Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:1267

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
11833722
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:162 BWVerordening (EU) nr. 655/2014
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering bestuurders- en aandeelhoudersaansprakelijkheid wegens onrechtmatig handelen

Werkneemster trad in januari 2024 in dienst bij een BV en werd in maart 2024 ontslagen. Zij vorderde betaling van een eerder toegekende billijke vergoeding van de aandeelhouders en bestuurders van de werkgever, stellende dat zij onrechtmatig hadden gehandeld door onder meer het verplaatsen van de vennootschap en het onttrekken van geld via een buitenlandse bankrekening.

De rechtbank onderscheidde aandeelhoudersaansprakelijkheid en bestuurdersaansprakelijkheid. Voor aandeelhoudersaansprakelijkheid is vereist dat de aandeelhouders onrechtmatig handelen, wat hier niet is vastgesteld. Het verplaatsen van de vennootschap was een bestuurdersbeslissing en niet onrechtmatig. Ook het gebruik van een Litouwse bankrekening was niet onrechtmatig, mede vanwege EU-regelgeving.

Ten aanzien van bestuurdersaansprakelijkheid oordeelde de rechtbank dat geen persoonlijk ernstig verwijt kon worden gemaakt aan de bestuurders. De verhuizing van de vennootschap vond plaats nadat de bestuurders waren overgedragen, en er was onvoldoende bewijs van samenwerking met een bestuurder met een strafrechtelijk verleden.

De vordering werd afgewezen en de werkneemster werd veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Vordering van werkneemster tot bestuurders- en aandeelhoudersaansprakelijkheid wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van onrechtmatig handelen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Apeldoorn
Zaaknummer: 11833722 \ CV EXPL 25-2490
Vonnis van 4 februari 2026
in de zaak van
[eiseres],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. L.H. Toonen,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

te [woonplaats] ,
2.
[gedaagde 2],
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: [gedaagden] ,
gemachtigde: mr. G.F.M.G. Heutink.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 24 september 2025
- de mondelinge behandeling van 4 december 2025, ter gelegenheid waarvan beide gemachtigden spreekaantekeningen hebben voorgedragen en waarvan voor het overige door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiseres] is met ingang van 15 januari 2024 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in dienst getreden bij [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ).
2.2.
Van 1 maart 2024 tot 1 augustus 2024 was [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ) bestuurder van [bedrijf 1] . Per 1 augustus 2024 is [naam 1] bestuurder van [bedrijf 1] .
2.3.
Vanaf 14 februari 2020 tot 19 november 2024 was [gedaagde 2] enig aandeelhouder van [bedrijf 1] . Op 19 november 2024 heeft [gedaagde 2] haar aandelen voor € 1,00 overgedragen aan [naam 1] .
2.4.
Op 9 april 2024 was [bedrijf 1] volgens het handelsregister van de Kamer van Koophandel gevestigd op het adres [adres 1] . Op 18 juni 2024 is [bedrijf 1] volgens het handelsregister van de KvK gevestigd op het adres [adres 2] .
2.5.
Op 11 maart 2024 heeft [bedrijf 1] de arbeidsovereenkomst met [eiseres] met onmiddellijke ingang beëindigd.
2.6.
Op 3 mei 2024 heeft [eiseres] de kantonrechter verzocht te verklaren voor recht dat de opzegging van 11 maart 2024 niet rechtsgeldig was en een billijke vergoeding toe te kennen.
2.7.
Op de mondelinge behandeling op 20 juni 2024 is [bedrijf 1] , ondanks behoorlijke oproeping, niet verschenen.
2.8.
Bij beschikking van 4 juli 2024 heeft de kantonrechter geoordeeld dat [bedrijf 1] de arbeidsovereenkomst in strijd met de wet heeft opgezegd en [bedrijf 1] veroordeeld tot betaling van onder meer een billijke vergoeding. In totaal is [bedrijf 1] veroordeeld toe een bedrag van
€ 19.036,84.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert - samengevat - dat de kantonrechter [gedaagden] hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 19.036,84 plus € 3.000,00 aan deurwaarders- en advocaatkosten en € 965,37 aan buitengerechtelijke incassokosten, met hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] in de kosten van de procedure.
3.2.
[eiseres] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagden] hebben als aandeelhouder van [bedrijf 1] onrechtmatig tegenover [eiseres] gehandeld. [gedaagden] hebben gebruik gemaakt van een B.V. opkoper waarbij [bedrijf 1] tijdens de procedure over de rechtmatigheid van het ontslag is verplaatst naar een bedrijventerrein met garageboxen. Hierdoor hebben [gedaagden] het voor [eiseres] opzettelijk onmogelijk gemaakt de beschikking van 4 juli 2024 ten uitvoer te leggen. [eiseres] heeft daarnaast aangevoerd dat [gedaagden] als bestuurder aansprakelijk zijn. Daarvoor heeft [eiseres] aangevoerd dat [gedaagden] een handelwijze hebben bewerkstelligd of toegelaten, waarvan zij wisten of behoorden te begrijpen dat dit tot gevolg zou hebben dat [bedrijf 1] haar verplichtingen niet zou nakomen en geen verhaal zou bieden voor de schade van [eiseres] . [gedaagden] valt hiervan een ernstig persoonlijk verwijt te maken. [gedaagden] moeten daarom - als aandeelhouder of als bestuurder - de schade die [eiseres] hierdoor lijdt aan haar vergoeden. De schade bestaat uit de aan haar toegekende bedragen in de beschikking van 4 juli 2024, vermeerderd met deurwaarders- en advocaatkosten en buitengerechtelijke incassokosten.
3.3.
[gedaagden] voeren verweer. [gedaagden] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Hoewel [eiseres] haar vordering in de dagvaarding baseert op de aansprakelijkheid van [gedaagden] als aandeelhouder, volgt uit de spreekaantekeningen en wat [eiseres] verder tijdens de mondelinge behandeling heeft aangevoerd, dat zij haar vordering ook baseert op de stelling dat [gedaagden] als bestuurders van [bedrijf 1] aansprakelijk zijn. Omdat de norm voor aandeelhoudersaansprakelijkheid anders is dan die van bestuurdersaansprakelijkheid, zullen beide grondslagen hierna afzonderlijk worden behandeld.
Aandeelhoudersaansprakelijkheid
4.2.
Uitgangspunt binnen het rechtspersonenrecht is dat een aandeelhouder in zijn hoedanigheid van aandeelhouder niet aansprakelijk kan worden gehouden, omdat de rechtspersoon in beginsel zelf aansprakelijk is voor de schulden van die vennootschap. Ondanks dit uitgangspunt zijn er bijzondere omstandigheden waaronder de aandeelhouder toch aansprakelijk kan zijn, namelijk als de aandeelhouder onrechtmatig handelt tegenover een ander als gevolg waarvan deze ander schade lijdt. Beoordeeld zal daarom worden of de handelingen van [gedaagden] een onrechtmatige daad tegenover [eiseres] opleveren en of [eiseres] als gevolg daarvan schade lijdt.
4.3.
[eiseres] stelt dat [gedaagden] onrechtmatig tegenover haar hebben gehandeld. Door [bedrijf 1] tijdens de ontslagprocedure te verhuizen naar een bedrijventerreinmet garageboxen in [plaats] , hebben [gedaagden] de verhaalsmogelijkheden van [eiseres] beperkt en hebben zij [eiseres] willens en wetens benadeeld, aldus [eiseres] . Verder heeft [gedaagde 2] haar aandelen voor € 1,00 verkocht aan [naam 1] . [naam 1] is sinds 16 juni 2024 ook de bestuurder van [bedrijf 3] (sinds 1 maart 2024 de bestuurder van [bedrijf 1] ). Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] aangevoerd dat er na de datum van de beschikking van de kantonrechter bedragen zijn betaald aan [bedrijf 1] op een rekening van Revolut Bank UAB, een Litouwse bank. Hiermee hebben [gedaagden] volgens [eiseres] op een in bepaalde structuren bekende manier geld buiten het zicht van Nederlandse schuldeisers (en dus ook van [eiseres] ) gebracht.
4.4.
[eiseres] heeft hiermee onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan [gedaagden] als aandeelhouder van [bedrijf 1] aansprakelijk zijn uit onrechtmatige daad. Dit oordeel wordt als volgt toegelicht. Het feit dat een vennootschap haar vestiging verplaatst naar een adres waar alleen garageboxen te vinden zijn, is op zichzelf niet onrechtmatig. Verder is op dit punt van belang dat [gedaagden] onbetwist hebben aangevoerd dat het ‘verhuizen’ van de vestigingsplaats van een vennootschap geen aandeelhoudersbeslissing is, maar een bestuurdersbeslissing. Op het moment van verplaatsing was [bedrijf 3] bestuurder van [bedrijf 1] , zodat er van moet worden uitgegaan dat [bedrijf 3] deze beslissing heeft genomen. Dat [gedaagden] hadden kunnen weten dat [bedrijf 3] [bedrijf 1] zou verhuizen of dat zij daarin als aandeelhouder enige stem hebben gehad, is niet onderbouwd.
Dat [gedaagden] als aandeelhouder van [bedrijf 1] geld buiten het zicht van [eiseres] hebben gebracht door facturen te laten betalen op een Litouwse bankrekening van [bedrijf 1] , is zonder nader toelichting, die ontbreekt, niet te volgen. Litouwen is lid van de Europese Unie en op grond van de ‘Verordening (EU) nr. 655/2014’ van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van een procedure betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen om de grensoverschrijdende inning van schuldvorderingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken (de ‘European Account Preservation Order’ EAPO) had [eiseres] (ook executoriaal) beslag kunnen laten leggen op de Litouwse bankrekening van [bedrijf 1] .
Ten slotte heeft de verkoop van de aandelen door [gedaagden] aan [naam 1] pas plaatsgevonden op 19 november 2024, zodat niet valt in te zien dat zij hierdoor als aandeelhouder onrechtmatig tegenover [eiseres] hebben gehandeld.
4.5.
Op grond van het voorgaande kan niet worden vastgesteld dat [gedaagden] als aandeelhouder onrechtmatig hebben gehandeld tegenover [eiseres] . Dat brengt mee dat de gestelde aandeelhoudersaansprakelijkheid de vordering van [eiseres] niet kan dragen.
Bestuurdersaansprakelijkheid
4.6.
Ook de bestuurdersaansprakelijkheid is gebaseerd op de onrechtmatige daad. De Hoge Raad heeft in zijn arrest Ontvanger/Roelofsen [1] overwogen dat wanneer het gaat over de aansprakelijkheid van een bestuurder van een rechtspersoon ten opzichte van een derde wiens vordering op die rechtspersoon onbetaald en onverhaald is gebleven, vereist is dat de bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt valt te maken.
4.7.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [bedrijf 3] half maart 2024 met terugwerkende kracht per 1 maart 2024 het bestuurderschap heeft overgenomen van [gedaagde 2] . Op het moment dat [eiseres] werd ontslagen (11 maart 2024) was [gedaagde 2] juridisch geen bestuurder, maar feitelijk wel. Ook ten aanzien van feitelijk bestuurders geldt dat zij aansprakelijk kunnen worden gehouden voor schulden van de vennootschap als aan de hiervoor omschreven aansprakelijkheidsnorm is voldaan.
4.8.
[eiseres] heeft gesteld dat [gedaagden] (als bestuurder) een handelwijze van [bedrijf 1] hebben bewerkstelligd of toegelaten, waarvan [gedaagden] wisten of behoorde te begrijpen dat dit tot gevolg zou hebben dat [bedrijf 1] haar verplichtingen niet na zou komen en ook geen verhaal zou bieden voor de schade. Dit blijkt volgens [eiseres] uit het volgende. [gedaagden] hebben samengewerkt met [naam 2] (hierna: [naam 2] ) terwijl [naam 2] volgens [eiseres] als B.V-handelaar begin 2024 strafrechtelijk is veroordeeld en een bestuurdersverbod opgelegd heeft gekregen.
[gedaagden] wisten of hadden moeten weten dat de vordering van [eiseres] in de ontslagzaak zou worden toegewezen, zodat zij daar bij de verhuizing van [bedrijf 1] en de overdracht van het bestuurderschap rekening hadden moeten houden. Het was evident dat als gevolg van deze handelwijze [bedrijf 1] geen verhaal zou bieden voor [eiseres] .
4.9.
[gedaagden] hebben het bestuurderschap van [bedrijf 1] half maart 2024 overgedragen aan [bedrijf 3] . Uit het handelsregister van de KvK blijkt dat [bedrijf 4] de bestuurder is van [bedrijf 3] en dat [naam 1] op zijn beurt bestuurder is van [bedrijf 4] . Hoewel aan [eiseres] kan worden toegegeven dat het opmerkelijk is dat [naam 2] in de ontslagprocedure (in juni 2024) contact heeft opgenomen met de rechtbank, komt [naam 2] in het handelsregister van de Kamer van Koophandel niet voor als bestuurder van [bedrijf 1] of [bedrijf 3] . Aan slechts het contact met de rechtbank kan naar het oordeel van de kantonrechter niet de conclusie worden verbonden dat [gedaagden] hebben samengewerkt met [naam 2] in de door [eiseres] bedoelde zin.
Dat [gedaagden] zouden hebben geweten dat het verzoek van [eiseres] in de ontslagprocedure zou worden toegewezen, is niet nader onderbouwd. Bovendien is deze wetenschap volgens [eiseres] van belang in die zin dat de verhuizing van [bedrijf 1] achterwege had moeten blijven omdat deze ‘verhuizing’ betekende dat geen verhaal meer mogelijk was op [bedrijf 1] voor [eiseres] . De ‘verhuizing’ van [bedrijf 1] vond echter plaats in juni 2024, toen [gedaagden] geen bestuurder van [bedrijf 1] meer waren. [eiseres] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld dat [gedaagden] moesten voorzien dat [bedrijf 3] [bedrijf 1] zou verhuizen, terwijl bovendien niet valt in te zien dat de enkele verhuizing van [bedrijf 1] heeft geleid tot een beperking van de verhaalsmogelijkheid.
4.10.
De conclusie is dan ook dat [gedaagden] niet onrechtmatig hebben gehandeld en dat [gedaagde 1] geen persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Ook op grond van bestuurdersaansprakelijkheid kan de vordering van [eiseres] niet worden toegewezen.
4.11.
De vordering van [eiseres] zal daarom worden afgewezen.
4.12.
[eiseres] heeft bij een afwijzing van haar vordering verzocht om de proceskosten te compenseren. Hiervoor biedt de wet geen grondslag. [eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
1.086,00
(2 punten × € 543,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.221,00
4.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 1.221,00, te vermeerderen met de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na vandaag zijn betaald en over de kosten van betekening vanaf veertien dagen na die betekening,
5.4.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Engelbert-Clarenbeek en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 18 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758