Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:1252

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
11742074
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 AVGArt. 843a RvArt. 6:82 BWArt. 1:445 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid schadevordering AVG wegens kracht van gewijsde eerdere beschikking

Eiser heeft een schadevordering ingesteld tegen gedaagde vanwege het niet verstrekken van bepaalde correspondentie op grond van een AVG-verzoek. Eerder was tussen partijen een procedure gevoerd waarin reeds was geoordeeld over de wijze van uitvoering van het bewind en de verstrekking van correspondentie.

De rechtbank oordeelt dat de eerdere beschikking kracht van gewijsde heeft en dat het huidige geschil grotendeels dezelfde feiten en verwijten betreft als in de eerdere procedure. Hoewel eiser een andere juridische grondslag aanvoert (AVG en artikel 843a Rv), betreft het feitelijk dezelfde rechtsbetrekking.

De rechtbank wijst de vorderingen van eiser af wegens niet-ontvankelijkheid en veroordeelt eiser in de proceskosten. De beslissing voorkomt tegenstrijdige rechterlijke uitspraken en bevestigt dat eenzelfde geschilpunt niet op een andere juridische grondslag opnieuw kan worden voorgelegd.

Uitkomst: De vorderingen van eiser worden afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid op grond van gezag van gewijsde van een eerdere beschikking.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 11742074 \ CV EXPL 25-4856
Vonnis van 18 februari 2026
in de zaak van
[naam eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen
[naam gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. M.D. Reijneveld.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 3 juni 2025;
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek, tevens akte vermeerdering van eis;
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Bij beschikking van 12 december 2008 is [eiser] onder curatele gesteld.
2.2.
De curatele is bij beschikking van 18 mei 2012 omgezet in een onderbewindstelling, met benoeming van [gedaagde] tot bewindvoerder.
2.3.
Bij beschikking van 30 januari 2024 is het bewind met ingang van 1 maart 2024 opgeheven.
2.4.
Op 1 oktober 2024 heeft [eiser] naar [gedaagde] een e-mailbericht gestuurd waarin onder meer het volgende is vermeld:
“Op grond vanArtikel 15 van Pro de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) enArtikel 843a van het Burgerlijk Wetboek, verzoek ik [gedaagde] hierbij om alle correspondentie die tussen uw organisatie en mij heeft plaatsgevonden, waarbij mijn oude e-mailadres ( [email-adress] ) is gebruikt, aan mij en aan de Rechtbank Gelderland (…), te verstrekken.
In het bijzonder verzoek ik om alle correspondentie uit de periode2014-2015waarin wordt gesproken over hetCBR, het Alcoholslotprogramma of termijnbetalingen, inclusief maar niet beperkt tot documenten waarin wordt erkend dat de betaling aan het CBR is vergeten, ongeacht de exacte formulering van deze erkenning.”
2.5.
Op 21, 28 en 29 oktober 2024 heeft [eiser] [gedaagde] herinneringen gestuurd.
2.6.
Op 1 november 2024 heeft [eiser] een klacht over [gedaagde] ingediend bij de Autoriteit Persoonsgegevens.
2.7.
[eiser] heeft op 15 maart 2024 een procedure bij deze rechtbank gestart (10894016 BH VERZ 24-1237), waarin hij heeft verzocht om schadevergoeding wegens de wijze waarop door [gedaagde] bewind is gevoerd en verzocht om afgifte van diverse stukken. Op 31 januari 2025 is in die procedure een beschikking gewezen (hierna: de schadebeschikking).
2.8.
Bij brieven van 21 maart 2025 en 30 april 2025 heeft [eiser] [gedaagde] in gebreke gesteld. In laatstgenoemde brief heeft [eiser] ook aanspraak gemaakt op een schadevergoeding van € 1.325,-.
2.9.
[eiser] heeft een herroepingsprocedure gestart ten aanzien van de beschikking van 31 januari 2025. Op 18 april 2025 is daarin een beschikking gewezen waarin - samengevat - [eiser] niet-ontvankelijk is verklaard.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat – uitvoerbaar bij voorraad, dat de kantonrechter:
voor recht verklaart dat [gedaagde] in verzuim is wegens schending van de artikelen 12, 15 en 5 lid 1 AVG, artikel 843a RV en artikel 6:82 BW Pro;
[gedaagde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 1.325,00 aan schadevergoeding, althans een door de kantonrechter te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 maart 2025;
[gedaagde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 198,75 aan buitengerechtelijke incassokosten;
[gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat hij op 1 oktober 2024 bij [gedaagde] een verzoek tot inzage in zijn persoonsgegevens heeft ingediend. Daarop heeft hij, ondanks herhaalde herinnering, geen reactie ontvangen. De structurele weigering om inzage te verlenen en het negeren van zijn verzoek door [gedaagde] zorgt voor stress en beperkt hem ernstig in zijn rechtspositie. De daardoor ontstane schade moet [gedaagde] vergoeden, aldus [eiser] .
3.3.
[gedaagde] voert verweer. Zij voert - samengevat - aan dat in de schadebeschikking al is geoordeeld over het inzageverzoek en het verzoek om immateriële schadevergoeding, dat aan het inzageverzoek is voldaan en dat er geen sprake is van schade. De schadebeschikking heeft gezag van gewijsde en [eiser] moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Voor het geval de vorderingen wel inhoudelijk worden beoordeeld voert [gedaagde] aan dat geen sprake is van schade (die voor vergoeding in aanmerking komt). De vorderingen van [eiser] moeten dan worden afgewezen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] is dat in een eerdere procedure al is geoordeeld over de vorderingen van [eiser] , dat de betreffende uitspraak gezag van gewijsde heeft en dat [eiser] daarom in zijn vorderingen niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Door een nieuwe procedure te starten maakt hij misbruik van recht. [eiser] heeft hiertegen aangevoerd dat daar geen sprake van is, omdat in de schadebeschikking is geoordeeld over de aansprakelijkheid in het kader van de bewindvoering en niet over het inzagerecht of toepassing van artikel 15 AVG Pro.
4.2.
Artikel 236 Rv Pro bepaalt dat beslissingen die “de rechtsbetrekking in geschil” betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht hebben. Dat betekent dat de rechten en verplichtingen die het voorwerp zijn van de rechtsstrijd waarop is beslist, niet nogmaals het voorwerp van een andere procedure kunnen worden. Het gezag van gewijsde kan worden ingeroepen als in een geding tussen dezelfde partijen eenzelfde geschilpunt wordt voorgelegd als in een eerder geding en daarover in het dictum is beslist. Het gezag van gewijsde kan er evenwel niet aan in de weg staan dat in een ander geding dezelfde of een soortgelijke vordering wordt ingesteld op basis van een andere grondslag, waarover de rechter zich nog niet heeft uitgelaten. Dit geldt ongeacht of deze andere grondslag ook reeds in de eerdere procedure aangevoerd had kunnen worden. Het antwoord op de vraag of in het eerdere geding sprake is geweest van beslissingen aangaande een geschilpunt dat dezelfde rechtsbetrekking betreft als in het andere geding, is afhankelijk van de grondslag van de vordering of het verweer, het processuele debat en de gegeven beslissingen. Dat vergt uitleg van de in de eerdere procedure gedane uitspraak, mede in het licht van de gedingstukken waarop die uitspraak berust (zie ECLI:NL:HR:2020:2099). Kortgezegd gaat het erom of de beslissing in de eerste procedure in de weg staat aan een nieuw oordeel over de rechtsbetrekking, in die zin dat dit nieuwe oordeel zou kunnen leiden tot een uitspraak die zich naar zijn uitkomst niet met de eerdere uitspraak verdraagt. Hoewel artikel 236 Rv Pro is geschreven voor vonnissen, leent het zich voor analoge toepassing bij beschikkingen.
4.3.
Vast staat dat het geschil dat heeft geleid tot de schadebeschikking dezelfde partijen betreft als onderhavige procedure, dat geen van partijen hoger beroep tegen de schadebeschikking heeft ingesteld en dat [eiser] in de herroepingsprocedure niet-ontvankelijk is verklaard. Dat betekent dat de schadebeschikking kracht van gewijsde heeft en [gedaagde] een beroep kan doen op het gezag van gewijsde van beslissingen uit de schadebeschikking.
4.4.
Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of de beslissingen in de schadebeschikking om hetzelfde geschil gingen als nu aan de orde is. De rechtsbetrekking die tussen partijen in de schadebeschikking in geschil was betrof de wijze van uitvoering van het bewind. Het geschil had betrekking op de vraag of [gedaagde] tekort was geschoten in de zorg van een goed bewindvoerder, of zij bepaalde correspondentie diende te overleggen en of [eiser] door het eventuele tekortschieten schade had geleden. In onderhavige zaak vordert [eiser] schadevergoeding omdat [gedaagde] weigert bepaalde correspondentie te overleggen. [gedaagde] voert onweersproken aan dat [eiser] middels het AVG-verzoek dezelfde correspondentie opvraagt als die welke hij in de procedure die heeft geleid tot de schadebeschikking, ook heeft opgevraagd. Deze stukken heeft [gedaagde] , behoudens de stukken waarover zij niet beschikt, allemaal aan [eiser] verstrekt.
4.5.
Uit het AVG-verzoek, zoals hiervoor in randnummer 2.4. geformuleerd, blijkt dat [eiser] vraagt om correspondentie waarbij zijn oude e-mailadres is gebruikt en om alle correspondentie uit de periode 2014-2015 over het CBR, het alcoholslotprogramma of termijnbetalingen. In de schadebeschikking is daarover als volgt geoordeeld:
“Van de mogelijkheid om jaarlijks de rekening en verantwoording te bespreken, heeft verzoeker destijds expliciet geen gebruik willen maken en hij heeft de rekening en verantwoordingen bewust niet getekend. De kantonrechter ziet geen aanleiding en acht het onredelijk om thans over te gaan tot onderzoek over dezelfde tijdsruimte van bijna 12 jaar. De kantonrechter zal in dat kader eveneens het verzoek afwijzen om [gedaagde] op te dragen alle correspondentie met een bepaald e-mailadres van verzoeker enerzijds en [gedaagde] anderzijds te verstrekken.
(…)
Gebleken is dat alle brieven van het CBR over het ASP (de brief over de oplegging van het ASP, de betalingsherinneringen en de brief over de ongeldigverklaring) door het CBR naar het huisadres van verzoeker zijn gestuurd. (…)
Verzoeker stelt dat [gedaagde] de gestelde fout heeft erkend. Het is aan hem om dat te bewijzen. Verzoeker kan de mail waarnaar hij verwijst niet overleggen. Dat behoort tot zijn risico. [gedaagde] heeft in haar mail van 2 april 2015 al aan verzoeker laten weten dat zij van mening was dat verzoeker de factuur niet aan haar had doorgestuurd. Het had op de weg van verzoeker gelegen om [gedaagde] toen te wijzen op de thans gestelde erkenning en te zorgen voor het bewaren van die mail. De kantonrechter ziet geen aanleiding de voormalig bewindvoerder die mail te laten overleggen.
(…)
Volgens artikel 1:445 BW Pro kan verzoeker na het einde van het bewind nogmaals over dezelfde tijdsruimte rekening en verantwoording vragen, maar alleen voor zover dit niet onredelijk is. Hetgeen verzoeker in deze procedure van de bewindvoerder verwacht, grenst aan het onredelijke. Desalniettemin heeft de voormalig bewindvoerder verzoeker alsnog toegang verstrekt tot vrijwel de gehele administratie van het bewind, een enorm aantal documenten, bijna vanaf het begin van het bewind. De verwachtingen die verzoeker heeft van het bewind en zijn bewindvoerder zijn groter dan wat de kantonrechter van een bewindvoerder verwacht.”
4.6.
[eiser] heeft in de onderhavige procedure niet verzocht [gedaagde] te veroordelen om correspondentie te overleggen waarbij zijn oude e-mailadres is gebruikt en alle correspondentie uit de periode 2014-2015 over het CBR, het alcoholslotprogramma of termijnbetalingen, maar zijn schadevordering is daar wel op gebaseerd. [eiser] vordert immers vergoeding van de schade die hij stelt te hebben geleden doordat [gedaagde] weigert de genoemde stukken aan [eiser] te verstrekken. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] daarmee de feitelijke grondslag herhaalt waarover in de schadebeschikking al afwijzend is geoordeeld. Dat betekent dat onderhavige procedure (grotendeels) over dezelfde feiten en verwijten gaat als de procedure die heeft geleid tot de schadebeschikking en dat daarover in de schadebeschikking al is beslist. Die beslissing heeft tussen partijen gezag van gewijsde en kan dus, ter voorkoming van tegenstrijdige rechterlijke beslissingen, niet worden aangetast. De omstandigheid dat [eiser] in deze procedure een andere grondslag aanvoert, namelijk de bepalingen van het AVG en artikel 843a Rv in plaats van de bepalingen omtrent de rekening en verantwoording en aansprakelijkheid van een bewindvoerder op grond van het Burgerlijk Wetboek, maakt het oordeel niet anders. Hetzelfde geschilpunt kan niet op een andere juridische grondslag opnieuw aan de rechter worden voorgelegd.
4.6.
Onder omstandigheden kan eenzelfde of deels zelfde vordering wel worden ingesteld op basis van een andere feitelijke grondslag, waarover de rechter zich nog niet heeft uitgelaten. In dit verband voert [eiser] aan dat in de schadebeschikking de feiten dat hij bij [gedaagde] een AVG-verzoek heeft ingediend en dat hij over [gedaagde] een klacht heeft ingediend bij de Autoriteit Persoonsgegevens, niet zijn meegenomen. Deze feiten zijn weliswaar niet meegenomen en moeten daardoor als nieuwe feiten worden aangemerkt, maar dit kan [eiser] in dit verband ook niet baten. Deze feiten zien slechts op de wijze waarop [eiser] heeft getracht de door hem gewenste informatie te verkrijgen, hetgeen van ondergeschikt belang is voor het uiteindelijke oordeel. De door [eiser] in onderhavige procedure genoemde feiten zouden niet tot een ander oordeel leiden over de vraag of [gedaagde] de door [eiser] gevraagde correspondentie dient te verstrekken.
4.7.
De gehele vordering ziet op het niet verstrekken van correspondentie. Daarover is in de schadebeschikking – samengevat – geoordeeld dat [gedaagde] daartoe niet gehouden is en is overwogen dat zij desondanks toch toegang heeft verstrekt tot vrijwel de gehele administratie. Aangezien de beschikking kracht van gewijsde heeft, is de kantonrechter van oordeel dat de gevorderde verklaring voor recht en de vordering tot schadevordering moeten worden afgewezen.
4.8.
De hoofdvorderingen worden afgewezen. De nevenvorderingen van [eiser] hangen daarmee samen en worden daarom ook afgewezen.
4.9.
[eiser] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
542,50
4.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 542,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als hij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.L. Braaksma en in het openbaar uitgesproken op
18 februari 2026.
47414 \ 66349