ECLI:NL:RBGEL:2026:1332

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
AWB-24_8921
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswettenZiektewet (ZW)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ziekengeld door UWV terecht verklaard door rechtbank

Eiser werkte als magazijnmedewerker en viel uit wegens gezondheidsklachten. Na diverse besluiten van het UWV werd zijn ziekengeld per 6 juni 2024 beëindigd omdat hij geschikt werd geacht voor arbeid. Eiser maakte bezwaar en stelde dat het onderzoek onzorgvuldig was en onvoldoende rekening hield met zijn medische beperkingen.

De rechtbank oordeelt dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen zorgvuldig en volledig was, inclusief dossieronderzoek, anamnese en fysiek onderzoek. De rapporten bevatten geen tegenstrijdigheden en de conclusies zijn voldoende gemotiveerd. Eiser heeft zijn stellingen niet met medische stukken onderbouwd.

Ook de stelling van eiser dat hij geen benutbare mogelijkheden heeft, is onvoldoende onderbouwd. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en laat het bestreden besluit in stand. Eiser krijgt het griffierecht niet terug en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de beëindiging van zijn ziekengeld wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/8921

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. Y. Eryilmaz),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: R.V. Gerritsen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van eisers ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) per 6 juni 2024. Eiser is het niet eens met de beëindiging van het ziekengeld. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht het ziekengeld heeft beëindigd. Eiser krijgt geen gelijk. Het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij het besluit van 5 juni 2024 heeft het UWV eisers ziekengeld met ingang van 6 juni 2024 beëindigd. Met het bestreden besluit van 30 oktober 2024 op het bezwaar van eiser is het UWV bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaken 23/6124 en 24/3136 plaatsgevonden op 9 februari 2026. Aan de zitting heeft de gemachtigde van het UWV deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen ter zitting. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst en wordt in alle zaken afzonderlijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

De feiten
3. Eiser heeft gedurende gemiddeld 30,44 uur per week gewerkt als magazijnmedewerker. Hij is op 10 november 2020 uitgevallen voor dit werk wegens gezondheidsklachten. Aan eiser is per 12 november 2020 ziekengeld toegekend, omdat hij arbeidsongeschikt is voor zijn arbeid. Bij het besluit van 15 maart 2022 is het ziekengeld met ingang van 16 april 2022 beëindigd, omdat eiser meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Eisers heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
3.1.
Eiser heeft zich, tijdens de bezwaarprocedure en vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangt, op 6 januari 2023 opnieuw ziekgemeld. Omdat volgens de verzekeringsarts geen sprake is van nieuwe medische feiten en eiser arbeidsgeschikt wordt geacht, is bij besluit van 3 oktober 2023 de aanvraag voor ziekengeld afgewezen. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt.
3.2.
Vervolgens heeft eiser gedurende gemiddeld 40 uur per week gewerkt als productiemedewerker. Daarnaast ontving eiser een WW-uitkering. Hij is op 4 maart 2024 voor zijn werk uitgevallen wegens een bedrijfsongeval. Na het bereiken van de maximale uitkeringstermijn van de WW-uitkering, is aan eiser per 16 april 2024 ziekengeld toegekend.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Met het besluit van 5 juni 2024 is het ziekengeld van eiser met ingang van 6 juni 2024 beëindigd, omdat eiser per die datum geschikt wordt geacht voor zijn arbeid. Aan het besluit ligt een medische beoordeling ten grondslag van de arts (getoetst en geaccordeerd door de verzekeringsarts). De arts heeft zijn bevindingen vastgelegd in de medische rapportage van 5 juni 2024.
4.1.
Met het bestreden besluit van 30 oktober 2024 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Aan het besluit ligt een medische beoordeling ten grondslag van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b). De verzekeringsarts b&b heeft zijn bevindingen vastgelegd in de medische rapportage van 20 september 2024.
Gronden bezwaar herhaald en ingelast
5. Allereerst merkt de rechtbank op dat eiser in beroep aanvoert dat de gronden van het bezwaar als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van bezwaargronden is niet af te leiden in welk opzicht de reactie van het UWV in het bestreden besluit op die bezwaargronden in de visie van eiser ontoereikend is. Naar het oordeel van de rechtbank wordt met het enkel herhalen en inlassen van de gronden van bezwaar onvoldoende uiteengezet op welke punten het bestreden besluit volgens eiser onjuist of onvolledig is en waarom.
Is het onderzoek zorgvuldig?
6. Eiser stelt dat het bestreden besluit onzorgvuldig dan wel onjuist tot stand is gekomen. Het uitgevoerde onderzoek is onzorgvuldig en ondeugdelijk. Er is door het UWV onvoldoende rekening gehouden met de medische beperkingen.
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank is het medisch onderzoek van de (verzekerings)artsen (b&b) zorgvuldig geweest. Het primaire onderzoek is gebaseerd op dossieronderzoek, anamnese en een fysiek spreekuur met de arts, die eiser psychisch en lichamelijk heeft onderzocht. Het medisch onderzoek en de bevindingen van de arts zijn getoetst en geaccordeerd door de verzekeringsarts. Ook de verzekeringsarts b&b heeft kennisgenomen van het dossier en heeft eiser gezien op een spreekuur. De door eiser naar voren gebrachte klachten zijn op een zorgvuldige en duidelijke wijze betrokken bij de medische beoordeling. De verzekeringsarts b&b heeft informatie opgevraagd bij de huisarts en deze informatie betrokken in zijn beoordeling. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de (verzekerings)artsen (b&b) aspecten van de gezondheidstoestand van eiser hebben gemist.
6.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat de rapporten van de (verzekerings)artsen (b&b) geen tegenstrijdigheden bevatten en dat de conclusies van de rapporten dat eiser geschikt wordt geacht voor zijn arbeid inzichtelijk en voldoende gemotiveerd zijn. De rechtbank stelt vast dat eiser zijn stelling dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn medische beperkingen niet met medische stukken heeft onderbouwd. De rechtbank heeft daarom geen aanleiding om te twijfelen aan de beoordeling van de (verzekerings)artsen (b&b).
Heeft eiser geen benutbare mogelijkheden?
7. Eiser stelt dat hij op grond van zijn klachten en beperkingen niet in staat is om te werken.
7.1.
De rechtbank begrijpt de beroepsgrond zo dat eiser, omdat hij stelt niet te kunnen werken, stelt geen benutbare mogelijkheden (GBM) te hebben. Eiser heeft echter op geen enkele wijze, bijvoorbeeld met medische stukken, onderbouwd dat hij voldoet aan de criteria voor GBM zoals bepaalt in artikel 2, vijfde lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. Een enkele stelling daartoe is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen gelijk. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Ook bestaat er geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van
mr. C.G.A.J. van der Wielen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.