen bedragen uit de wallet zijn ontvangen. Tenslotte heeft [verweerder] ter gelegenheid van de mondelinge behandeling gemotiveerd betwist nog cryptovaluta bij Trust aan te houden met zijn verklaring dat alle cryptovaluta vanaf juli 2024 bij Bitvavo wordt aangehouden. Omdat [verzoekster] niet meer op die betwisting heeft gereageerd, zal van de juistheid daarvan worden uitgegaan. Het verzoek moet gelet hierop worden afgewezen voor zover het betrekking heeft op de bij Trust aanwezige cryptovaluta, op de grond dat [verweerder] niet meer beschikt over de hierop betrekking hebbende gegevens.
Het verzoek onder III. a. wordt afgewezen bij gebrek aan belang
4.13.
[verzoekster] stelt dat de opnames van de onderneming van [verweerder] die voor privé uitgaven zijn gedaan niet overeenkomen met de stortingen op de gemeenschappelijke betaalrekening van partijen, om welke reden moet worden gecontroleerd hoeveel er precies is opgenomen. Hiervoor stelt [verzoekster] afschrift van de grootboekrekeningen van de onderneming nodig te hebben. [verzoekster] erkent dat zij afschrift van de grootboekrekeningen van [verweerder] heeft ontvangen, zoals [verweerder] in zijn verweerschrift stelt, maar volgens [verzoekster] zijn deze afschriften niet volledig, omdat de tegenrekeningen waar de gelden naar over zijn gemaakt niet zijn genoemd. Juist deze informatie stelt [verzoekster] nodig te hebben om te kunnen bepalen waar het geld voor is gebruikt, meer specifiek of dit voor de kosten van de huishouding is gebruikt of voor andere doeleinden.
4.14.
Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [verweerder] nader toegelicht dat in mei 2024, toen door hem een afschrift van de grootboekrekeningen is verstrekt, ook bankafschriften van de zakelijke bankrekeningen over de jaren 2022, 2023 en 2024 zijn verstrekt. Aan de hand van die bankafschriften kan [verzoekster] controleren waar de gelden naartoe zijn gegaan. [verweerder] merkt nog op dat hij niet méér kan dan het aanleveren van de grootboekrekeningen. [verzoekster] heeft deze nadere toelichting niet meer weersproken.
4.15.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de door [verzoekster] niet weersproken nadere toelichting van [verweerder] , voldoende belang bij afschrift van de grootboekrekeningen ontbreekt, om welke reden er geen recht op een afschrift bestaat. [verzoekster] beschikt over de bankafschriften en kan daarmee controleren waar de gelden die [verweerder] vanaf zijn zakelijke betaalrekeningen heeft overgeboekt naartoe zijn gegaan. Dat er desondanks nog belang bestaat bij afschrift van grootboekrekeningen waarbij tevens alle tegenrekeningen zijn opgenomen is door [verzoekster] niet gesteld. Het verzoek onder III. a zal daarom worden afgewezen.
Het verzoek onder III. b. wordt afgewezen bij gebrek aan belang, althans omdat [verweerder] niet beschikt over de gegevens
4.16.
[verzoekster] stelt belang te hebben bij afschrift van het aankoopbewijs met bijbehorende stukken van de auto en een opgave van de nog openstaande geldschuld aan de Rabobank per de peildatum, welke schuld betreft een geldlening voor de financiering van de aankoop van de auto, om de waarde van de auto op de peildatum te kunnen bepalen. [verzoekster] stelt dat het recht op afschrift niet alleen volgt uit de criteria uiteengezet in rechtsoverweging 4.2., maar ook uit het feit dat de auto in een eenvoudige gemeenschap valt. [verzoekster] verlangt het verkoopbewijs aan de garage om daarmee te kunnen vaststellen welke prijs voor de auto is betaald. Tot nog toe heeft [verzoekster] volgens haar alleen door [verweerder] zelf opgestelde stukken ontvangen, zijnde een factuur en een overzicht van de betalingen aan de Rabobank. [verzoekster] verlangt echter een document van de koper waaruit blijkt wat hij heeft voldaan en een bewijs van de Rabobank waaruit de hoogte van de schuld op de peildatum blijkt. [verweerder] beschikt volgens [verzoekster] over deze documenten.
4.17.
[verweerder] stelt dat het verkoopbewijs van de auto met een bankafschrift waaruit blijkt dat de koopprijs is betaald, reeds zijn gestuurd bij e-mailberichten van 12 mei en 18 juni 2025. Met die gegevens kan [verzoekster] controleren welke koopprijs is betaald. Over een inkoopfactuur van de koper beschikt [verweerder] niet. [verweerder] beschikt volgens hem ook niet meer over gegevens van de schuld van de Rabobank, omdat deze in november 2024 volledig is afgelost. Wel stelt [verweerder] een overzicht van betalingen van Rabolease te hebben verstrekt, waarmee volgens hem kan worden bepaald wat de schuld op de peildatum was door de schuld op 31 december 2023 als startpunt te nemen en daar negen maal € 900,00 vanaf te trekken.
4.18.
Het verzoek onder III. b. zal worden afgewezen om de volgende reden. [verzoekster] heeft niet betwist dat [verweerder] haar een bankafschrift heeft verstrekt waarop is te zien welke koopprijs is ontvangen. Daarmee beschikt [verzoekster] over voldoende gegevens om de door [verweerder] ontvangen koopprijs van de auto te bepalen, zodat enig belang bij het ontvangen van een verkoopbewijs en aanverwante stukken ontbreekt. Gelet op dit oordeel kan in het midden blijven of [verweerder] überhaupt over deze stukken beschikt. Verder heeft [verzoekster] de gemotiveerde betwisting van haar stelling dat [verweerder] beschikt over een document van de Rabobank met een opgave van de schuld aan Rabobank per de peildatum niet meer weersproken, zodat van die betwisting moet worden uitgegaan. Nu vast staat dat [verweerder] niet beschikt over deze opgave, bestaat er geen recht op afschrift daarvan en komt het verzoek niet voor toewijzing in aanmerking voor zover het betrekking heeft op dit document.
Het verzoek onder III. c. wordt afgewezen bij gebrek aan belang
4.19.
[verzoekster] verlangt een uitdraai van de grootboekrekening waarin de aanwezige inventaris van de onderneming van [verweerder] is opgenomen, met daarbij een toelichting van de accountant over de wijze waarop de waarde van de inventaris is vastgesteld. Zij betoogt voldoende belang te hebben bij deze gegevens, omdat daarmee kan worden bepaald wat de waarde van de inventaris is op de peildatum.
4.20.
[verweerder] stelt dat hij de grootboekrekening van de inventaris reeds bij e-mailbericht van 12 mei 2025 aan [verzoekster] heeft gezonden, toen ook alle andere grootboekrekeningen aan haar zijn gezonden. Verder heeft [verweerder] volgens hem bij e-mailbericht van
1 november 2024 een berekening van de accountant van de waarde van de eenmanszaak aan [verzoekster] gezonden, met daarin ook een waardering van de inventaris.
4.21.
Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [verzoekster] herhaald dat zij belang heeft bij een uitdraai van de grootboekrekening waar de waarde van de inventaris is vermeld, omdat dit maatgevend is. Een door de accountant gemaakt overzicht wil [verzoekster] niet.
[verweerder] stelt dat de inventaris bestaat uit een laptop en een paar telefoons, met een bescheiden waarde van ongeveer € 2.000,00. De accountant heeft volgens hem naar waarheid verklaard wat de waarde van de inventaris is.
4.22.
De rechtbank zal het verzoek onder III. c. afwijzen. [verzoekster] heeft de onderbouwde stelling van [verweerder] dat [verzoekster] de grootboekrekeningen bij e-mailbericht van 12 mei 2025 heeft ontvangen niet gemotiveerd betwist. Op de mondelinge behandeling heeft [verzoekster] namelijk slechts herhaald dat zij afschrift wenst van de grootboekrekening waarin de inventaris is opgenomen, maar heeft zij niet meer gereageerd op voornoemde stelling van [verweerder] . Daarom dient van hetgeen [verweerder] heeft gesteld te worden uitgegaan. Nu vast staat dat [verzoekster] de grootboekrekeningen reeds heeft ontvangen, ontbreekt ieder belang bij het verkrijgen van een afschrift hiervan en heeft zij daar dus geen recht op. Ook op de toelichting van de accountant bestaat geen recht, omdat [verzoekster] niet heeft gesteld wat haar belang is bij een afschrift van deze toelichting. Dit kon wel van haar worden verwacht, omdat zonder nadere toelichting, die dus ontbreekt, niet valt in te zien dat zij het vereiste belang heeft, nu in de door haar reeds ontvangen grootboekrekening waarin de inventaris is opgenomen naar de onweersproken stelling van [verweerder] staat wat de waarde van de inventaris is. Meer gegevens om de waarde van de inventaris te bepalen heeft zij dus niet nodig.
Geen dwangsom
4.23.
De rechtbank zal geen dwangsom verbinden aan het te geven bevel om afschrift te verstrekken. Uit de reacties van [verweerder] op de verzoeken van [verzoekster] om afschrift van gegevens te verstrekken, blijkt dat [verweerder] zich telkens heeft ingespannen om aan die verzoeken te voldoen en dat hij dit nooit heeft geweigerd. Daarom is er geen reden om aan te nemen dat hij niet aan het te geven bevel zal voldoen.
Proceskosten
4.24.
[verzoekster] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten en de nakosten. De kosten aan de zijde van [verweerder] worden conform het liquidatietarief begroot op:
- griffierecht € 331,00
- salaris advocaat € 1.306,00 (2,0 punten × tarief € 653,00)
- nakosten €
189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.826,00.
4.25.
De rechtbank zal bepalen dat [verzoekster] binnen twee weken na deze beschikking een afschrift van deze beschikking aan [verweerder] moet doen toekomen op grond van het bepaalde in artikel 198 lid 2 Rv Pro.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
beveelt [verweerder] om afschrift te verstrekken van een overzicht voor de cryptovaluta aangehouden bij Bitvavo middels printscreens, waaruit moet blijken welke cryptovaluta er bij Bitvavo werd aangehouden in de periode van 1 juli 2024 tot en met de peildatum,
5.2.
bepaalt dat het verstrekken van afschrift van de gegevens moet plaatsvinden uiterlijk op 16 maart 2026,
5.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders verzochte af,
5.5.
veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten van € 1.826,00, te betalen binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking,
5.6.
bepaalt dat [verzoekster] uiterlijk op
3 maart 2026een afschrift van deze beschikking bij aangetekende brief of exploot moet doen toekomen aan [verweerder] .
Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. van der Mei en in het openbaar uitgesproken op
17 februari 2026.
954 / 1496