ECLI:NL:RBGEL:2026:1333

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
AWB-24_2956
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 Ziektewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ziekengeld door UWV na zorgvuldige medische en arbeidsdeskundige beoordeling bevestigd

Eiser werkte als vrachtwagenchauffeur en viel uit wegens gezondheidsklachten. Na een jaar arbeidsongeschiktheid beëindigde het UWV het ziekengeld omdat eiser naar verwachting meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen. De rechtbank toetste het besluit op basis van medische rapportages van verzekeringsarts en bezwaararts, en arbeidsdeskundige onderzoeken.

De rechtbank oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat de functionele beperkingen van eiser inzichtelijk en voldoende gemotiveerd waren vastgesteld. Eiser kon zijn stelling dat hij meer beperkt is niet met medische stukken onderbouwen. Ook de door eiser aangevoerde persoonlijke omstandigheden, zoals zorgen voor zijn zoon en het hebben van een auto, zijn niet relevant voor de beoordeling van arbeidsongeschiktheid.

Daarnaast zijn psychische klachten die na de datum in geding zijn ontstaan niet relevant voor de beoordeling. De rechtbank concludeerde dat de geselecteerde voorbeeldfuncties passend zijn voor eiser. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van het ziekengeld is ongegrond verklaard en het UWV-besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/2956

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: A. van Klaveren-Drost).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van eisers ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) met ingang van 4 december 2023. Eiser is het niet eens met de beëindiging van het ziekengeld. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV het ziekengeld terecht heeft beëindigd. Dat betekent dat eiser geen gelijk heeft. Het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 3 november 2023 heeft het UWV het ziekengeld van eiser per 4 december 2023 (datum in geding) beëindigd. Met het bestreden besluit van 10 april 2024 op het bezwaar van eiser is het UWV bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

De feiten
3. Eiser heeft gedurende gemiddeld 16,32 uur per week gewerkt als vrachtwagenchauffeur bij zijn voormalig werkgever. Hij is op 13 oktober 2022 uitgevallen voor dit werk wegens gezondheidsklachten. Aan eiser is met ingang van 1 november 2022 ziekengeld toegekend. Na één jaar van arbeidsongeschikt voor zijn arbeid heeft een Eerstejaars Ziektewet-beoordeling plaatsgevonden.
Totstandkoming van het (bestreden) besluit
4. Met het besluit van 3 november 2023 is het ziekengeld aan eiser met ingang van 4 december 2023 beëindigd, omdat hij wordt geacht meer dan 65% te kunnen verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd (maatmaninkomen). Aan het besluit ligt een theoretische schatting ten grondslag gebaseerd op een medisch onderzoek van de verzekeringsarts en een arbeidsdeskundig onderzoek van de arbeidsdeskundige. De verzekeringsarts heeft zijn bevindingen vastgelegd in de rapportage van 23 oktober 2023. De verzekeringsarts heeft de medische klachten van eiser vertaald naar functionele beperkingen in de functionele mogelijkheden lijst (FML) van 30 oktober 2023. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens vastgesteld dat eiser 99,52% kan verdienen van het maatmaninkomen.
4.1.
Met het bestreden besluit van 10 april 2024 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Aan het besluit ligt een theoretische schatting ten grondslag gebaseerd op een medisch onderzoek van de bezwaararts bezwaar en beroep (bezwaararts) (geaccordeerd door de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b)) en een arbeidsdeskundig onderzoek van de arbeidsdeskundige b&b. De bezwaararts overweegt in zijn rapportage van 2 april 2024 dat hij aanleiding ziet om de FML op een aantal aspecten aan te scherpen. De arbeidsdeskundige b&b heeft op basis van de gewijzigde FML vastgesteld dat eiser onverminderd 99,52% kan verdienen van het maatmaninkomen.
Ingetrokken beroepsgronden
5. Tijdens de zitting heeft eiser zijn beroepsgronden over de geldigheid van de FML en de vraag of de bezwaararts in opleiding is niet langer gehandhaafd. Deze gronden behoeven dan ook geen verdere bespreking.
Is eiser meer beperkt?
6. Eiser betoogt – kort gezegd – dat hij meer beperkt is dan door de verzekeringsarts en bezwaararts is aangenomen. De beperkingen zijn niet juist en niet volledig vastgesteld, aldus eiser.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek van de verzekeringsarts en bezwaararts zorgvuldig is geweest. Het onderzoek in de primaire fase is gebaseerd op dossieronderzoek, anamnese en een fysiek spreekuur met de verzekeringsarts, die eiser psychisch en lichamelijk heeft onderzocht. De door eiser naar voren gebrachte klachten zijn op een zorgvuldige en duidelijke wijze betrokken bij de medische beoordeling. De bezwaararts heeft kennisgenomen van het dossier en van de in bezwaar nog nader ingebrachte medische stukken van de orthopedisch chirurg en een verwijzing van de huisarts, en van hetgeen op de hoorzitting naar voren is gebracht en deze bij zijn beoordeling betrokken. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de verzekeringsarts en de bezwaararts aspecten van de gezondheidstoestand van eiser hebben gemist.
6.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat de rapporten van de verzekeringsarts en de bezwaararts geen tegenstrijdigheden bevatten en dat de conclusies van de rapporten over de beperkingen van eiser inzichtelijk en voldoende gemotiveerd zijn. De rechtbank stelt vast dat eiser zijn stelling, dat hij meer beperkt is, niet met medische stukken heeft onderbouwd. De rechtbank heeft daarom geen aanleiding om te twijfelen aan de beoordeling van de verzekeringsarts en de bezwaararts. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiser toegelicht dat de stelling dat eiser meer beperkt is, is gebaseerd op haar eigen waarneming en inschatting van de (on)mogelijkheden van eiser. Dat betreft echter geen medisch geobjectiveerde onderbouwing van de beperkingen van eiser. Niet is gebleken, zoals ook tijdens zitting door de gemachtigde is erkend, dat zij deskundig is om de functionele beperkingen van eiser vast te stellen en aan de hand daarvan de geschiktheid van de geduide functies te beoordelen.
6.3.
Eiser heeft verder aangevoerd dat ten onrechte in de rapportages van de verzekeringsarts en de bezwaararts niet is opgenomen dat hij van vrijdag tot en met zondag zorgt voor zijn zoon en dat ten onrechte in de rapportages staat dat hij geen auto heeft. Eiser heeft echter niet toegelicht, ook niet tijdens de zitting, in hoeverre dat raakt aan de functionele beperkingen en de (on)geschiktheid voor de geduide functies, zodat deze beroepsgrond daarom al niet slaagt. Daarnaast overweegt de rechtbank dat naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid huishoudelijke taken, opvoeding en verzorging van kinderen, buiten beschouwing dienen te blijven. [1]
6.4.
Ook het betoog dat eiser psychische klachten ervaart omdat hij dakloos is geworden en daarom meer beperkingen aangewezen zijn, slaagt niet. Voor zover al sprake zou zijn van psychische klachten als gevolg van dakloosheid, begrijpt de rechtbank dat deze zijn ontstaan vanaf 31 december 2024. Dat is geruime tijd na de datum in geding. Hoewel de rechtbank zich kan voorstellen dat eisers zorgen omtrent huisvesting veel onrust met zich meebrengen, is het niet relevant voor de beoordeling van de functionele beperkingen van eiser op de datum in geding.
Zijn de geduide functies geschikt?
7. Eiser stelt dat de geduide functies voor hem niet uitvoerbaar zijn.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser alleen op medische gronden stelt dat de geduide functies niet passend zijn. De rechtbank heeft hiervoor al overwogen dat de bezwaararts op deugdelijke wijze de beperkingen heeft vastgesteld. Uitgaande van de juistheid van de FML van 28 maart 2024 heeft het UWV vervolgens terecht geconcludeerd dat eiser de geselecteerde voorbeeldfuncties kan vervullen. De arbeidsdeskundigen b&b hebben in hun rapportages van 8 april 2024 en 31 januari 2025 de medische en arbeidsdeskundige geschiktheid van deze voorbeeldfuncties voor eiser voldoende toegelicht. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen gelijk. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Ook bestaat er geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten of de wettelijke rente, zoals verzocht door eiser in zijn voorlopig beroepschrift van 7 mei 2024.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van
mr. C.G.A.J. van der Wielen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 21 december 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2420.