ECLI:NL:RBGEL:2026:1218

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
ARN 24/5792
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 Jeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering verklaring van geen bezwaar voor plaatsing pleegkind na eerdere opvoedproblematiek

Eiseres heeft een verklaring van geen bezwaar aangevraagd voor de plaatsing van een pleegkind, maar deze werd geweigerd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De Raad voor de Kinderbescherming concludeerde op basis van dossieronderzoek en gesprekken dat er risico's zijn voor het welzijn van een pleegkind vanwege eerdere opvoedproblematiek met de dochter van eiseres.

De rechtbank toetste de afwijzing aan het protocol ASAA, waarin staat dat een verklaring wordt geweigerd bij bezwarende feiten zoals eerdere kinderbeschermingsmaatregelen en ernstige zorgen over opvoedvaardigheden. Eiseres stelde dat haar situatie verbeterd is en dat zij nu een stabiele thuissituatie kan bieden, mede door haar ervaring met haar dochter.

De staatssecretaris stelde dat het verleden altijd moet worden meegewogen en dat onvoldoende is aangetoond dat de zorgen zijn weggenomen. De rechtbank oordeelde dat eiseres onvoldoende heeft aangetoond hoe herhaling van de problematiek wordt voorkomen en dat de weigering daarom terecht is. Het beroep is ongegrond verklaard, en eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de weigering van de verklaring van geen bezwaar voor pleegzorg wegens onvoldoende onderbouwing van verbetering in opvoedsituatie.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/5792

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. E.W.J. van Asseldonk),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

(gemachtigde: mr. B. Rijkse).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering om aan eiseres een verklaring van geen bezwaar af te geven voor de plaatsing van een pleegkind bij eiseres. Eiseres is het niet eens met deze afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de staatssecretaris de verklaring van geen bezwaar heeft kunnen weigeren. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De staatssecretaris heeft de aanvraag van eiseres met het besluit van 19 april 2024 afgewezen. Met de beslissing op bezwaar van 11 juli 2024 is de staatssecretaris bij deze afwijzing gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde en de gemachtigde van de staatssecretaris.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiseres heeft zich bij Entrea Lindenhout (Entrea) aangemeld als (aspirant) pleegmoeder. Entrea heeft namens eiseres een verzoek ingediend voor de afgifte van een verklaring van geen bezwaar voor het opvangen van pleegkinderen.
3.1.
De Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) heeft, namens de staatsecretaris, onderzoek gedaan naar de vraag of een verklaring van geen bezwaar kan worden afgegeven aan eiseres. Hiervoor heeft de Raad informatie ingewonnen uit de Basisregistratie personen (BRP), het Justitiële Documentatie Systeem (JDS) en het eigen archief van de Raad: fysieke en elektronische dossiergegevens in het Kinderbescherming Bedrijfs Processen Systeem (KBPS). Daarnaast heeft de Raad een gesprek met eiseres gevoerd en contact gehad met de huisarts van eiseres. De Raad is tot de conclusie gekomen dat uit het KBPS en het gesprek met eiseres risico’s zijn gebleken die (mogelijk) gevaar opleveren voor het welzijn van een eventueel te plaatsen pleegkind. De Raad heeft om die reden geen verklaring van geen bezwaar afgegeven. Deze afwijzing is in de beslissing op bezwaar in stand gebleven.
Toetsingskader
4. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, van de Jeugdwet sluit de pleegzorgaanbieder een pleegcontract met een pleegouder indien deze beschikt over een verklaring van geen bezwaar die is afgegeven door de Raad. Uit de verklaring blijkt dat er geen bezwarende feiten en omstandigheden zijn voor de plaatsing van een jeugdige. Deze voorwaarde is van overeenkomstige toepassing op alle personen van twaalf jaar en ouder die als inwonenden op het adres van de pleegouder staan ingeschreven. De verklaring is vereist voorafgaand aan de plaatsing van een eerste jeugdige, bij een wisseling van pleegzorgaanbieder, bij de komst van nieuwe inwonenden en indien de pleegouder gedurende twee jaren geen pleegouder is geweest.
4.1.
De Raad hanteert beleidsregels over hoe getoetst moet worden of er bezwarende feiten en omstandigheden zijn voor de plaatsing van een jeugdige. Deze zijn opgenomen in het protocol Afstand, Screening, adoptie en Afstammingsvragen (het ASAA) van december 2021, paragraaf 2.2 en 2.3. Hierin staat dat een justitiële screening plaatsvindt, waarbij gekeken wordt in de BRP, het JDS en het eigen archief van de Raad. De verklaring wordt afgegeven, tenzij de ingewonnen informatie duidt op zodanige gedragingen, mentaliteit of omstandigheden van (een van) de aspirant-pleegouders, andere gezinsleden of bewoners, dat plaatsing van een pleegkind een gevaar voor het welzijn van deze minderjarige zou opleveren. Dit gevaar is in beginsel aanwezig indien sprake is geweest van:
- eerdere contacten van de Raad met het beoogde pleeggezin in verzorgings- of opvoedingsproblematiek;
- een strafrechtelijke afdoening inzake geweldsdelicten, ernstige vermogensdelicten en oplichtingsmisdrijven;
- strafrechtelijke afdoeningen van overtredingen van zodanige aard en/of frequentie dat hieruit een gering verantwoordelijkheidsbesef blijkt;
- zaken, ook als deze geseponeerd zijn, die aanleiding geven tot mogelijke bijzondere risico’s zoals verdenking van zedenmisdrijven of kindermishandeling.
Heeft de staatssecretaris de verklaring van geen bezwaar kunnen weigeren?
5. Eiseres voert aan dat de afwijzing in grote mate is gericht op het verleden en dat er te weinig rekening is gehouden met de stappen die zij sindsdien heeft gemaakt. In de periode van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de dochter van eiseres ervaarde eiseres veel onrust door de bemoeienis van haar moeder en ex-partner. Inmiddels heeft eiseres geen contact meer met haar ouders en is haar ex-partner overleden. Nu eiseres geen bemoeienis meer ervaart van deze familieleden, staat zij veel sterker in haar schoenen. Eiseres meent dat zij pleegkinderen een stabiele thuissituatie kan geven. Eiseres geeft aan dat juist haar ervaring met haar dochter haar hierbij kan helpen. Zij weet daardoor hoe ze met psychische problematiek bij kinderen en jongvolwassenen moet omgaan.
5.1.
De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat bij het screenen van pleegouders altijd naar het verleden moet worden gekeken. Dit volgt uit het ASAA. Als er in het verleden sprake is geweest van verzorgings- of opvoedingsproblematiek bij eigen kinderen van de aspirant pleegouder, dan moet dat besproken worden met degene die pleegouder wil worden. Indien sprake is geweest van kinderbeschermingsmaatregelen, dan staat vast dat er sprake is geweest van een situatie waarin destijds door de aspirant pleegouder onvoldoende aan de belangen van de eigen kinderen tegemoet kon worden gekomen. Bekeken en beoordeeld dient te worden hoe de situatie toen was, wat er nu anders is aan de situatie en de vaardigheden van de betreffende aspirant pleegouder, en hoe voorkomen kan worden dat dezelfde zorgen van vroeger nogmaals ontstaan. Volgens de staatssecretaris kan alleen op deze wijze een adequate en actuele veiligheidsinschatting gemaakt worden. Om de ontwikkeling van kwetsbare pleegkinderen ten goede te keren en volledig aan de meestal gecompliceerde opvoedingsvraag te kunnen voldoen, dient het pleeggezin feitelijk vrij te zijn van belastende factoren. Volgens de staatssecretaris is dit bij eiseres niet het geval, gelet op de langdurige en forse zorgen die er in het verleden zijn geweest over de opvoedsituatie van de eigen dochter van eiseres, over de opvoedvaardigheden en de psychische gesteldheid van eiseres, en gelet op haar belastbaarheid met als gevolg een jarenlange ondertoezichtstelling van haar dochter. Deze zorgen worden door eiseres niet erkend en zijn tijdens het onderzoek of tijdens de bezwaarschriftenprocedure niet weggenomen.
5.2.
De beroepsgrond slaagt niet. De staatssecretaris heeft het ASAA gevolgd en heeft voorafgaand aan het besluit met eiseres gesproken over de situatie. Daarbij is ingegaan op de verzorgings- en opvoedproblematiek in het verleden met haar dochter. Ook is er gesproken over hoe het nu met eiseres gaat. Eiseres stelt weliswaar dat zij een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt, maar zij heeft onvoldoende laten zien hoe zij gaat voorkomen dat zij weer in een situatie belandt zoals in het verleden met haar dochter. De staatssecretaris heeft de verklaring van geen bezwaar daarom kunnen weigeren.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat de weigering een verklaring van geen bezwaar af te geven om aspirant pleegouder te worden in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Stroink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.