ECLI:NL:RBGEL:2026:1315

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
C/05/454019 / FZ RK 25-1666
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:266 BWArt. 1:267 BWArt. 1:247 BWArt. 8 EVRMWet verplichte geestelijke gezondheidszorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank oordeelt geen noodzaak tot beëindiging ouderlijk gezag moeder over kind

De rechtbank Gelderland behandelde op 24 februari 2026 een verzoek over de noodzaak tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over haar kind, dat in een pleeggezin bij de oma verblijft. De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling (GI) hadden verschillende standpunten over de noodzaak van gezagsbeëindiging. De Raad vond dat beëindiging niet nodig was, gezien de stabiele situatie en goede samenwerking tussen moeder, oma en GI, terwijl de GI vond dat de moeder door haar psychiatrische problematiek niet in staat is het gezag te dragen.

De moeder erkende haar problematiek maar wilde het gezag behouden en stemde in met het verblijf van het kind bij de oma. De oma wilde eveneens dat de moeder het gezag behoudt. De rechtbank beoordeelde op grond van artikel 1:266 BW Pro en artikel 8 EVRM Pro of het gezag beëindigd moest worden. Er werd vastgesteld dat de moeder het gezag niet misbruikt en dat het kind geen ernstige ontwikkelingsbedreiging ondervindt.

De rechtbank concludeerde dat de huidige situatie, waarin het kind bij de oma woont en de moeder samen met de oma gezagsbeslissingen neemt, geen aanleiding geeft tot beëindiging van het gezag. Wel werd aanbevolen dat de GI een borgingsplan opstelt voor mogelijke toekomstige problemen en dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing periodiek worden geëvalueerd. De rechtbank sprak de beschikking uit dat het gezag van de moeder niet wordt beëindigd.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder niet noodzakelijk is en het gezag blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Zutphen
Zaaknummer: C/05/454019 / FZ RK 25-1666
Datum uitspraak: 24 februari 2026
Beschikking van de rechtbank over de noodzaak van gezagsbeëindiging
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
Oost-Nederland, Arnhem,
hierna te noemen: de Raad,
over
[naam kind], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [het kind] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. F. Pool uit Rotterdam,
[naam oma],
hierna te noemen: de oma,
wonende te [woonplaats] ,
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Gelderland,
gevestigd te Arnhem ,
hierna te noemen: de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 maart 2025;
- het verweerschrift van de moeder van 19 november 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de oma/pleegmoeder;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
2.
De feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [het kind] .
2.2.
[het kind] verblijft in een pleeggezin, bij oma moederszijde.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 18 augustus 2025 de ondertoezichtstelling van [het kind] verlengd tot 6 maart 2026. Bij deze beschikking heeft de kinderrechter ook de machtiging verlengd [het kind] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 6 maart 2026. De beslissing op het overige deel van de verzoeken is aangehouden tot 15 januari 2026 pro forma in afwachting van deze procedure omtrent de gezagspositie van de moeder.
2.4.
De GI die de ondertoezichtstelling over [het kind] uitvoert, heeft de Raad verzocht het oordeel van de rechtbank te vragen, of beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over [het kind] noodzakelijk is.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt de rechtbank te beoordelen of beëindiging van het gezag van de moeder over [het kind] noodzakelijk is.

4.De standpunten

Het standpunt van de Raad
4.1.
De Raad heeft, kort samengevat, in het raadsrapport van 5 maart 2025 aangegeven dat de Raad van mening is dat er geen gezagsbeëindigende maatregel nodig is. Er zijn weliswaar zorgen over de ontwikkeling van [het kind] omdat de moeder een psychiatrisch ziektebeeld heeft waardoor ze [het kind] onvoldoende (emotionele) veiligheid en stabiliteit kan bieden, maar de stabiliteit die [het kind] nodig heeft wordt wel geboden in het gezin van de oma. Er is een goede onderlinge samenwerking tussen de moeder, de oma en de GI, en wat de Raad betreft moet eerst onderzocht worden of er mogelijkheden liggen in het vrijwillige kader. De Raad is van mening dat de aanvaardbare termijn voor [het kind] nog niet is verstreken. Tegelijkertijd geeft de Raad wel aan dat de moeder niet in staat is om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [het kind] binnen een voor [het kind] aanvaardbare termijn te dragen, doordat de moeder kampt met psychiatrische problematiek en daardoor beperkt beschikbaar is voor [het kind] . De moeder stelt zich niet begeleidbaar en behandelbaar op waardoor er geen herstel in haar opvoedrol heeft plaatsgevonden. De moeder erkent niet dat zij ziek en is dat zij niet in staat is om voor [het kind] te zorgen. Dit maakt dat de Raad een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing de geëigende maatregelen vindt om de veiligheid van [het kind] te waarborgen.
4.2.
De Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de Raad blijft bij het standpunt dat een gezagsbeëindiging niet aan de orde is. Er is weliswaar sprake van een kwetsbare situatie van de moeder en de Raad deelt ook deels de zorgen van de GI wel, maar de moeder is goed in de samenwerking met de oma en er is een netwerk betrokken dat meekijkt en meezorgt. Op dit moment ziet de Raad een oma die het goed lukt om samen met de moeder de (gezags)beslissingen te nemen over [het kind] .
Het standpunt van de GI
4.3.
De GI heeft in haar brief van 17 maart 2025, gericht aan de Raad, aangegeven dat zij van mening is dat dat de verantwoordelijkheid van het dragen van het gezag over [het kind] uitgevoerd dient te worden door iemand die in staat is om deze verantwoordelijkheid te dragen. De moeder is wat de GI betreft daartoe niet in staat. Er is sprake van beperkt ziekte-inzicht bij de moeder en zij stelt zich niet begeleidbaar en behandelbaar op waardoor er geen herstel in haar opvoedrol heeft plaatsgevonden. Buiten het dragen van de zorg en opvoeding van [het kind] vindt de moeder het moeilijk om goed voor zichzelf te zorgen en voor zichzelf de juiste keuzes te maken als het aankomt op haar ziekte. Dit baart de GI zorgen als het gaat om het maken van keuzes in het belang van [het kind] . Op het moment dat de beslissingsbevoegdheid over [het kind] elders is belegd, kan onderzocht worden in hoeverre het juridisch kader nog noodzakelijk is of dat afgeschaald kan worden naar het vrijwillig kader. De oma heeft in de afgelopen jaren laten zien dat zij op alle mogelijke manieren de verantwoordelijkheid, zorg en opvoeding voor [het kind] op zich heeft genomen en op een adequate manier vormgeeft. Door de stabiliteit en voorspelbaarheid die [het kind] wordt geboden is zij beter in staat om tot ontwikkeling te komen en hier (kleine) stappen in te zetten. De oma staat open voor hulpverlening, heeft goed contact met de pleegzorgwerker en school en neemt de moeder tevens mee in alles wat [het kind] aangaat. De verwachting is dat wanneer de oma het gezag over [het kind] draagt, zij de moeder op dezelfde manier in het leven van [het kind] blijft betrekken. Dit laatste wordt ook als belangrijk gezien voor de verdere ontwikkeling van [het kind] .
4.4.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de GI toegelicht dat de GI weliswaar van mening is dat de moeder geen misbruik maakt van haar gezagspositie, maar dat neemt niet weg dat er wel nog steeds sprake is van een chronisch psychotische stoornis bij de moeder, een beperking in haar zelfzorg, geen ziekte-inzicht en een gebrek aan structuur. De moeder is tegenstrijdig geweest over of ze haar medicatie blijft nemen als de zorgmachtiging stopt en dat maakt dat er sprake is van een onzeker en onduidelijk beeld. De moeder en de oma zijn goed in contact met elkaar, maar ook daar botst het wel eens. De GI heeft zorgen over of de moeder wel echt begrijpt welke consequenties (eventuele) gezagskeuzes hebben. Wat de GI betreft staat in ieder geval vast dat de moeder blijvend tekortschiet in haar opvoedvaardigheden en de verwachting is niet dat de moeder op een redelijke termijn de zorg over [het kind] alsnog zelf kan dragen. De GI maakt zich ook zorgen over de toekomst als de moeder mogelijk haar medicatie niet meer neemt en achteruit gaat, en welke effecten dat dan heeft op [het kind] . Ook zonder gezag kan de moeder gewoon haar huidige rol blijven vervullen en contact hebben met [het kind] , en dan kan oma de gezagsbeslissingen nemen en kan gekeken worden naar een overdracht van deze casus naar het vrijwillige kader.
Het standpunt van de moeder
4.5.
De moeder voert verweer en verzoekt de rechtbank om het gezag van de moeder over [het kind] niet ambtshalve te beëindigen. De moeder is enerzijds van mening dat de aanvaardbare termijn nog niet is verstreken, en daarnaast is de moeder van mening dat gezagsbeëindiging in strijd is met artikel 8 Europees Pro Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). De moeder stemt in met het verblijf van [het kind] bij de oma en de moeder ziet ook in dat de oma goed voor [het kind] zorgt. Uiteraard koestert de moeder diep van binnen nog altijd de wens om op enig moment weer zelf voor [het kind] te kunnen zorgen, maar zij begrijpt dat dit nu niet mogelijk is. Dat de verwachting niet langer gerechtvaardigd is dat de moeder binnen de voor [het kind] aanvaardbare termijn zelf de opvoeding en verzorging over haar op zich zal kunnen nemen, betwist moeder dan ook niet zozeer. Maar het enkele gegeven dat de aanvaardbare termijn voor [het kind] is verstreken, biedt volgens de moeder op zichzelf staand onvoldoende reden om haar gezag te beëindigen. De moeder wijst erop dat [het kind] geen nadeel ervaart van de wijze waarop de moeder uitvoering geeft aan haar gezag. De moeder staat in goed contact met de oma en zij kunnen samen goed communiceren over belangrijke beslissingen. Zoals de Raad ook aangeeft in het rapport, is het tot op heden gelukt om alle belangrijke gezagsbeslissingen over [het kind] te nemen en wordt [het kind] geenszins belast met het feit dat de moeder het gezag over haar heeft.
4.6.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder haar verweer gehandhaafd. De moeder heeft aangegeven dat ze haar medicatie blijft nemen, ook nu de zorgmachtiging afloopt. De moeder ziet in dat ze die medicatie nodig heeft. De samenwerking met de oma is goed en [het kind] ondervindt er geen hinder van dat de moeder het gezag heeft over haar. Daarnaast heeft de oma voldoende laten zien dat zij het belang van [het kind] strikt bewaakt. Als er in de toekomst zorgen ontstaan, dan kan erop vertrouwd worden dat de oma contact opneemt met de hulpverlening en daarin de juiste keuzes in het belang van [het kind] maakt.
Het standpunt van de oma
4.7.
De oma heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij wil dat de moeder het gezag houdt over [het kind] .

5.De beoordeling

Juridisch kader
5.1.
Op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen, indien:
een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
de ouder het gezag misbruikt.
5.2.
Op grond van artikel 1:267, eerste lid BW kan de beëindiging van het gezag worden uitgesproken op verzoek van de Raad of het Openbaar Ministerie. Tevens is degene die niet de ouder is en de minderjarige gedurende ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, bevoegd tot het doen van het verzoek indien de Raad niet tot een verzoek overgaat.
5.3.
Uit het tweede lid van voormeld artikel volgt dat als de Raad niet tot een verzoek als bedoeld in het eerste lid overgaat nadat hij een verzoek tot onderzoek hiertoe van de GI die de ondertoezichtstelling over de minderjarige uitvoert, heeft ontvangen, hij dit schriftelijk meedeelt aan die GI. De GI kan na ontvangst van die mededeling de Raad verzoeken het oordeel van de rechtbank te vragen of beëindiging van het gezag noodzakelijk is. De Raad die van de GI dat verzoek ontvangt, vraagt binnen twee weken na de dagtekening van dat verzoek het oordeel van de rechtbank of een beëindiging van het gezag moet volgen. In dat geval kan de rechtbank de beëindiging van het gezag ambtshalve uitspreken.
5.4.
Bij de toepassing van artikel 1:266 BW Pro moet ook rekening worden gehouden met artikel 8 EVRM Pro. In het bijzonder de vraag of het beëindigen van het ouderlijk gezag in het belang van het kind noodzakelijk is.
Inhoudelijke beoordeling
5.5.
De rechtbank constateert dat er sprake is van een visieverschil tussen de Raad en de GI over de noodzaak tot een beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over [het kind] . Om die reden heeft de Raad, op verzoek van de GI, op 17 maart 2025 aan de rechtbank verzocht om zich hierover uit te spreken. Gelet hierop kan en zal de rechtbank op grond van artikel 1:267 lid 2 BW Pro zich een oordeel vormen over de noodzaak van een gezagsbeëindiging van de moeder over [het kind] en, indien nodig, ambtshalve daartoe overgaan.
5.6.
Niet gebleken is dat de moeder het gezag misbruikt. De rechtbank dient daarom te beoordelen of wordt voldaan aan de wettelijke grondslag voor beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over [het kind] zoals hiervoor vermeld in artikel 1:266 lid 1 sub a BW Pro en artikel 8 EVRM Pro.
5.7.
De rechtbank is van oordeel dat niet voldaan is aan dit criterium. De rechtbank bepaalt daarom dat er niet moet worden overgegaan tot gezagsbeëindiging van de moeder. De rechtbank zal hieronder uitleggen waarom.
5.8.
Uit de overgelegde stukken en wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken, blijkt dat er bij de moeder sprake is chronische psychiatrische problematiek en dat dat de situatie van de moeder kwetsbaar maakt. [het kind] woont mede daarom al geruime tijd bij de oma, waarbij ook al een tijd sprake is van een ondertoezichtstelling en machtigingen tot uithuisplaatsing. De situatie van de moeder is op dit moment stabiel: zij neemt haar medicatie en de zorgmachtiging die is afgegeven in het kader van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) loopt naar eigen zeggen van de moeder af en wordt niet verlengd. De moeder is in goede samenwerking met de oma en er is sprake van een goed betrokken netwerk. De moeder staat niet volledig achter de plaatsing van [het kind] bij de oma in die zin dat de moeder de wens blijft houden om in de toekomst (ooit) zelf voor [het kind] te kunnen zorgen en zelf de opvoedersrol (weer) op te pakken. Die wens acht de rechtbank begrijpelijk, maar tegelijkertijd staat wel vast dat dat niet gaat gebeuren in de toekomst en dat [het kind] bij de oma blijft wonen. Haar opvoedperspectief ligt bij de oma.
5.9.
Ondanks de diepe wens van de moeder om op termijn zelf voor [het kind] te kunnen zorgen, steunt de moeder de plaatsing van [het kind] bij de oma wel en kan de moeder op haar eigen manier haar rol als moeder invullen. De moeder is in staat om, in samenspraak met de oma, accurate gezagsbeslissingen te nemen over / ten aanzien van [het kind] . Tot nu toe heeft het niet tot problemen geleid dat de moeder ouderlijk gezag heeft over [het kind] .
5.10.
De rechtbank is, met de Raad, van oordeel dat er op dit moment geen noodzaak is voor gezagsbeëindiging. De GI heeft onvoldoende onderbouwd waaruit de ontwikkelingsbedreiging voor [het kind] zou bestaan bij het voortduren van het ouderlijk gezag door de moeder, anders dan dat er in de toekomst mogelijk (wel) problemen zouden kunnen ontstaan. Er is in de huidige opvoedsituatie bovendien niet gebleken van een loyaliteitsconflict of onzekerheid bij [het kind] over haar toekomstperspectief. [het kind] weet dat zij in het gezin van oma blijft wonen.
5.11.
Hoewel in de toekomst kijken niet mogelijk is, verwacht de rechtbank ook niet dat er op (korte) termijn problemen zullen ontstaan ten aanzien van het nemen van (gezags)beslissingen. De rechtbank snapt de door de GI geschetste zorgen wel, maar dat is onvoldoende reden om nu het gezag van de moeder te beëindigen. Het lijkt er op dit moment namelijk (ook) niet op dat [het kind] schade ondervindt van de huidige constructie waarbij de moeder min of meer samen met de oma gezagsbeslissingen neemt. Als er zich in de toekomst een situatie voordoet waarbij [het kind] wel schade ondervindt door deze constructie en/of de oma tegen problemen aanloopt, dan vertrouwt de rechtbank er op dat de oma weet welke weg zij moet bewandelen en hulpverlening inschakelt.
5.12.
De rechtbank acht het wel van belang dat de GI in de komende periode met de moeder, de oma en de pleegzorgwerker een degelijk borgingsplan gaat opstellen waaruit duidelijk blijkt wat er gedaan moet worden als de moeder bijvoorbeeld weer in een psychose raakt en/of de oma tegen problemen (bijvoorbeeld in de samenwerking met moeder) aan loopt. Ook dient in de komende periode onderzocht te worden of voortzetting van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing noodzakelijk is, of dat een en ander overgedragen kan worden naar hulpverlening in het vrijwillige kader, waarbij ook goed gekeken moet worden naar hoe de moeder haar moederrol kan blijven invullen en ook naar hoe de omgang en het contact tussen [het kind] en de moeder een passende vorm krijgt/blijft houden, al dan niet met het vaststellen van een zorgregeling.
5.13.
Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank de beëindiging van het gezag niet noodzakelijk en zal deze maatregel dan ook niet uitspreken.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
bepaalt dat geen beëindiging van het ouderlijk gezag van
[de moeder]over
[het kind], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , moet volgen.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.P. Mesman, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van L. Stoevenbelt als griffier en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.