ECLI:NL:RBGEL:2026:1251

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
05/082819-25; 05/012800-24 (tul)
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 47 SrArt. 77c SrArt. 77g Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen poging zware mishandeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving met onvoorwaardelijke PIJ-maatregel

Op 17 maart 2025 mishandelden verdachte en een medeverdachte het slachtoffer gedurende ruim anderhalf uur op een voetbalveld in Groesbeek. Het slachtoffer werd geslagen, geschopt, vastgehouden, gedwongen zich te ontkleden en vernederd, waarbij ook bedreigingen werden geuit. Het slachtoffer liep ernstig letsel op, waaronder een gebroken neusbeen en othematoom.

De rechtbank sprak verdachte vrij van poging tot doodslag wegens gebrek aan bewijs van opzet, maar achtte bewezen dat verdachte medepleegde aan poging tot zware mishandeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving. Verdachte werkte nauw samen met de medeverdachte en gebruikte gezamenlijk geweld en bedreigingen.

Gezien de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder een licht verstandelijke beperking en gedragsstoornissen, en het hoge recidiverisico, paste de rechtbank het adolescentenstrafrecht toe. De rechtbank legde een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel van drie jaar op, met een mogelijke verlenging tot zeven jaar, en een jeugddetentie van negen maanden met aftrek van voorarrest.

Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van € 2.750 aan smartengeld aan het slachtoffer, vermeerderd met wettelijke rente. De vordering voor toekomstige schade werd niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank wees een verzoek tot omzetting van een voorwaardelijke werkstraf naar jeugddetentie af vanwege de PIJ-maatregel.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot negen maanden jeugddetentie en een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel van drie jaar wegens medeplegen van poging tot zware mishandeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/082819-25; 05/012800-24 (tul).
Datum uitspraak : 29 januari 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2006 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] ,
op dit moment gedetineerd in de [plaats] .
Raadsvrouw: mr. J.E.W. Jansen, advocaat in Zutphen.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 17 maart 2025 te Groesbeek, gemeente Berg en Dal tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] (medebewoner van de instelling
[instelling] ) opzettelijk van het leven te beroven,
- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, in het gezicht en/of tegen het hoofd heeft/hebben geschopt en/of getrapt (terwijl die [slachtoffer] op de rug op de grond lag) en/of
- meermalen, althans eenmaal, op de rug van die [slachtoffer] is/zijn gaan staan en/of op/tegen de rug van die [slachtoffer] heeft/hebben getrapt en/of
- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, op/tegen de nek en/of de rug en/of de borst en/of in de zij, althans tegen het lichaam heeft/hebben geschopt en/of getrapt en/of
- bij die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, een nekklem en/of wurggreep om de nek en/of de hals heeft/hebben aangelegd en/of met de hand de keel en/of hals dicht heeft/hebben geknepen en/of daarbij druk uitgeoefend en/of
- die [slachtoffer] gedwongen zich geheel te ontkleden bij een lage buitentemperatuur (van rond het vriespunt) en/of gedurende een langere periode hem ontkleed te laten en/of (vervolgens) hem
heeft/hebben overgoten met een vloeistof (bier en/of urine) en/of
- meermalen, althans eenmaal, met een kapot geslagen bierfles in/op het lichaam van die [slachtoffer] heeft hebben gesneden en/of gestoken en/of
- meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer] de bedreigende woorden heeft/hebben toegevoegd: “Ik ga jou doodmaken, hoor jij mij?” en/of “nog een keer en ik maak je fucking dood.”, althans
woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 17 maart 2025 te Groesbeek, gemeente Berg en Dal ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer] (medebewoner van de instelling [instelling] )
opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer]
- meermalen, althans eenmaal, in het gezicht en/of tegen het hoofd heeft/hebben getrapt en/of geschopt (terwijl die [slachtoffer] op de rug op de grond lag) en/of
- meermalen, althans eenmaal, op de rug van die [slachtoffer] is/zijn gaan staan en/of op/tegen de rug van die [slachtoffer] heeft/hebben getrapt en/of
- meermalen, althans eenmaal, op/tegen de nek en/of de rug en/of de borst en/of in de zij, althans tegen het lichaam heeft/hebben getrapt en/of geschopt (terwijl die [slachtoffer] op de rug op de grond lag) en/of
- meermalen, althans eenmaal, een nekklem en/of wurggreep om de nek en/of de hals heeft/hebben aangelegd en/of met de handde keel en/of hals heeft/hebben dichtgeknepen en/of daarbij druk heeft/hebben uitgeoefend en/of bij/aan de haren heeft/hebben vastgepakt en/of vastgegrepen en/of getrokken en/of die [slachtoffer] aan de haren omhoog heeft/hebben getrokken
en/of
- meermalen, althans eenmaal, op/tegen het gezicht en/of het oor, althans het hoofd heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of
- meermalen, althans eenmaal, brandende sigarettenpeuken op het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben (uit) gedrukt en/of
- meermalen, althans eenmaal, met een kapot geslagen bierfles in/op het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben gesneden en/of gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op of omstreeks 17 maart 2025 te Groesbeek, gemeente Berg en Dal tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] (medebewoner van instelling [instelling] ) wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden,
door gedurende een lange periode (ongeveer twee uur)
- die [slachtoffer] vast te pakken en/of vast te houden en/of
- op die [slachtoffer] te gaan zitten en/of
- die [slachtoffer] te dwingen op zijn knieën te gaan zitten met zijn handen op de rug en/of
- die [slachtoffer] te dwingen op zijn rug te gaan liggen en/of
- die [slachtoffer] in een nekklem en/of wurggreep te houden en/of
- die [slachtoffer] te schoppen en/of te trappen tegen het hoofd en/of het lichaam en/of
- die [slachtoffer] , terwijl hij wegvluchtte en/of wegrende, onderuit te schoppen en/of te trappen en/of
- door voorbij te gaan aan de verzoeken van die [slachtoffer] , waarin die [slachtoffer] vraagt of hij weg mag en/of
- die [slachtoffer] te zeggen niet weg te mogen en/of niet weg te mogen rennen en/of dat die [slachtoffer] moet blijven liggen en/of
- meermalen, althans eenmaal, tegen die [slachtoffer] te zeggen dat hij dood gaat of dood gemaakt gaat worden.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende ten aanzien van feit 1 en feit 2, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 17 maart 2025 waren aangever [slachtoffer] (verder: [slachtoffer] ) verdachte en medeverdachte [medeverdachte] (verder: [medeverdachte] ) in de avond samen in de dug-out op het voetbalveld van [instelling] . Op het moment dat [slachtoffer] weg wilde lopen werd hij door [medeverdachte] op de grond gegooid. [medeverdachte] greep [slachtoffer] met zijn arm van achteren om zijn nek. Vervolgens werd [slachtoffer] zowel door verdachte als door [medeverdachte] het voetbalveld op getrokken aan zijn armen. [medeverdachte] probeerde [slachtoffer] meerdere malen op de grond te houden en hij duwde [slachtoffer] meerdere keren omver. Verdachte heeft [slachtoffer] hierna meerdere keren met gebalde vuist op zijn hoofd geslagen, waarbij hij vijf á zes keer op het linkeroog en het jukbeen van [slachtoffer] sloeg. Op het moment dat dit gebeurde werd [slachtoffer] de gehele tijd door [medeverdachte] vastgehouden. Hierna werd [slachtoffer] in zijn rechterzij geschopt door verdachte. Hierbij werd hij ongeveer tien keer geraakt. [slachtoffer] moest vervolgens op zijn knieën gaan zitten en zijn kleding uitdoen, waardoor hij helemaal naakt was. [medeverdachte] begon op dit moment met filmen. Zowel verdachte als [medeverdachte] zeiden dat als [slachtoffer] aangifte zou doen, ze hem en zijn moeder zouden neersteken. [medeverdachte] stond op enig moment achter [slachtoffer] toen hij op zijn knieën zat, waarbij [slachtoffer] een warme vloeistof over zijn rug voelde lopen. Verdachte greep [slachtoffer] vervolgens met één hand bij zijn keel vast, waardoor [slachtoffer] bijna geen lucht meer kreeg. [2] [slachtoffer] is gedurende de mishandelingen twee of drie keer knock-out geweest. [slachtoffer] wilde weg, maar dit kon niet, omdat hij werd vastgehouden. [3] Verdachte heeft [slachtoffer] aan zijn haren overeind getrokken [4] en heeft hem geslagen met de platte hand in zijn gezicht. Verdachte en [medeverdachte] hebben [slachtoffer] meerdere keren geschopt. Dit was tegen zijn been, zijn buik, zijn rug en in zijn zij. Hierbij is ook het hoofd van [slachtoffer] geraakt. Er is daarbij een voet op de rug van [slachtoffer] gezet waarna er een afdruk op zijn rug te zien was. Het trappen gebeurde ook toen [slachtoffer] op de grond lag. Verdachte heeft [slachtoffer] met zijn handen bij zijn keel vastgepakt en vastgehouden en hij heeft zijn armen om de keel van [slachtoffer] gedaan. [slachtoffer] is met scherven van een kapot gegooid bierflesje bekrast. [medeverdachte] heeft [slachtoffer] geschopt, geslagen en een peuk op de buik van [slachtoffer] gedrukt. Ook heeft [medeverdachte] [slachtoffer] vastgehouden en over hem heen geplast. [5] De mishandelingen hebben ongeveer één uur en veertig minuten geduurd. [6] Zowel verdachte als [medeverdachte] hebben bedreigingen richting [slachtoffer] geuit. [7] Ze hebben beiden gezegd tegen [slachtoffer] dat hij dood gaat of dood gemaakt gaat worden. [8]
Toen [slachtoffer] verdachte en [medeverdachte] van zich af had weten te duwen, lukte het hem om weg te rennen. [slachtoffer] was ongeveer om 02:30 uur weer terug op de groep. [9]
Letsel
[slachtoffer] heeft een gebroken neusbeen en een bloeding in beide oorschelpen (othematoom) opgelopen, waarvoor bij het linker oor een medische ingreep nodig was. Daarnaast bevonden zich over het gehele lichaam van [slachtoffer] meerdere bloeduitstortingen, krasverwondingen en schaafverwondingen. [10]
Het gebroken neusbot kon worden behandeld zonder operatie. De bloeduitstorting in de oorschelp behoefde een medische specialistische behandeling (ontlasten van de bloeduitstorting) om versterf van het kraakbeen van het oor (bloemkooloor) te voorkomen. De bloeduitstortingen van het oogwit en onder het oog genezen zonder blijvende schade, evenals de bloeduitstortingen en schaaf-krasverwondingen op het lichaam. [11]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 primair en het onder feit 2 ten laste gelegde.
Het standpunt van de verdediging
Verdachte heeft ten aanzien van een deel van de verweten gedragingen betwist dat hij die heeft gedaan. De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair ten laste gelegde, wegens het ontbreken van (voorwaardelijk) opzet op de dood van aangever. Ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair en het onder feit 2 ten laste gelegde refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
Verdachte heeft betwist dat hij een brandende sigarettenpeuk op het lichaam van die [slachtoffer] heeft gedrukt. [slachtoffer] heeft verklaard dat zowel verdachte als [medeverdachte] een sigaret op zijn huid hebben uitgedrukt toen hij naakt op zijn knieën op de grond zat. Verdachte drukte de sigaret uit op zijn sleutelbeen en [medeverdachte] drukte de sigaret uit op zijn hals. [12] De rechtbank acht de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar, temeer nu een groot deel van de door hem beschreven mishandelingen wordt bevestigd door de uitgekeken beelden en de verklaringen van [medeverdachte] en verdachte. Ook [medeverdachte] verklaart dat hij heeft gezien dat [verdachte] een peuk uitdrukte op het lichaam van [slachtoffer] . De rechtbank acht daarmee bewezen dat niet alleen [medeverdachte] , maar ook verdachte een brandende peuk heeft gedrukt op het lichaam van [slachtoffer] .
Gezien het letsel aan het oor en uit het feit dat uit de beelden blijkt dat [slachtoffer] door verdachte in zijn gezicht wordt geslagen, ineen duikt zegt 'wacht ffe, mijn oor, mijn oor' en dan naar zijn oor grijpt [13] acht de rechtbank ook bewezen dat [slachtoffer] tijdens de geweldsuitoefening door verdachte tegen zijn oor is geslagen.
Tussenconclusie (feit 1)
Uit vaststaande feiten en de bewijsmiddelen volgt dat verdachte en [medeverdachte] meerdere geweldshandelingen hebben verricht. Zij hebben [slachtoffer] meerdere malen geslagen, gestompt, geschopt en getrapt, waarbij [slachtoffer] is geraakt op zijn hoofd, gezicht, oren, hals, rug, buik en zij. Verder is een zogenoemde ‘nekklem’ aangelegd, is [slachtoffer] door verdachte in een wurggreep gehouden en hebben verdachte en [medeverdachte] aangever met de hand bij zijn keel gepakt. Tot slot is aangever door hen bij zijn haren omhoog getrokken, is er door zowel [medeverdachte] als verdachte een brandende peuk op hem gedrukt en is hij bekrast met scherven van een bierfles. Gedurende een tijdsbestek van in ieder geval een uur en veertig minuten zijn door verdachte en [medeverdachte] geweldshandelingen verricht ten aanzien van [slachtoffer] . Ondanks dat [slachtoffer] meerdere keren vroeg of zij wilden stoppen, gingen zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte] door.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is hoe het handelen van verdachte juridisch moet worden geduid.
Vrijspraak van poging doodslag (primair)
Uit het dossier volgt niet dat verdachte als doel had om [slachtoffer] te doden. Vol opzet kan daarom niet bewezen worden. De rechtbank is van oordeel dat evenmin kan worden vastgesteld dat door het handelen verdachte, al dan niet in vereniging met [medeverdachte] , een aanmerkelijk kans ontstond dat [slachtoffer] daardoor zou overlijden en dat verdachte die kans voor lief heeft genomen.
Daarbij overweegt de rechtbank dat uit de bewijsmiddelen wel volgt dat door verdachte en [medeverdachte] fors geweld is toegepast op [slachtoffer] , door op zijn hoofd en lichaam te slaan, te stompen, te schoppen en door [slachtoffer] bij zijn hals/keel te pakken, maar dat het dossier onvoldoende informatie bevat om te kunnen vaststellen dat daardoor in de gegeven concrete omstandigheden een aanmerkelijke kans ontstond op zijn dood. Niet is komen vast te staan waar [slachtoffer] precies op het hoofd en het lichaam is geraakt en met welke intensiteit dit is gebeurd. In de forensisch medische letselrapportage van het Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau FMO is onder meer beschreven wat meer in zijn algemeen de gevaarzetting was van de toegepaste geweldshandelingen en het opgetreden letsel. Hieruit valt echter niet concreet af te leiden dat de kans op het intreden van de dood als gevolg van het handelen van verdachten aanmerkelijk was. Anders dan door de officier van justitie is betoogd, acht de rechtbank daarom voorwaardelijk opzet op de dood niet bewezen.
De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij van de onder feit 1, primair ten laste gelegde poging tot doodslag.
Poging tot zware mishandeling (subsidiair)
Verdachte heeft [slachtoffer] samen met [medeverdachte] meermaals tegen zijn hoofd, zijnde een kwetsbaar onderdeel van het lichaam, en zijn lichaam geslagen en geschopt. Daar komt bij dat [slachtoffer] door verdachte en [medeverdachte] in een nekklem en wurggreep is gehouden. Verdachte kon zich hierbij op meerdere momenten niet verweren, omdat hij werd vastgehouden. [slachtoffer] liep door het toegepaste geweld onder andere een neusbreuk, een bloeduitstorting in het oog en een othematoom in beide oorschelpen op. Voor het othematoom in zijn linker oor was medisch ingrijpen noodzakelijk. Gelet op de veelheid aan geweldshandelingen en de lange duur waarin de handelingen hebben plaatsgevonden, is de rechtbank van oordeel dat de aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer] daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Verdachte heeft deze kans – naar de uiterlijke verschijningsvorm van zijn handelen – bewust aanvaard.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde, te weten: poging tot zware mishandeling, wettig en overtuigend bewezen.
Vrijspraak voorbedachte raad:
De rechtbank is van oordeel dat uit de genoemde bewijsmiddelen niet, althans onvoldoende volgt dat de verdachte een vooropgezet plan had om [slachtoffer] zwaar te mishandelen. Communicatie tussen verdachte en [medeverdachte] , voorafgaand aan het delict, bevat weliswaar aanwijzingen die zien op een intentie om [slachtoffer] te mishandelen, maar niet dat dit erop gericht was om zwaar letsel toe te brengen. Dit betekent dat verdachte voor dit deel van de tenlastelegging wordt vrijgesproken.
Wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 2)
Verdachte heeft erkend dat hij [slachtoffer] heeft vastgehouden, zijn armen om diens keel heeft gedaan om hem onder controle te houden en heeft gezegd dat [slachtoffer] op zijn knieën moest zittenen. Hij heeft verklaard dat [medeverdachte] [slachtoffer] tegenhield om weg te gaan, dat [medeverdachte] [slachtoffer] als hij wegrende achterna rende, op hem ging zitten en ging slaan ‘en zo’ [14] .
Hij betwist echter met zoveel woorden dat hijzelf [slachtoffer] heeft belet weg te gaan.
[slachtoffer] heeft verklaard dat zowel [medeverdachte] achter hem aan zijn gerend toen hij, voordat de mishandeling begon weg wilde lopen en dat ze hem beide aan een arm terug het veld in trokken [15] . Tijdens de mishandeling was hij bang en wilde hij weg maar dat kon niet want ‘ze’ hielden hem vast [16] .
Op de telefoon van [medeverdachte] zijn elf filmpjes gevonden waarop de mishandeling en overige gedragingen richting [slachtoffer] te zien zijn. Verdachte heeft bevestigd dat hij op die beelden te zien is. [17] De filmpjes zijn door de politie uitgekeken en beschreven. Op de beelden hebben verbalisanten [slachtoffer] , verdachte en [medeverdachte] herkend. Verbalisanten hebben van hun waarnemingen van de beelden onder meer het volgende beschreven waarbij zij [slachtoffer] , verdachte en [medeverdachte] respectievelijk aanduiden als het slachtoffer, VE1 en VE2:
“Ik hoorde [slachtoffer] zeggen 'Wollah, ik wil niet meer'.
(…)
Ik zie dat het slachtoffer wegloopt;Ik zie VE1 achter het slachtoffer aanlopen en hoor hem zeggen 'Niks sorry, niks sorry';Ik zie dat VE1 een harde schop aan het slachtoffer geeft. Ik hoor dat de trap het lichaam raakt door een harde tik;
(…)
Ik zie dat het slachtoffer wegrent;Ik hoor VE1 roepen 'Rennen [naam], rennen';Ik zie dat het slachtoffer een stuk wegrend.;Ik zie dat VE1 en VE2 achter het slachtoffer aanrennen;Ik zie het slachtoffer door een poortje rennen en hierna op de grond vallen;Ik zie VE1 bovenop het slachtoffer springen;Ik hoor het slachtoffer gillen.
(…)
Ik zie dat VE1 van het slachtoffer af gaat;Ik zie het slachtoffer op de grond zitten;Ik zie dat het slachtoffer in elkaar gedoken zit met zijn handen in elkaar;Ik hoor het slachtoffer 'ik blijf zitten' zeggen;Ik hoor het slachtoffer 'Sorry [verdachte] maar ik durf echt niet meer' zeggen;Ik hoor VE1 'je gaat niet rennen' zeggen.” [18]
Conclusie
De rechtbank acht op basis van deze bewijsmiddelen en de genoemde vaststaande feiten wettig en overtuigend bewezen dat [slachtoffer] van zijn vrijheid is beroofd en ook enige tijd beroofd is gehouden. [slachtoffer] werd immers, met toepassing van geweld en bedreigingen, gedurende ruim een uur en veertig minuten vastgehouden op het voetbalveld. Naar het oordeel van de rechtbank was dit ook wederrechtelijk. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte daar net zozeer aan heeft bijgedragen als [medeverdachte] . Verdachte en medeverdachte hebben [slachtoffer] aan zijn armen het voetbalveld opgetrokken om vervolgens fors geweld op hem toe te passen. [slachtoffer] is daarbij vastgehouden, zodat hij niet weg kon lopen. Als hij poogde weg te lopen, rende verdachte dan wel [medeverdachte] achter hem aan. Daarbij hebben verdachte en [medeverdachte] ook bovenop [slachtoffer] gezeten. Daarnaast werd door verdachte en [medeverdachte] een dreigende sfeer gecreëerd door bedreigingen te uiten richting [slachtoffer] , die onder meer inhielden dat ze [slachtoffer] ‘fucking dood’ zouden maken. Naast het feit dat [slachtoffer] zich fysiek niet aan de situatie kon onttrekken, doordat hij werd vastgehouden, acht de rechtbank bewezen dat hij zich ook niet durfde te onttrekken aan de situatie door de dreigende sfeer die door bedreigingen als voorgaande door verdachte en [medeverdachte] was gecreëerd.
De rechtbank acht hiermee bewezen dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd.
Medeplegen (feit 1 en feit 2)
De rechtbank is tot slot van oordeel dat verdachte en [medeverdachte] bewust en nauw hebben samengewerkt, zowel als het gaat om de poging tot zware mishandeling als bij de wederrechtelijke vrijheidsberoving. Zij hebben beiden gezamenlijk en afwisselend veelvuldig geweld gebruikt tegen [slachtoffer] . [slachtoffer] werd gedurende een tijdsbestek van een uur en 40 minuten vastgehouden en tegengehouden door de een, terwijl hij door de ander zwaar werd mishandeld en bedreigd.
Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake was van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 subsidiair en onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op
of omstreeks17 maart 2025 te Groesbeek, gemeente Berg en Dal ter uitvoering van het door verdachte en
/ofzijn mededader voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een
of meerander
en,
althans alleen,aan [slachtoffer]
(medebewoner van de instelling [instelling]
)
opzettelijk
en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
doordie [slachtoffer]
- meermalen,
althans eenmaal,in het gezicht en
/oftegen het hoofd
heeft/hebben getrapt en
/ofgeschopt
(terwijl die [slachtoffer] op de rug op de grond lag
)en
/of
- meermalen,
althans eenmaal,op de rug van die [slachtoffer] is/zijn gaan staan en
/ofop/tegen de rug van die [slachtoffer]
heeft/hebben getrapt en
/of
- meermalen,
althans eenmaal,op/tegen de nek en/of de rug en/of de borst en/of in de zij,
althans tegen het lichaam heeft/hebben getrapt en
/ofgeschopt (terwijl die [slachtoffer] op de rug op de grond lag) en
/of
- meermalen,
althans eenmaal,een nekklem en
/ofwurggreep om de nek en
/ofde hals
heeft/hebben aangelegd en
/ofmet de hand de keel
en/of hals heeft/hebben dichtgeknepen en
/ofdaarbij druk
heeft/hebben uitgeoefend en
/of bij/aan de haren
heeft/hebben vastgepakt en
/ofvastgegrepen en
/ofgetrokken en
/ofdie [slachtoffer] aan de haren omhoog
heeft/hebben getrokken
en
/of
- meermalen,
althans eenmaal,op/tegen het gezicht en
/ofhet oor
, althans het hoofd heeft/hebben geslagen en
/ofgestompt en
/of
- meermalen,
althans eenmaal,brandende sigarettenpeuken op het lichaam van die [slachtoffer]
heeft/hebben (uit) gedrukt en
/of
- meermalen,
althans eenmaal,met een kapot geslagen bierfles in/op het lichaam van die [slachtoffer]
heeft/hebben gesneden
en/of gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op
of omstreeks17 maart 2025 te Groesbeek, gemeente Berg en Dal tezamen en in vereniging met een
ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] (medebewoner van instelling [instelling] ) wederrechtelijk van de vrijheid
heeft/hebben beroofd en
/ofberoofd gehouden,
door gedurende een lange periode (ongeveer twee uur)
- die [slachtoffer] vast te pakken en
/ofvast te houden en
/of
- op die [slachtoffer] te gaan zitten en
/of
- die [slachtoffer] te dwingen op zijn knieën te gaan zitten met zijn handen op de rug en
/of
- die [slachtoffer] te dwingen op zijn rug te gaan liggen en
/of
- die [slachtoffer] in een nekklem en
/ofwurggreep te houden en
/of
- die [slachtoffer] te schoppen en
/ofte trappen tegen het hoofd en
/ofhet lichaam en
/of
- die [slachtoffer] , terwijl hij wegvluchtte
en/of wegrende, onderuit te schoppen
en/of te trappenen
/of
- door voorbij te gaan aan de verzoeken van die [slachtoffer] , waarin die [slachtoffer] vraagt of hij weg mag en
/of
- die [slachtoffer] te zeggen niet weg te mogen en/of niet weg te mogen rennen en
/ofdat die [slachtoffer] moet blijven liggen en
/of
- meermalen,
althans eenmaal,tegen die [slachtoffer] te zeggen dat hij dood gaat of dood gemaakt gaat worden.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1 subsidiair:
medeplegen van poging tot zware mishandeling;
feit 2:
medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 15 maanden met aftrek. Daarnaast vordert de officier van justitie oplegging van de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat toepassing moet worden gegeven aan het jeugdstrafrecht op grond van de persoonlijkheid van verdachte en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht om de door de deskundigen ingenomen standpunten ten aanzien van de toerekenbaarheid over te nemen en de feiten aan verdachte in verminderde mate toe te rekenen. Verder heeft de raadsvrouw bepleit dat aan verdachte een voorwaardelijke PIJ-maatregel moet worden opgelegd. Verdachte heeft niet eerder een strikt strafrechtelijk kader gehad waarbij hij zich aan voorwaarden moest houden. Hij is hiertoe in staat, onder andere omdat het gevolgen zal hebben wanneer hij dit niet doet en omdat hij heeft ingezien dat hij hulp nodig heeft. Een onvoorwaardelijke PIJ is een ultimum remedium en dient pas aan de orde te komen als alle andere mogelijkheden zijn uitgeput. De verdediging meent dat er minder vergaande mogelijkheden zijn om de noodzakelijke behandeling en begeleiding in te zetten, namelijk door middel van bijzondere voorwaarden in het kader van een voorwaardelijke PIJ-maatregel. Tot slot heeft de raadsvrouw verzocht om aan verdachte een jeugddetentie op te leggen die gelijk is aan de duur van het door verdachte reeds ondergane voorarrest.
De beoordeling door de rechtbank
Toepassing adolescentenstrafrecht
Uitgangspunt is dat een verdachte die op het moment van het strafbare feit meerderjarig is volgens het volwassenenstrafrecht wordt berecht. De rechtbank kan voor een jongvolwassene die de leeftijd van 23 jaar nog niet heeft bereikt, besluiten om het adolescentenstrafrecht (hierna ASR) toe te passen als daarvoor aanleiding is gelet op de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan.
De rechtbank overweegt dat in dit geval diverse factoren pleiten voor toepassing van het ASR. De rechtbank wijst op de relatief jonge leeftijd van verdachte; hij was 18 jaar toen hij de strafbare feiten beging. Daarnaast heeft verdachte volgens de reclassering nog onvoldoende geprofiteerd van pedagogische omgevingen waar hij eerder werd geplaatst. In de levensfase waarin verdachte verkeert, acht de reclassering dit pedagogische klimaat nog steeds passend. Ook wijst de rechtbank op de rapportages van de Pro-Justitia rapporteurs, waaruit volgt dat bij verdachte sprake is van een lichtverstandelijke beperking. Zij beschreven tevens dat sprake is van impulsiviteit bij verdachte, waarbij hij moeilijk de gevolgen van zijn gedrag kan overzien. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat in deze zaak, overeenkomstig het reclasseringsadvies, op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht, het ASR moet worden toegepast.
Ernst van het feit
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich samen met [medeverdachte] schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling en aan wederrechtelijke vrijheidsberoving. Gedurende een ruim anderhalf uur hebben zij [slachtoffer] mishandeld, bedreigd en vernederd. [slachtoffer] kon niet weg en moest hij het geweld dat werd toegepast door verdachte en [medeverdachte] ondergaan. Verdachte heeft [slachtoffer] pijn gedaan en hem welbewust angst aangejaagd. Daarbij werd hij gedwongen zich te ontkleden. Het geweld werd gefilmd en ging gepaard met lachen, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank buitengewoon vernederend is geweest voor [slachtoffer] . Het geheel van de gedragingen kreeg het karakter van een marteling, kennelijk bedoeld om [slachtoffer] te straffen, waarbij de beiden plegers bijzonder weinig compassie hadden met hun slachtoffer. Verdachte heeft met zijn handelen een forse inbreuk gemaakt op diens lichamelijke en geestelijke integriteit. Ook uit de namens [slachtoffer] ingediende vordering blijkt welke impact dit incident op hem heeft gehad.
Justitiële documentatie
Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte van 16 december 2025 volgt dat hij op 1 mei 2024 is veroordeeld door de kinderrechter tot een geheel voorwaardelijke werkstraf met bijzondere voorwaarden wegens vernieling.
Rapportages
In het psychiatrische Pro Justitia rapportage van 9 oktober 2025 en de door de psychiater op 16 januari 2026 beantwoorde vragen van de raadsvrouw is te lezen dat verdachte een beperkte indruk maakt op rapporteur. Zijn reflectieve en mentaliserend vermogen is beperkt. Voorts is volgens de onderzoeker sprake van een beperkt probleembesef en probleeminzicht. De onderzoeker ziet aanwijzingen voor antisociaal gedrag en het bagatelliseren en externaliseren ervan. Ook komt impulsiviteit naar voren. Er is sprake geweest van een onveilige hechting, hetgeen geleid heeft tot de ontwikkeling van gedragsproblemen. Er wordt een normoverschrijdende gedragsstoornis geclassificeerd, een lichtverstandelijke ontwikkelingsstoornis en een ernstige stoornis in het gebruik van alcohol. Er zijn bij verdachte enkele symptomen van PTSS waargenomen, maar in onvoldoende mate om deze te classificeren. De stoornissen waren ook aanwezig ten tijde van de tenlastegelegde gedragingen. De onderzoeker adviseert om de feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog. Er is sprake van complexe problematiek, waarvoor een gedwongen klinische behandeling in een gespecialiseerde gesloten forensische setting noodzakelijk wordt geacht. De onderzoeker adviseert de behandeling te laten plaatsvinden in het kader van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. Verdachte wordt niet in staat geacht om zich aan voorwaarden te houden. Alleen deze vergaande maatregel geeft volgens de onderzoeker voldoende garantie om het gevaar terug te dringen en behandeling en resocialisatie te realiseren.
Uit de psychologische Pro Justitia rapportage van 9 oktober 2025 en de door de psycholoog beantwoorde vragen op 28 januari 2026 blijkt dat verdachte door de onderzoeker wordt omschreven als een jongeman die functioneert op licht verstandelijk beperkt tot laag begaafd niveau, die onwillig, onverschillig en ontwijkend mee heeft gewerkt aan het onderzoek. Verdachte externaliseert volgens de onderzoeker in sterke mate en hij geeft pas openheid van zaken als hij niet meer kan ontkennen. Hij toont voorts geen berouw en geeft geen blijk van empathie. Volgens de onderzoeker functioneert het geweten niet adequaat en is sprake van hechtingsproblematiek, waardoor verdachte emotieregulatieproblemen en gedragsproblemen ontwikkelde. Hij laat zelfbepalend gedrag zien en er is sprake van een gebrekkige frustratietolerantie. De onderzoeker diagnosticeert bij verdachte een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling in de richting van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met paranoïde trekken, een verstandelijke ontwikkelingsstoornis en een stoornis in het gebruik van alcohol. Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog. Geadviseerd wordt om de feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De onderzoeker concludeert dat verdachte niet open staat voor behandeling. Hij heeft geen probleembesef en hij is niet in staat om zich aan voorwaarden te houden. Er is sprake van korte termijn denken, waarbij verdachte enkel geïnteresseerd is in de voor hem minst ingrijpende en kortdurende interventie. Gelet hierop kan een behandeling alleen plaatsvinden in een gedwongen kader in een instelling met een hoog beveiligingsniveau, waardoor geadviseerd wordt om een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel aan verdachte op te leggen.
De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 15 januari 2026. Hieruit volgt dat de reclassering zorgen en risico’s ziet op vrijwel alle leefgebieden, waarbij met name de leefgebieden psychosociaal functioneren, sociale contacten, middelengebruik en houding zorgelijk worden geacht. Uit de rapportage blijkt dat behandeling gericht op emotieregulatie en trauma’s van belang wordt geacht. Verdachte stond een geruime tijd niet open voor behandeling, hij bleef zich blijvend hiertegen verzetten. Eerder toezicht en ambulante behandeling hebben volgens de reclassering niet het gewenste effect gesorteerd. Verdachte liet zelfbepalend gedrag zien door weg te lopen en zich te onttrekken aan behandelafspraken en dagbesteding. Daarnaast rapporteert de reclassering dat het zelfreflecterend vermogen van verdachte beperkt is en hij nauwelijks berouw toont voor het tenlastegelegde. Verdachte kan oorzaak en gevolg van zijn gedrag niet overzien, hetgeen de reclassering in combinatie met het impulsieve karakter en beïnvloedbaarheid zorgelijk vindt. Gesteld wordt dat eerdere pogingen tot gedragsverandering binnen een ambulant kader niet het gewenste effect hebben gehad. Verdachte heeft volgens de reclassering voldoende kansen gekregen, maar hij heeft deze niet willen of weten te benutten. De reclassering ziet daarom geen mogelijkheden om wederom in een voorwaardelijk kader aan gedragsverandering te werken. De reclassering schat in dat het risico op recidive en onttrekken groot is. Om de risico’s te verminderen, schat de reclassering in dat langdurige, intensieve behandeling en begeleiding nodig is in een duidelijk en strak kader, waarbij er minder kans is op onttrekking.
De reclassering ziet op grond van de handelingsvaardigheden van verdachte en de pedagogische beïnvloedingsmogelijkheden indicaties tot toepassing van het jeugdstrafrecht. Verdachte lijkt nog onvoldoende te hebben geprofiteerd van de pedagogische omgevingen waar hij eerder werd geplaatst en de reclassering schat in dat hij nog kan profiteren van een intensieve klinische behandeling binnen een pedagogisch klimaat, hetgeen passend wordt geacht bij de levensfase waarin betrokkene nu verkeert. Geadviseerd wordt om behandeling te laten plaatsvinden in het kader van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. Een strak, intensief en langdurig justitieel kader is volgens hen geïndiceerd om tot gedragsverandering te komen en risico’s te reduceren. Het risico op onttrekken bij een voorwaardelijke PIJ-maatregel is volgens de reclassering te groot, daar eerder is gebleken dat hij zich niet aan voorwaarden weet te houden.
Voorwaardelijk verzoek
Door de raadsvrouw is het verzoek gedaan om de psychiater aanvullend te horen. De rechtbank stelt vast dat door de psychiater een uitgebreide Pro Justitia rapportage is uitgebracht. Daarna is de raadsvrouw in de gelegenheid gesteld om schriftelijk aanvullende vragen te stellen aan de psychiater, die door hem op 16 januari 2026 zijn beantwoord. Daarnaast heeft de raadsvrouw aan de psycholoog – die ter terechtzitting aanwezig was en afstemming heeft gehad met de psychiater ten aanzien van het advies – vragen gesteld, die door haar zijn beantwoord. Door de raadsvrouw is onvoldoende onderbouwd waarom het opnieuw bevragen van de psychiater van belang is voor het beantwoorden van de vragen van artikel 348 en Pro 350 van het Wetboek van Strafvordering. Met name is door de raadsvrouw niet weersproken – dat los van de wil van verdachte – hij niet in staat is zich aan de voorwaarden te houden, gelet op de aanwezige problematiek. Niet gesteld is dat hier door de deskundigen enig onjuist advies over is gegeven.
De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen ten aanzien van de straf en maatregel en is van oordeel dat het opnieuw bevragen van de psychiater niet noodzakelijk is voor de te beantwoorden vragen van artikel 348 en Pro 350 van het Wetboek van Strafvordering.
Beslissing straf en maatregel
PIJ-maatregel
Met inachtneming van het voorgaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel passend. De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen over en rekent de feiten in verminderde mate aan verdachte toe. De rechtbank is van oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van een PIJ-maatregel, zoals vermeld in artikel 77s van het Wetboek van Strafrecht, is voldaan. De bewezenverklaarde feiten zijn ernstige misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Bij de verdachte bestond ten tijde van het begaan van de misdrijven een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens en daarnaast eisen de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van een PIJ-maatregel. Bovendien is deze maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte.
De rechtbank zal aan verdachte een PIJ-maatregel opleggen.
Voornoemde deskundigen achten het van belang dat verdachte een intensieve en passende klinische behandeling zal krijgen voor zijn problematiek. De vraag is of een dergelijke behandeling binnen een voorwaardelijke PIJ-maatregel kan worden vormgegeven– zoals de raadsvrouw voorstelt – wordt door hen negatief beantwoord. De rechtbank ziet daarvoor ook geen aanknopingspunten en overweegt hiertoe als volgt. Er is bij verdachte sprake van complexe problematiek, die naar verwachting een lange behandelduur met zich meebrengt. Daarbij komt dat uit de rapportages van de Pro-Justitia rapporteurs en de reclassering blijkt dat bij verdachte sprake is van onvoldoende probleeminzicht en probleembesef. In het verleden is hij niet afsprakentrouw geweest, heeft hij zich zorgmijdend opgesteld en liet hij zelfbepalend gedrag zien. Verdachte lijkt – mede ingegeven door zijn problematiek – niet in staat om de gevolgen van zijn gedrag te overzien. Het voorgaande maakt dat de rechtbank er geen vertrouwen in heeft dat verdachte zich in de toekomst wel aan voorwaarden weet te houden.
Om verdachte de juiste zorg en begeleiding te bieden en om de kans op herhaling te minimaliseren is een passende behandeling nodig in een voor verdachte duidelijk en strak kader.
Deze behandeling kan - door de complexiteit van de problematiek van verdachte, de duur van de behandeling die dit naar verwachting in beslag zal nemen en de mate van beveiliging die daarbij gewenst is - volgens de rechtbank niet anders plaatsvinden dan binnen de kaders van de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel.
De PIJ-maatregel geldt voor de duur van drie jaar. Na twee jaar eindigt de maatregel voorwaardelijk, tenzij de maatregel wordt verlengd. De rechtbank stelt vast zij de maatregel, gelet op de gepleegde strafbare feiten, oplegt ter zake misdrijven die gericht zijn tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, gelet op het bewezenverklaarde. Dit betekent dat de maatregel verlengd kan worden, telkens met ten hoogste twee jaar en tot een maximum van zeven jaar, zoals bedoeld in artikel 77t, derde lid van het Wetboek van Strafrecht.
Jeugddetentie
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving. Dit zijn – zoals gezegd – ernstige feiten. Het gaat om feiten die een zeer grote impact hebben gehad op het slachtoffer. Gelet hierop acht de rechtbank een forse jeugddetentie passend en geboden. De rechtbank legt, alles afwegende, aan verdachte, naast de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel, een jeugddetentie op voor de duur van 9 maanden met aftrek van de tijd doorgebracht in verzekering en voorlopige hechtenis. Dit betekent dat de duur van de opgelegde jeugddetentie nagenoeg gelijk is aan de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank weegt bij deze straf mee dat de PIJ-maatregel de komende tijd nog veel van verdachte zal vragen. De rechtbank acht het tevens van belang dat verdachte snel aan de slag kan met een behandeling om daarmee te werken aan zijn problematiek en het recidiverisico.
Gelet op de oplegging van de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel wijst de rechtbank het verzoek van de raadsvrouw om de voorlopige hechtenis op te heffen af.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met de feiten 1 en 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 2.750,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente en heeft om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Verder is een voorbehouden bedrag van € 5.000,00 gevorderd aan toekomstige schade.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij van € 2.750,00 kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten bedrage van € 2.750,00 aan immateriële schade moet worden gematigd, gelet op de vrijspraak die bepleit is ten aanzien van het onder feit 1 primair ten laste gelegde. Voorts heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde toekomstige schade van € 5.000,00 moet worden afgewezen. Er is geen onderbouwing voor de eventueel in de toekomst te lijden schade en ook uit de rapportages blijkt niet van enig te verwachten toekomstig letsel.
De beoordeling door de rechtbank
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter terechtzitting is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek valt, waarbij een vergoeding voor immateriële schade aam de orde kan zijn. Door de mishandeling en de wederrechtelijke vrijheidsberoving heeft de benadeelde letsel opgelopen en is hij op andere wijze in de persoon aangetast. Dit is aan verdachte toe te rekenen.
De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van de feiten en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Daarbij heeft de rechtbank -overeenkomstig de aanbevelingen van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht- onder meer gekeken naar de bandbreedtes die zijn genoemd zijn in ‘de Rotterdamse Schaal’. Daarbij wordt in het geval van vrijheidsberoving als uitgangspunt gegaan van een bedrag tot € 3.000,00. Mede gelet op de jeugdige leeftijd van het slachtoffer, de met de vrijheidsberoving gepaard gaande mishandeling en vernederingen acht de rechtbank het gevorderde bedrag billijk en zal zij het smartengeld overeenkomstig de vordering op een bedrag van € 2.750,00 vaststellen.
Toekomstige schade
De schadepost ten aanzien van de mogelijke toekomstige schade kan zonder nader onderzoek, wat een onevenredige belasting van het strafproces op zou leveren, niet worden beoordeeld. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de dit deel van de vordering verklaren. De benadeelde partij kan (dit deel van) de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Verdachte is vanaf 17 maart 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachte(n) ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte de schade heeft vergoed.

9.De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 05/012800-24)

De kinderrechter heeft verdachte op 1 mei 2024 veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf van 30 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
De officier van justitie heeft verzocht om de vordering tenuitvoerlegging toe te wijzen en deze om te zetten naar een jeugddetentie van 15 dagen.
De raadsvrouw heeft bepleit dat de voorwaardelijk opgelegde werkstraf niet moet worden omgezet naar een jeugddetentie. Verder refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen.
Daargelaten dat de omzetting van een taakstraf naar een jeugddetentie – zoals door de officier van justitie is voorgesteld – in deze omstandigheden niet mogelijk is, is de rechtbank van oordeel dat de tenuitvoerlegging van de taakstraf gelet op de oplegging van de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel niet opportuun is.

10.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 77c, 77g, 77i, 77s, 77gg, 282 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

11.De beslissing

De rechtbank:
 spreekt verdachte vrij van het feit 1 primair ten laste gelegde feit;
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot jeugddetentie voor de duur van
9 (negen) maanden;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 legt op de
maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigenvoor de duur van 3 jaren;
 veroordeelt verdachte in verband met het onder feit 1 subsidiair en onder feit 2 tenlastegelegde tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 2.750,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 maart 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;
 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 2.750,00 aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 maart 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kan geen gijzeling worden toegepast;
 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
 bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
 wijst de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter van 1 mei 2025 voorwaardelijk opgelegde werkstraf van 30 uren af (parketnummer 05/012800-24);
 wijst af het verzoek tot
opheffingvan de voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.W.R. Koch (voorzitter), mr. T.P.E.E. van Groeningen en
mr. S.H.W. Martens, rechters, in tegenwoordigheid van L. Willems, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 februari 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer ON5R025016 / 2025120347 (onderzoek Maretak), gesloten op 4 juni 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van aangifte, p. 26-27, proces-verbaal uitkijken beelden p. 127-136.
3.Proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever, p. 34-35.
4.Proces-verbaal verhoor verdachte rechter-commissaris, d.d. 20 maart 2025.
5.Verklaring van verdachte ter terechtzitting, d.d. 29 januari 2026, proces-verbaal van aangifte, p. 26-27. proces-verbaal uitkijken beelden p. 127-136.
6.Proces verbaal van bevindingen, p. 192.
7.Verklaring van verdachte ter terechtzitting, d.d. 29 januari 2026.
8.proces-verbaal uitkijken beelden p. 127-136.
9.Proces-verbaal van aangifte, p. 26-27.
10.Forensisch geneeskundige letselbeschrijving, p. 53-58 (inclusief bijlage, p. 59-90).
11.Forensisch medische letselrapportage van het Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau FMO.
12.Proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever, p. 34-35.
13.Proces-verbaal uitkijken beelden p. 127, 128 en 133.
14.Verklaring van verdachte ter terechtzitting, d.d. 29 januari 2026.
15.Proces-verbaal van aangifte, p. 26-27.
16.Proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever, p. 34-35.
17.Verklaring van verdachte ter terechtzitting, d.d. 29 januari 2026.
18.Proces-verbaal van bevindingen, p. 127-136.