ECLI:NL:RBGEL:2026:1341

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
26/333
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 6:13 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:1 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken belanghebbende en geen bezwaar gemaakt

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Gelderland heeft op 23 februari 2026 uitspraak gedaan over het verzoek van Vereniging Burgerbelangen Overbetuwe om een voorlopige voorziening tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie over de verdeling van asielopvangplaatsen in Gelderland.

Verzoekster, een politieke partij in de gemeente Overbetuwe, stelde dat zij belanghebbende was en beroep kon instellen tegen het bestreden besluit. De minister stelde dat het beroep niet-ontvankelijk was omdat verzoekster geen bezwaar had gemaakt tegen het primaire besluit en niet als belanghebbende kon worden aangemerkt.

De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekster niet als belanghebbende kan worden beschouwd omdat zij niet 'in het bijzonder' het algemene belang behartigt, zoals vereist volgens artikel 1:2 Awb Pro en de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Daarnaast had verzoekster geen bezwaar ingediend tegen het primaire besluit, waardoor op grond van artikel 6:13 Awb Pro geen beroep mogelijk is.

Daarom heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen wegens kennelijke ongegrondheid. Deze beslissing is zonder zitting genomen en bindt de rechtbank niet in een eventueel bodemgeding.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van belanghebbende en het niet indienen van bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/333

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

Vereniging Burgerbelangen Overbetuwe, uit Overbetuwe, verzoekster

en

de Minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen het besluit van de minister waarin de verdeling van asielopvangplaatsen voor de provincie Gelderland is opgenomen in het kader van de ‘Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen’.
1.1.
Bij besluit van 20 december 2024 (het primaire besluit) heeft de minister het verdeelbesluit genomen. De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Aalten, Oldebroek, Montferland en West-Betuwe hebben afzonderlijk bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Bij besluit van 8 december 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister een beslissing op bezwaar genomen en heeft de minister de provinciale verdeling enigszins gewijzigd.
1.2.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.3.
De minister heeft in twee mails kort gereageerd op het beroep en verzoek. In die reactie stelt de minister zich op het standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk is.
1.4.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. [1] De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het beroep een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen.
2.1.
Uit de Awb volgt dat een belanghebbende tegen een besluit beroep in kan stellen bij de rechtbank. [2] Uit dezelfde wet blijkt dat dit pas mogelijk is nadat bezwaar is gemaakt tegen dat besluit. [3] Op grond van artikel 6:13 van Pro de Awb kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt. Voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb, is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt.
2.2.
Het bestreden besluit gaat over de verdeling van het aantal opvangplaatsen voor asielzoekers over gemeenten in de gehele provincie Gelderland. Gemeenten worden rechtstreeks geraakt door dit besluit en hebben dan ook de mogelijkheid om hier tegen op te komen als zij het niet eens zijn met de verdeling. Verzoekster is een politieke partij in de gemeente Overbetuwe en komt in zoverre per definitie op voor het algemeen belang. Uit de statuten van verzoekster blijkt dit ook:
‘De vereniging BOB heeft ten doel als politiek onafhankelijke groepering het vertegenwoordigen en behartigen van de belangen van alle burgers in alle kernen van de gemeente Overbetuwe, zulks in algemene zin.’Uit artikel 1:2, derde lid, van de Awb volgt echter dat een rechtspersoon alleen voor het algemene belang kan opkomen als zij dit ‘in het bijzonder’ behartigt. De woorden ‘in het bijzonder’ zijn door de wetgever opgenomen om politieke partijen, die in het algemeen een zeer algemene doelstelling hebben, van de mogelijkheid van bezwaar en beroep uit de sluiten. In rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken) is ook bevestigd dat een politieke partij, in een geval waarin beroep openstaat voor belanghebbenden, niet kan opkomen ter bescherming van algemene en collectieve belangen, omdat de woorden "in het bijzonder" aan het slot van artikel 1:2, derde lid, van de Awb zich daartegen verzetten. [4]
2.3.
Daar komt nog bij dat verzoekster geen bezwaarschrift heeft ingediend tegen het primaire besluit. Omdat zij geen bezwaar heeft gemaakt bij de minister, staat er gelet op artikel 6:13 van Pro de Awb ook om die reden geen beroepsmogelijkheid voor haar open bij de bestuursrechter. Verzoekster heeft aangevoerd dat haar niet verweten kan worden dat zij geen bezwaar heeft ingediend, omdat zij geen adressaat van het primaire besluit is. Dat maakt het voorgaande echter niet anders. Het feit dat het primaire besluit niet aan verzoekster is gericht maakt namelijk niet dat zij om die reden geen bezwaar had moeten maken. Dat volgt niet uit de wet. Verzoekster heeft geen andere redenen gegeven waarom het niet maken van bezwaar haar redelijkerwijs niet verweten zou kunnen worden.
2.4.
De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft, omdat zij verwacht dat het beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Conclusie en gevolgen.

3. Het verzoek om een voorlopige voorziening is kennelijk ongegrond en de voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af. Voor een vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten bestaat dan ook geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Dit volgt uit artikel 8:1 van Pro de Awb.
3.Dit volgt uit artikel 7:1 van Pro de Awb.
4.Zie bijvoorbeeld ABRvS 5 december 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB9488.