ECLI:NL:RBGEL:2026:1202

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
05-204529-25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WVW 1994Art. 175 WVW 1994Art. 179 WVW 1994Art. 9 SrArt. 14a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor veroorzaken verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel door aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag

Op 7 januari 2025 veroorzaakte de verdachte een verkeersongeval in Apeldoorn door met een snelheid van circa 65 km/u een flauwe bocht niet te volgen en over een dubbele doorgetrokken streep op de rijstrook van het tegemoetkomend verkeer te rijden. Hierdoor botste zij frontaal op een tegemoetkomende Mini Cooper S, bestuurd door het slachtoffer, die zwaar lichamelijk letsel opliep.

De rechtbank stelde vast dat verdachte onvoldoende op de weg had gelet en haar aandacht onvoldoende had gericht op het overige verkeer. Verdachte kon geen medische oorzaak voor het ongeval aantonen, ondanks uitgebreid medisch onderzoek. De verdediging voerde verontschuldigbare overmacht aan en stelde dat het letsel van het slachtoffer niet aan verdachte kon worden toegerekend omdat het slachtoffer mogelijk geen gordel droeg, maar deze verweren werden verworpen.

De rechtbank kwalificeerde het gedrag van verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam en veroordeelde haar tot een taakstraf van 160 uur en een voorwaardelijke rijontzegging van 1 jaar met een proeftijd van 2 jaar. De straf houdt rekening met de ernst van het letsel en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder het risico op baanverlies bij een onvoorwaardelijke rijontzegging.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 160 uur taakstraf en een voorwaardelijke rijontzegging van 1 jaar wegens het veroorzaken van een verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05/204529-25
Datum uitspraak : 19 februari 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1965 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] .
Raadsman: mr. R.S.F. ten Kortenaar, advocaat in Baarn.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 5 februari 2026.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op 7 januari 2025 te Apeldoorn in de gemeente Apeldoorn, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurster van een voertuig (personenauto/bedrijfsauto), komende uit de richting van de Arnhemseweg en gaande in de richting van de Albert Schweitzerlaan, daarmee rijdende over de weg de Laan van Westenenk,
roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het direct voor haar, verdachte gelegen weggedeelte(n) van die weg (de Laan van Westenenk) en/of het verloop van die weg (de Laan van Westenenk) en/of
in of nabij een in die weg (de Laan van Westenenk) gelegen, gezien haar, verdachtes rijrichting flauw naar rechts verlopende bocht, vanaf de door haar, verdachte bereden rijstrook van die weg (de Laan van Westenenk) niet heeft (bij)gestuurd en/of niet het verloop van die weg/rijbaan heeft gevolgd en/of
terwijl tegemoetkomend verkeer reeds op korte afstand was genaderd en/of
- haar aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of gehad en/of
-in strijd met artikel 3 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeertekens 1990 niet aan haar, verdachtes verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of
-in strijd met het gestelde in artikel 76 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeersteken 1990 dubbele doorgetrokken strepen, die zich niet langs de rand van de rijbaanverharding bevonden, heeft overschreden en/of zich met het door haar bestuurde voertuig geheel of gedeeltelijk links van die doorgetrokken strepen,
-welke strepen op die weg (de Laan van Westenenk) waren aangebracht tussen de rijstroken, met verkeer in beide richtingen-, heeft bevonden en/of
- heeft gereden met een hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, in elk geval met een hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, namelijk met een (indicatieve) gemiddelde snelheid van 65 kilometer per uur en/of
- met dat door haar bestuurde motorrijtuig (personenauto/bedrijfsauto), naar links heeft gestuurd en/of naar links is gegaan en/of rechtdoor is gereden, waarbij zij niet het verloop van die weg heeft gevolgd en/of geheel of gedeeltelijk op de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg is terechtgekomen en/of
- niet de snelheid van dat door haar, verdachte bestuurde voertuig (personenauto/bedrijfsauto) zodanig heeft geregeld dat zij in staat was dat voertuig (personenauto/bedrijfsauto) tot stilstand te brengen, binnen de afstand waarover
zij, verdachte, die weg (de Laan van Westenenk) kon overzien en waarover deze vrij was en/of
(vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met dat andere voertuig (personenauto, merk Mini Cooper S) en/of als gevolg van de botsing werd de personenauto (Mini Cooper S) teruggedrukt en botste tegen de daarachter rijdende voertuig (Volkswagen Passat), en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten
verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op 7 januari 2025 te Apeldoorn in de gemeente Apeldoorn, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurster van een voertuig (personenauto/bedrijfsauto), komende uit de richting van de Arnhemseweg en gaande in de richting van de Albert Schweitzerlaan, daarmee rijdende over de weg de Laan van Westenenk,
niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het direct voor haar, verdachte gelegen weggedeelte(n) van die weg (de Laan van Westenenk) en/of het verloop van die weg (de Laan van Westenenk) en/of
in of nabij een in die weg (de Laan van Westenenk) gelegen, gezien haar, verdachtes rijrichting flauw naar rechts verlopende bocht, vanaf de door haar, verdachte bereden rijstrook van die weg (de Laan van Westenenk) niet heeft (bij)gestuurd en/of niet het verloop van die weg/rijbaan heeft gevolgd en/of
terwijl tegemoetkomend verkeer reeds op korte afstand was genaderd en/of
- haar aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of gehad en/of
-in strijd met artikel 3 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeertekens 1990 niet aan haar, verdachtes verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of
-in strijd met het gestelde in artikel 76 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeersteken 1990 dubbele doorgetrokken strepen, die zich niet langs de rand van de rijbaanverharding bevonden, heeft overschreden en/of zich met het door haar bestuurde voertuig geheel of gedeeltelijk links van die doorgetrokken strepen,
-welke strepen op die weg (de Laan van Westenenk) waren aangebracht tussen de rijstroken, met verkeer in beide richtingen-, heeft bevonden en/of
- heeft gereden met een hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, in elk geval met een hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, namelijk met een (indicatieve) gemiddelde snelheid van 65 kilometer per uur en/of
- met dat door haar bestuurde motorrijtuig (personenauto/bedrijfsauto), naar links heeft gestuurd en/of naar links is gegaan en/of rechtdoor is gereden, waarbij zij niet het verloop van die weg heeft gevolgd en/of geheel of gedeeltelijk op de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg is terechtgekomen en/of
- niet de snelheid van dat door haar, verdachte bestuurde voertuig (personenauto/bedrijfsauto) zodanig heeft geregeld dat zij in staat was dat voertuig (personenauto/bedrijfsauto) tot stilstand te brengen, binnen de afstand waarover zij, verdachte, die weg (de Laan van Westenenk) kon overzien en waarover deze vrij was en/of
(vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met dat andere voertuig (personenauto, merk Mini Cooper S) en/of als gevolg van de botsing werd de personenauto (Mini Cooper S) teruggedrukt en botste tegen de daarachter rijdende voertuig (Volkswagen Passat), en door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,
althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op 7 januari 2025 te Apeldoorn in de gemeente Apeldoorn, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurster van een voertuig (personenauto/bedrijfsauto), komende uit de richting van de Arnhemseweg en gaande in de richting van de Albert Schweitzerlaan, daarmee rijdende over de weg de Laan van Westenenk,in strijd met het gestelde in artikel 76 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeersteken 1990 dubbele doorgetrokken strepen, die zich niet langs de rand van de rijbaanverharding bevonden, heeft overschreden en/of zich met het door haar bestuurde voertuig geheel of gedeeltelijk links van die doorgetrokken strepen, -welke strepen op die weg (de Laan van Westenenk) waren aangebracht tussen de rijstroken, met verkeer in beide richtingen-, heeft bevonden.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde, met dien verstande dat de mate van schuld dient te worden gekwalificeerd als aanmerkelijke schuld.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor het primair tenlastegelegde, omdat het letsel van het slachtoffer in redelijkheid niet aan verdachte kan worden toegerekend. De verdediging leidt uit het dossier af dat het slachtoffer geen gordel drroeg. Het is onduidelijk wat het letsel zou zijn geweest op het moment dat het slachtoffer wel een gordel zou hebben gedragen.
Daarnaast moet verdachte worden vrijgesproken van de primair tenlastegelegde roekeloosheid omdat de verkeersregels niet in ernstige mate geschonden zijn. Ook is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om te spreken van aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Verder is sprake van verontschuldigbare overmacht, waardoor de schuld wordt weggenomen. Een medische oorzaak van het ongeval ligt veel meer voor de hand dan een moment van onoplettendheid.
Tot slot heeft de verdediging het voorwaardelijk verzoek gedaan om, wanneer de rechtbank de hierboven weergegeven standpunten niet volgt, de zaak te heropenen en te bepalen dat er aanvullend medisch onderzoek moet worden verricht bij verdachte. Dit is noodzakelijk om zowel de oorsprong van het ongeval als de schuld in de zin van artikel 6 en Pro/of 5 Wegenverkeerswet vast te kunnen stellen.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank moet allereerst de vraag beantwoorden of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte schuld heeft aan het veroorzaken van een verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg, zoals omschreven in artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW).
Schuld in de zin van dit wetsartikel houdt in dat er in ieder geval sprake is van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Of dit het geval is, hangt af van het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Wanneer er sprake is van gedragingen met een hogere graad van verwijtbaarheid, kan dit worden gekwalificeerd als zeer onvoorzichtig en/of onoplettend handelen en in zeer ernstige gevallen als roekeloos rijgedrag.
De rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 7 januari 2025 reed verdachte op de Laan van Westenenk in Apeldoorn in een Peugeot 208 komend vanuit de richting van de Arnhemseweg en gaande in de richting van de Albert Schweitzerlaan. Tegemoetkomend reed een Mini Cooper S met daarachter een Volkswagen Passat. Op het punt waar de weg vanuit haar rijrichting gezien een flauwe bocht naar rechts maakte, is verdachte op de rijstrook voor tegengesteld verkeer terecht gekomen en frontaal op de tegemoetkomende Mini Cooper S gebotst. Hierdoor werd de Mini Cooper S teruggedrukt en botste de daarachter rijdende Volkswagen Passat met zijn voorkant tegen de achterkant van de Mini Cooper S. Als gevolg van het verkeersongeval werden verdachte en de bestuurder van de Mini Cooper S, mevrouw [slachtoffer] , overgebracht naar het Ziekenhuis. [2]
Uit digitaal voertuigonderzoek van de auto van verdachte volgt dat verdachte de plaats van het ongeval naderde met een snelheid van circa 65 km/u terwijl 50 km/u de geldende maximumsnelheid was. Deze snelheid bleef relatief constant en liep tot en met het ongeval licht op naar 68 km/u. Er was daarbij sprake van een bediend gaspedaal. Tot kort voor de daadwerkelijke aanrijding reed verdachte rechtuit, terwijl de weg een bocht naar rechts maakte. Pas zeer kort – tot 1 seconde - voor de daadwerkelijke aanrijding registreerde het voertuig in korte tijd een sterke stuurcorrectie naar rechts. Er was voorafgaand aan het ongeval geen sprake van een daadwerkelijke remming om de botsing te voorkomen. [3]
Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij op de weg richting Zutphen reed toen zij een zware auto zag naderen. De auto reed met de helft van de auto op haar weghelft. Zij moest uitwijken in de berm om niet in botsing te komen met de auto, aldus de getuige. Toen zij in haar achteruitkijkspiegel keek, zag zij dat de zware auto nadat zij haar had gepasseerd, volledig op haar weghelft reed. Direct daarna hoorde zij een harde klap. [4]
Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij op 7 januari 2025 in de richting van de Arnhemseweg reed. Hij reed achter de Volkswagen Passat. Voor de Volkswagen zag hij een blauwe Mini rijden. Uit tegengestelde richting kwam een zwarte auto welke uit het niets op de andere weghelft terechtkwam en frontaal tegen de blauwe Mini aan klapte, aldus de getuige. [5]
Verdachte heeft verklaard dat zij zich niks meer van het ongeval kan herinneren. Zij denkt dat zij een black-out heeft gehad.
De rechtbank leidt uit het bovenstaande af dat verdachte op haar eigen weghelft reed, maar niet de flauwe bocht naar rechts heeft gevolgd die de weg maakte en in plaats daarvan feitelijk rechtdoor is gereden. Hierdoor is zij over de doorgetrokken streep op de weghelft van het tegemoetkomende verkeer terechtgekomen, terwijl mevrouw [slachtoffer] daar reed in een Mini Cooper S. Daarbij reed verdachte 65 tot 68 kilometer per uur in plaats van de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 kilometer per uur ter plaatse.
[slachtoffer] heeft bij het ongeval een breuk in haar rechter onderarm, een breuk in haar linker bovenarm met zenuwletsel, acht gebroken ribben, een miltbloeding, een nierinfarct, een gekneusde knie en hersenletsel opgelopen. De mate van herstel is onzeker. Zij is onder behandeling van een chirurg, een neuroloog, een orthopeed en de revalidatiearts. Het letsel is grijpt diep in op haar dagelijks functioneren. [6]
De rechtbank is van oordeel dat dit letsel moet worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.
Vervolgens is de vraag waardoor het ongeval is veroorzaakt: doordat verdachte onvoldoende heeft opgelet en haar aandacht op de weg heeft gehad of vanwege een medische oorzaak, zoals de verdediging heeft gesteld.
Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat zij niet weet waarom of waardoor zij op de andere weghelft terecht is gekomen. Zij denkt dat zij mogelijk een black-out heeft gehad. Zij heeft nooit eerder een dergelijke black-out gehad. Ook nadien heeft het nooit meer plaatsgevonden. Verdachte is na het ongeval in de ambulance en in het ziekenhuis onderzocht. Ook daarna zijn er vele lichamelijke onderzoeken geweest. Hierbij zijn onder andere hartfilmpjes en hersenscans gemaakt. Uit deze onderzoeken zijn geen resultaten gekomen die wijzen op een medische oorzaak van de verkeersgedragingen van verdachte.
De rechtbank stelt vast dat er geen enkele medische onderbouwing is voor het feit dat sprake zou zijn geweest van een black-out. Verdachte is uitgebreid medisch onderzocht maar er geen reden voor een mogelijk verminderde mate van bewustzijn gevonden. Bovendien past een situatie van medische nood niet goed bij de hierboven vastgestelde feitelijkheden - de constante snelheid waarbij het gaspedaal wordt gebruikt en de stuurbeweging die eerst rechtdoor gaat en afsluit met een krachtige stuurbeweging kort voor het ongeval. De rechtbank acht bestaan van een medische oorzaak daarom niet aannemelijk geworden. De oorzaak van het ongeval moet hebben gelegen in het feit dat verdachte haar aandacht onvoldoende op de weg heeft gehad, terwijl zij een flauwe bocht naderde en 15 kilometer harder reed dan de ter plaatse toegestane snelheid. De rechtbank kwalificeert dit handelen als aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam.
De verdediging heeft bij voorwaardelijk verzoek verzocht om de zaak aan te houden en te bepalen dat er aanvullend medisch onderzoek moet worden verricht bij verdachte. De rechtbank stelt vast dat de raadsman heeft toegelicht welke vele medische onderzoeken al zijn uitgevoerd bij verdachte. Daaruit komen geen aanknopingspunten voor nader onderzoek naar voren. De raadsman heeft desgevraagd ook niet concreet kunnen toelichten welk medisch onderzoek dan ontbreekt en waarom en hoe dit van invloed zou kunnen zijn op de conclusies van de al uitgevoerde onderzoeken. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
De verdediging heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het letsel van het slachtoffer in redelijkheid niet aan verdachte kan worden toegerekend omdat het slachtoffer geen gordel droeg
De rechtbank verwerpt ook dit verweer. Artikel 6 WVW Pro vereist een tweeledig causaal verband. Er dient allereerst een feitelijk causaal verband te zijn tussen de verweten gedraging enerzijds en het verkeersongeval en de gevolgen daarvan anderzijds. Vervolgens is de vraag of het verkeersongeval en de gevolgen daarvan in redelijkheid zijn toe te rekenen aan de verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank dient de eerste vraag bevestigend beantwoord te worden. Het slachtoffer zou het letsel immers niet hebben opgelopen wanneer verdachte niet (rijdend op de verkeerde weghelft) met haar in botsing zou zijn gekomen. Voor de beantwoording van de tweede vraag volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad dat ook het zwaar lichamelijk letsel van een slachtoffer dat zonder gordel een motorrijtuig bestuurt, in redelijkheid toegerekend kan worden aan de veroorzaker van de aanrijding waardoor dat letsel is opgelopen. [7] Zelfs indien vast zou komen te staan dat het slachtoffer geen gordel droeg ten tijde van het ongeval – waarmee nog niet gezegd is dat dit zou was – dan nog zou te gelden hebben dat het lichamelijk letsel kan worden toegerekend aan verdachte.
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat, gelet op het rijgedrag van verdachte en de omstandigheden waaronder het ongeval heeft plaatsgevonden, verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW Pro 1994 waardoor aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht. De rechtbank kwalificeert deze schuld als aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam handelen.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
zij op 7 januari 2025 te Apeldoorn
in de gemeente Apeldoorn, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurster van een voertuig (personenauto/
bedrijfsauto), komende uit de richting van de Arnhemseweg en gaande in de richting van de Albert Schweitzerlaan, daarmee rijdende over de weg de Laan van Westenenk,
roekeloos, in elk geval zeer, althansaanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en
/ofonachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/
ofis blijven letten op het direct voor haar, verdachte gelegen weggedeelte(n) van die weg (de Laan van Westenenk) en
/ofhet verloop van die weg (de Laan van Westenenk) en
/ofin
of nabij een indie weg (de Laan van Westenenk) gelegen, gezien haar, verdachtes rijrichting flauw naar rechts verlopende bocht, vanaf de door haar, verdachte bereden rijstrook van die weg (de Laan van Westenenk) niet heeft (bij)gestuurd en/
ofniet het verloop van die weg/rijbaan heeft gevolgd en
/ofterwijl tegemoetkomend verkeer reeds op korte afstand was genaderd en
/of- haar aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en
/ofde (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en
/ofgehad en
/of-in strijd met artikel 3 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeertekens 1990 niet aan haar, verdachtes verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en
/of-in strijd met het gestelde in artikel 76 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeersteken 1990 dubbele doorgetrokken strepen, die zich niet langs de rand van de rijbaanverharding bevonden, heeft overschreden en
/ofzich met het door haar bestuurde voertuig geheel
of gedeeltelijklinks van die doorgetrokken strepen,
-welke strepen op die weg (de Laan van Westenenk) waren aangebracht tussen de rijstroken, met verkeer in beide richtingen-, heeft bevonden en
/of- heeft gereden met een hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur,
in elk geval met een hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, namelijk met een (indicatieve) gemiddelde snelheid van 65 kilometer per uur en/
of- met dat door haar bestuurde motorrijtuig (personenauto/
bedrijfsauto), naar links heeft gestuurd en
/ofnaar links is gegaan en
/ofrechtdoor is gereden, waarbij zij niet het verloop van die weg heeft gevolgd en
/ofgeheel
of gedeeltelijkop de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg is terechtgekomen en
/of- niet de snelheid van dat door haar, verdachte bestuurde voertuig (personenauto
/bedrijfsauto) zodanig heeft geregeld dat zij in staat was dat voertuig (personenauto
/bedrijfsauto) tot stilstand te brengen, binnen de afstand waarover
zij, verdachte, die weg (de Laan van Westenenk) kon overzien en waarover deze vrij was en
/of(vervolgens) is gebotst tegen,
althans in aanrijding is gekomen metdat andere voertuig (personenauto, merk Mini Cooper S) en
/ofals gevolg van de botsing werd de personenauto (Mini Cooper S) teruggedrukt en botste tegen de daarachter rijdende voertuig (Volkswagen Passat), en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten
verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor
bijeen ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel
of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezighedenis ontstaan;
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van de straf

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 160 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid bepleit. Een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid zou onevenredig zwaar voor verdachte uitpakken omdat ze haar auto onder andere nodig heeft voor werk. Daarnaast stelt de verdediging zich op het standpunt dat, gelet op de mate van schuld, een geheel voorwaardelijke taakstraf passend is.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich als automobilist aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam gedragen in het verkeer door over een dubbele doorgetrokken streep te rijden met een hogere snelheid dat de geldende maximumsnelheid waardoor zij volledig op de verkeerde weghelft terecht kwam. Hierdoor heeft zij een verkeersongeval veroorzaakt, waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Zij heeft nog altijd fysiek en psychisch last van de nasleep van het ongeval, zo is gebleken uit haar schriftelijke slachtofferverklaring. Zij is meermaals geopereerd en binnenkort zal nogmaals een operatie volgen. Ze heeft last van geheugenproblemen en haar voorheen onbegrensde mentale belastbaarheid en energie vormen nu voor haar een beperking.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de justitiële documentatie van verdachte van 6 januari 2026 waaruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
Het handelen van verdachte heeft zeer grote gevolgen gehad. Kijkend naar de ernst van het feit zou daarom een onvoorwaardelijke taakstraf in combinatie met een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid passend zijn. Aan de andere kant houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte haar baan zal verliezen als zij haar rijbewijs zou kwijtraken, terwijl zij ook voor haar inkomen afhankelijk is van die baan. Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf van 160 uur en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 1 jaar met een proeftijd van 2 jaar, passend is. De rechtbank legt, in afwijking van de afdoening in soortgelijke zaken, een hogere taakstraf op zodat verdachte de kans wordt geboden om haar rijbewijs en daarmee haar baan te houden.

8.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen:
- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht;
- 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 legt op een
taakstraf van 160 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 80 dagen;

ontzegtverdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde
de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar;
 bepaalt dat
deze ontzegging van de rijbevoegdheid niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten in het geval verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.A.M. Janssen (voorzitter), mr. M.M. Klaasen en mr. H.C. Leemreize, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. van Doorn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 februari 2026.
mrs. Klaasen en Leemreize zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025009225, gesloten op 2 juli 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Het proces-verbaal van FO verkeer, p. 40.
3.Het proces-verbaal van FO verkeer, p. 44.
4.Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 101.
5.Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 95.
6.Het proces-verbaal van verhoor slachtoffer [slachtoffer] , p. 107 en 108.
7.HR 11 december 2001, NJ 2002/62.