In deze kortgedingprocedure vordert de moeder een verhuisverbod voor de vader met betrekking tot hun minderjarige kind, met als doel de omgangsregeling te waarborgen. De vader is reeds verhuisd naar een andere plaats om bij zijn partner te wonen. De moeder vreest dat deze verhuizing de omgang met het kind zal belemmeren.
De rechtbank stelt vast dat de vader het eenhoofdig gezag heeft en dat hij de omgangsregeling met de moeder momenteel nakomt, waarbij de omgang begeleid plaatsvindt. De vader heeft toegezegd de omgang te blijven faciliteren, ook bij een eventuele toekomstige uitbreiding van de omgangsregeling. De moeder heeft onvoldoende vertrouwen in de nakoming vanwege afstand en kosten, maar de rechtbank acht de toezeggingen van de vader geloofwaardig.
De gecertificeerde instelling geeft aan dat onder de huidige omstandigheden een omgangsregeling van maximaal drie uur per twee weken het hoogst haalbare is. De rechtbank weegt het belang van de vader om een nieuw leven op te bouwen in de nieuwe woonplaats en zijn netwerk in de oude woonplaats mee. Gezien deze belangen en de nakoming van de omgangsregeling, wijst de rechtbank het verzoek tot verhuisverbod en terugverhuisgebod af.
De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is gewezen door de voorzieningenrechter Hilberink en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.