ECLI:NL:RBGEL:2026:1261

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
05/187998-25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 96b SvArt. 160 Wegenverkeerswet 1994Art. 2 OpiumwetArt. 10 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor opzettelijk vervoeren en aanwezig hebben van grote hoeveelheden harddrugs

Op 23 april 2024 werd in Nijmegen in de auto waarin verdachte reed een grote hoeveelheid harddrugs aangetroffen, te weten 3153,72 gram GHB, 26,18 gram MDMA en 78,66 gram cocaïne. Verdachte werd beschuldigd van het opzettelijk aanwezig hebben en vervoeren van deze drugs.

De verdediging voerde aan dat er sprake was van een onrechtmatige doorzoeking van de auto, die niet van verdachte was, en dat er geen redelijk vermoeden van schuld bestond. De rechtbank oordeelde echter dat de technische controle en daaropvolgende doorzoeking rechtmatig waren, gelet op de omstandigheden en het gedrag van verdachte, en verwierp het verweer tot bewijsuitsluiting.

De rechtbank stelde vast dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de drugs, mede gelet op zijn zenuwachtig gedrag, het verbergen van iets in de middenconsole en het feit dat hij meerdere telefoons bij zich had. Verdachte werd schuldig bevonden aan het opzettelijk aanwezig hebben en vervoeren van de drugs.

Gezien de ernst van de feiten, de omvang van de drugs en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn jonge leeftijd en het ontbreken van eerdere drugsdelicten, legde de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 3 jaar op, gecombineerd met een onvoorwaardelijke taakstraf van 180 uur. Bij niet-nakoming geldt vervangende hechtenis van 90 dagen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 3 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf en 180 uur taakstraf voor het opzettelijk vervoeren en aanwezig hebben van harddrugs.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats: Arnhem
Parketnummer: 05/187998-25
Datum uitspraak : 29 januari 2026
Tegenspraak (art. 279 Sv Pro)
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2004 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] .
Raadsman: mr. H.J.M. Nijenhuis, advocaat in Nijmegen.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 23 april 2024 te Nijmegen, althans in Nederland, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- ongeveer 3153,72 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende GHB
(gammahydroxyboterzuur) en/of
- ongeveer 26,18 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of
- ongeveer 78,66 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,
zijnde GHB en/of MDMA en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2.Het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting

Het verweer van de verdediging
De raadsman heeft het standpunt ingenomen dat er een onherstelbaar vormverzuim is begaan in het voorbereidende onderzoek naar het aan verdachte ten laste gelegde feit. Er is sprake van een onrechtmatige doorzoeking van de auto waar verdachte op dat moment in reed. Het is niet duidelijk waarom het voertuig moest worden onderworpen aan een technische controle. Daarnaast heeft verdachte niet met zijn handen bij de middenconsole gezeten. De politieagenten hebben dit ook niet kunnen zien omdat verdachte met zijn bovenlijf het zicht blokkeerde. Verder is het stukje plastic dat de politieagenten zouden hebben gezien niet gefotografeerd, waardoor dit niet controleerbaar is. De auto waar verdachte in reed was niet van hem, waardoor verdachte geen toestemming heeft gegeven voor de controle. Tot slot is niet gebleken dat verdachte vervelend deed tijdens een eerdere verkeerscontrole.
Daardoor was er bij de doorzoeking onvoldoende informatie bij de politie voorhanden op basis waarvan er een redelijk vermoeden van schuld ontstond. Dit vormverzuim is niet herstelbaar en hierdoor is artikel 8 EVRM Pro in aanzienlijke mate geschonden. Verdachte heeft hiervan nadeel ondervonden omdat in het openbaar de auto waar hij in reed werd doorzocht. Omdat het bewijs uit de auto onrechtmatig is verkregen verzoekt de raadsman dit bewijs uit te sluiten.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het onderzoek naar het aan verdachte ten laste gelegde feit. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er slechts beperkte inbreuk is gemaakt op de privacy van verdachte omdat het niet zijn auto was waarin verdachte reed.
De beoordeling door de rechtbank
Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat sprake kan zijn van vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) indien strafprocesrechtelijke geschreven en ongeschreven vormvoorschriften in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte niet zijn nageleefd. De rechtbank kan rechtsgevolgen verbinden aan zo’n vormverzuim, maar er ook voor kiezen te volstaan met de constatering van het vormverzuim. Bij het beantwoorden van de vraag of aan een vormverzuim een rechtsgevolg moet worden verbonden en zo ja, welk rechtsgevolg dat dan zou moeten zijn, houdt de rechtbank rekening met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de omstandigheden waaronder het vormverzuim is begaan en het door verdachte als gevolg van het verzuim geleden nadeel.
Uit het procesdossier is gebleken dat verbalisanten verdachte zagen rijden in een personenauto terwijl hij een mobiele telefoon in zijn hand vasthield en hem een stopteken gaven. Eén van de verbalisanten heeft de auto bekeken en zag dat de voorbanden versleten waren. Daarna zag de verbalisant dat verdachte geen autogordel droeg en dat de gesp was bevestigd in de gesphouder zonder dat de gordel daaraan vastzat. Het is de verbalisant ambtshalve bekend dat criminelen vaak de gesp hebben bevestigd zonder de gordel om snel uit de auto te kunnen ontsnappen. Vervolgens hebben de verbalisanten een technische controle aan het voertuig uitgevoerd. Verdachte gaf hiervoor geen toestemming. De verbalisanten hebben opgemerkt dat zij aan de lichaamshouding van verdachte zagen dat hij zenuwachtig was. Hij was aan het transpireren en aan het stotteren. Verder probeerde verdachte iemand te bellen. De verbalisanten vroegen verdachte om de autosleutel waarna verdachte het voertuig in ging met zijn bovenlichaam. Hij pakte zijn tasje, maar het leek voor de verbalisanten alsof hij iets verborg. Daarna pakte verdachte zijn autosleutel uit zijn jaszak. De verbalisant heeft daarna gezien dat verdachte in het bezit was van twee telefoons. De verbalisant heeft tijdens de technische controle naar de middenconsole gekeken. Hij zag dat er een stuk plastic uitstak. Het is de verbalisant ambtshalve bekend dat de middenconsole vaak gebruikt wordt als verstopplek voor verboden middelen. Hij heeft aan de middenconsole gevoeld die loszat en er zat een kier in. Verdachte riep naar de kapper en omstanders: ‘Bel me broer’. Op basis van deze omstandigheden hebben de verbalisanten op basis van artikel 96b van het Wetboek van Strafvordering (Sv) de auto doorzocht. In de middenconsole werd harddrugs aangetroffen.
De rechtbank stelt voorop dat verbalisanten op grond van artikel 160 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 een technische controle kunnen uitvoeren aan een personenauto. Dit is een handeling van de verbalisanten ter controle, niet ter opsporing. Dit is in de onderhavige zaak ook gebeurd. De technische controle kan zonder aanleiding of verdenking worden uitgevoerd.
Daarnaast kan, gelet op het verweer van de verdediging, voor ieder afzonderlijke omstandigheid waarop het redelijk vermoeden van schuld (dat was ontstaan bij de verdachte) is gebaseerd, weliswaar een andere verklaring worden gevonden, maar alle feiten en omstandigheden moeten in onderlinge samenhang in de concrete situatie worden bezien. Wegens de uitvoerige beschrijving van die feiten en omstandigheden door de politie kunnen die omstandigheden zoals geverbaliseerd, in hun onderlinge samenhang bezien, leiden tot een gerechtvaardigd vermoeden van schuld waarna een doorzoeking op grond van artikel 96b Sv kan plaatsvinden.
Alles overwegend wordt het verweer van de verdediging strekkende tot bewijsuitsluiting verworpen nu er geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim.
3. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 23 april 2024 in Nijmegen werden in de auto waarin verdachte reed drugs aangetroffen. [2] De politie heeft in de middenconsole van de auto 3153,72 gram GHB [3] , 26,18 gram MDMA [4] en 78,66 gram cocaïne [5] aangetroffen.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het aanwezig hebben en vervoeren van de tenlastegelegde drugs.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gesteld dat er weliswaar drugs in de auto zijn aangetroffen, maar verdachte had hier geen wetenschap van. De auto waarin verdachte reed was niet van hem. Verder zijn er ook geen sporen van verdachte aangetroffen op de drugs. Er is weliswaar onbekend DNA op het verpakkingsmateriaal aangetroffen, maar dit was van een vrouw.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de harddrugs, te weten 3153,72 gram GHB, 26,18 gram MDMA en 78,66 gram cocaïne, in de auto waarin hij reed.
Tijdens de controle, zoals hierboven aangehaald in de vaststaande feiten, hebben de verbalisanten meerdere gedragingen en omstandigheden aan verdachte opgemerkt alvorens zij de auto gingen doorzoeken waarna zij harddrugs in de middenconsole vonden. De verbalisanten hebben verklaard dat verdachte verbaal aangaf geen technische controle van de auto te willen alsmede fysiek voor de deuropening ging staan. Verdachte was zenuwachtig, ging stotteren en transpireren tijdens de technische controle. Tijdens het eerdere bekeuringsgesprek kwam verdachte zakelijk en zelfverzekerd over. Verdachte boog met zijn bovenlichaam in de auto en verrichtte een handeling bij de middenconsole die leek op het verbergen van iets. Verdachte was in het bezit van twee telefoons en werd continu gebeld. De middenconsole van de auto zat los en kon bewegen. Verdachte droeg geen gordel, maar had wel de gesp zonder gordel in de houder geklikt. Daarnaast riep verdachte meerdere malen in de richting van de kapper aan de Willemsweg dat zij zijn broer moesten bellen. Verdachte had eerder een controle geweigerd. De verbalisanten hebben verklaard dat het hen ambtshalve bekend is dat criminelen hun gordel op die wijze in de auto bevestigen om snel de auto te kunnen verlaten, meerdere telefoons bij zich dragen en de middenconsole gebruiken als verstopplek voor verboden middelen. [6]
Verdachte heeft verklaard dat hij de auto waarin hij rond reed, geleend had van de moeder van een vriend. Hij leende de desbetreffende auto vaker. [7] Verdachte heeft verder verklaard geen wetenschap te hebben gehad van de aanwezigheid van de harddrugs in de middenconsole.
De harddrugs zijn aangetroffen in de auto waarin verdachte op dat moment reed. De rechtbank zal de vraag moeten beantwoorden of verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van de harddrugs in de middenconsole. De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte geen wetenschap had van de harddrugs in de auto omdat zijn DNA hierop niet is aangetroffen en de auto waarin hij reed niet van hem was. De rechtbank gaat niet mee in dit verweer. De rechtbank neemt in ogenschouw dat verdachte zonder gordel, waarbij de gesp wel was bevestigd, rondreed. Daarnaast had verdachte twee telefoons waarop hij continu gebeld werd en weigerde hij consequent een technische controle van het voertuig. Tijdens de technische controle ging verdachte stotteren en transpireren, terwijl verdachte tijdens het bekeuringsgesprek - vanwege de mobiele telefoon in zijn handen - nog zakelijk en zelfverzekerd overkwam. Verder greep hij richting de middenconsole, waar verbalisanten opmerken dat het leek alsof verdachte iets verborg. In deze middenconsole, waarvan de verbalisanten zagen dat deze los zat, werden de harddrugs aangetroffen. Tot slot riep verdachte ook meerdere malen richting de kapper dat zij zijn broer moesten bellen. Gelet op al deze omstandigheden, in hun onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verdachte wetenschap had van de harddrugs in de middenconsole en bewust deze harddrugs aanwezig heeft gehad en vervoerd.
De rechtbank acht verdachte schuldig aan het opzettelijk aanwezig hebben van en het vervoeren van de, in de tenlastelegging opgenomen, hoeveelheden GHB, MDMA en cocaïne.

4.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks23 april 2024 te Nijmegen
, althans in Nederland,opzettelijk heeft
bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/ofvervoerd,
in elk geval opzettelijkenaanwezig heeft gehad,
- ongeveer 3153,72 gram
, in elk geval een hoeveelheidvan een materiaal bevattende GHB
(gammahydroxyboterzuur) en
/of
- ongeveer 26,18 gram,
in elk geval een hoeveelheidvan een materiaal bevattende MDMA en
/of
- ongeveer 78,66 gram,
in elk geval een hoeveelheidvan een materiaal bevattende cocaïne,
zijnde GHB en
/ofMDMA en
/ofcocaïne
(telkens
)een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro B en C van de Opiumwet gegeven verbod.

6.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

7.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

8.De overwegingen ten aanzien van straf

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uur, bij niet verrichten te vervangen door 90 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek van voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat een gevangenisstraf funest zou zijn voor de band die deze jonge verdachte heeft met zijn 3-jarig zoontje. Dit is een belangrijke fase in het opgroeien voor de vader-zoonband. Daarnaast is verdachte van carrière gewisseld. Hij zit nu in de opbouwende fase.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank houdt bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd rekening met de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit heeft plaatsgevonden. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank de landelijke oriëntatiepunten en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij rekening wordt gehouden met het strafblad van verdachte.
De ernst van de feiten
Verdachte reed in een auto rond met flinke hoeveelheden GHB, MDMA en cocaïne. Dit zat verstopt in een verborgen ruimte in de middenconsole van de auto. Het is zeer kwalijk en ernstig dat verdachte dergelijke hoeveelheden drugs in een auto aanwezig had en vervoerde. Verdachte heeft geen enkele verantwoording afgelegd voor zijn handelen en niet is gebleken welke rol hij speelde in de drugsketen. Kennelijk heeft verdachte moeite gedaan de drugs aan het zicht te onttrekken tijdens het vervoer door de harddrugs in een geheim vak in de auto te verstoppen. Hij heeft hiermee enkel oog gehad voor zijn eigen financieel gewin en geen rekening gehouden met de schadelijke en nadelige effecten van (hard)drugs. Ook heeft hij zich niet bekommerd om de criminaliteit die gepaard gaat met de handel hierin en het ondermijnende karakter hiervan voor de samenleving waarbij geweld niet wordt geschuwd. Dit zorg voor gevoelens van onveiligheid en onrust. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld, maar niet voor soortgelijke feiten.
De straf
Het uitgangspunt bij dergelijke strafbare feiten van zulke omvang is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Echter, gelet op de jonge leeftijd van verdachte, zijn persoonlijke omstandigheden en omdat hij first offender is op het gebied van drugsfeiten, zal de rechtbank een gevangenisstraf opleggen in geheel voorwaardelijke vorm om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst wederom strafbare feiten te plegen. Om de ernst van het feit tot uitdrukking te brengen zal de rechtbank daarnaast ook een onvoorwaardelijke taakstraf aan verdachte opleggen.
De rechtbank is het eens met de officier van justitie en legt een taakstraf op van 180 uren met aftrek van voorarrest, met dien verstande dat als deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 dagen. Daarnaast legt de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 3 jaren.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen:
- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht;
- 2 en 10 van de Opiumwet.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;
 bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van
de proeftijd van drie jarenschuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
 legt op
een taakstraf van 180 (honderdtachtig) uren,met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 (negentig) dagen;
 beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.S.M. van Bergen (voorzitter), mr. A.J.H. Steenweg en mr. J. Wiersma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Breed, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 januari 2026.
mr. J. Wiersma is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Midden- en Oost Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024184055, gesloten op 19 juni 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van bevindingen, p. 25 t/m 28.
3.NFiDENT rapport, p. 103; NFiDENT rapport, p. 104; NFiDENT rapport, p. 105; NFiDENT rapport, p. 106; NFiDENT rapport, p. 133.
4.NFiDENT rapport, p. 111; NFiDENT rapport, p. 113; NFiDENT rapport, p. 135.
5.NFiDENT rapport, p. 112; NFiDENT rapport, p. 114; NFiDENT rapport, p. 136.
6.Proces-verbaal van bevindingen, p. 25 t/m 28.
7.Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 45.