ECLI:NL:RBGEL:2026:1401

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
05/881035-17
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.2.13 SvArt. 6.6.8 SvArt. 4.3 aanwijzing voorwaardelijke invrijheidstelling
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift tegen uitstel voorwaardelijke invrijheidstelling wegens klinische opname

Veroordeelde is bij onherroepelijk arrest veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar en zeven maanden. Na eerdere beslissingen over voorwaardelijke invrijheidstelling (VI) en herroeping daarvan, is de VI opnieuw uitgesteld omdat er geen plek beschikbaar is in een verslavingskliniek. De advocaat van veroordeelde maakte bezwaar tegen het uitstel van 30 dagen, stellende dat het besluit niet tijdig was genomen en dat de aanmelding bij de kliniek te laat plaatsvond.

De rechtbank overweegt dat het openbaar ministerie de beslistermijn van vier weken vóór de VI-datum niet strikt heeft nageleefd, maar dat dit gezien de omstandigheden niet fataal is. De rechtbank acht het uitstel gerechtvaardigd omdat de reclassering een klinische opname noodzakelijk acht om terugval in drugsgebruik te voorkomen. Veroordeelde heeft in het verleden meerdere terugvallen gehad tijdens klinische opnames.

De rechtbank concludeert dat het belang van een klinische opname zwaarder weegt dan de termijnoverschrijding en dat het openbaar ministerie voldoende voortvarend heeft gehandeld. Het bezwaar wordt daarom ongegrond verklaard en het uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling met 30 dagen bevestigd.

Uitkomst: Het bezwaar tegen het uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt ongegrond verklaard en het uitstel met 30 dagen bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
parketnummer : 05-881035-17
v.i. nummer : 89-000094-37
raadkamernummer : 26-004095
datum : 18 februari 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 6:6:8 van Pro het Wetboek van Strafvordering van:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedag] 1973 te [geboorteplaats] (Indonesië),
thans verblijvende te P.I. [plaats] ,
hierna te noemen: veroordeelde.
Advocaat: mr. W.E.R. Geurts, advocaat te Amsterdam.

1.Feiten

1.1
Bij onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 december 2021 is veroordeelde tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar en acht maanden veroordeeld. In cassatie heeft de Hoge Raad op 23 mei 2023 de opgelegde gevangenisstraf gematigd naar zes jaar en zeven maanden, in verband met overschrijding van de redelijke termijn.
1.2
Op 25 september 2024 heeft het openbaar ministerie de beslissing over de voorwaardelijke invrijheidstelling van veroordeelde uitgesteld voor een periode van maximaal 120 dagen of zoveel dagen minder dat veroordeelde geplaatst kan worden in een geschikte klinische behandelinstelling, te rekenen vanaf 28 oktober 2024.
1.3
De advocaat heeft namens veroordeelde op 30 september 2024 bezwaar gemaakt tegen deze beslissing.
1.4
Op 6 december 2024 heeft het openbaar ministerie bepaald dat de voorwaardelijke invrijheidstelling van veroordeelde ingaat op 11 december 2024, met een proeftijd van 686 dagen en onder algemene en bijzondere voorwaarden. Bij het niet nakomen van een van de voorwaarden kan de voorwaardelijke invrijheidstelling worden herroepen voor een periode van 686 dagen.
1.5
Op 27 oktober 2025 heeft het openbaar ministerie beslist dat de voorwaardelijke invrijheidstelling van veroordeelde wordt herroepen voor de duur van 365 dagen en dat de verdere tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf wordt gelast.
1.6
Op 30 oktober 2025 heeft de advocaat namens veroordeelde bezwaar ingediend tegen deze herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling.
1.7
Op 18 december 2025 heeft de rechtbank het bezwaar deels gegrond verklaard, in die zin dat de herroeping 120 dagen bedraagt, en bepaald dat veroordeelde op 25 februari 2026 in vrijheid zal worden gesteld.
1.8
Op 9 februari 2026 heeft het openbaar ministerie de beslissing over de voorwaardelijke invrijheidstelling van veroordeelde uitgesteld voor een periode van maximaal 30 dagen of zoveel dagen minder dat veroordeelde geplaatst kan worden in de klinische behandelinstelling GGZ [kliniek 1] , te rekenen vanaf 25 februari 2026.
1.9
De advocaat heeft namens veroordeelde op 10 februari 2026 bezwaar gemaakt tegen deze beslissing.

2.Procedure

2.1
Het bezwaar tegen de beslissing van het openbaar ministerie op 10 februari 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. Het openbaar ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
2.2
De raadkamer heeft op 18 februari 2026 het bezwaarschrift ter openbare zitting behandeld, Ter zitting zijn gehoord:
- veroordeelde;
- de advocaat;
- de officier van justitie mr. A.M. de Vries.

3.De standpunten

De verdediging
3.1
Namens veroordeelde heeft de advocaat aangevoerd dat de beslissing tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor de duur van maximaal 30 dagen pas op 9 februari 2026 is genomen en op 10 februari 2026 aan veroordeelde is betekend. Volgens art. 4.3 van de aanwijzing voorwaardelijke invrijheidstelling wordt een veroordeelde uiterlijk vier weken voor het tijdstip waarop hij in aanmerking komt voor voorwaardelijke invrijheidstelling door het openbaar ministerie in kennis gesteld van de beslissing om de voorwaardelijke invrijheidstelling al dan niet te verlenen. In het artikel wordt ook genoemd dat deze beslissing ook kan inhouden dat een beslissing over het verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld.
Nu de rechtbank op 18 december 2025 heeft bepaald dat veroordeelde op 25 februari 2026 voorwaardelijk in vrijheid zal worden gesteld, had eerder gezorgd moeten worden voor een tijdige aanmelding bij een kliniek. Veroordeelde is pas op 3 februari 2026 op de wachtlijst geplaatst.
De officier van justitie
3.2
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het bezwaar ongegrond dient te worden verklaard. Gelet op alle relevante feiten en omstandigheden en bij afweging van alle betrokken belangen, komt de officier van justitie tot het oordeel dat de voorwaardelijke invrijheidstelling pas verleend kan worden zodra veroordeelde aansluitend aan de detentie opgenomen kan worden in de kliniek van GGZ [kliniek 1] .
Het openbaar ministerie is bij wet gehouden om iemand die een veroordeling uitzit waarvan hij op enig moment in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling zou kunnen komen uiterlijk vier weken voor de berekende datum van voorwaardelijke invrijheidstelling in kennis te stellen van de beslissing over het al dan niet verlenen van die voorwaardelijke invrijheidstelling. De wet stelt die verplichting ten aanzien van de eerst mogelijke datum van voorwaardelijke invrijheidstelling en niet ten aanzien van een al lopend traject dat wordt onderbroken door een gedeeltelijke herroeping.

4.Beoordeling

De relevante beslistermijn en relativering daarvan
4.1
Ingevolge artikel 6.2.13 lid 1 Sv dient het openbaar ministerie betrokkene uiterlijk vier weken vóór de reguliere VI-datum in kennis te stellen van zijn beslisisng dienaangaande. Dat is niet gebeurd, nu het bestreden besluit dateert van 9 februari 2026 en bekend gemaakt op 10 februari 2026, minder dan vier weken vóór de door de rechtbank bepaalde datum van invrijheidstelling van 25 februari 2026. De verdediging heeft aangevoerd dat reeds hierom het besluit niet in stand kan blijven.
4.2
Het openbaar ministerie heeft betoogd dat deze termijn alleen geldt voor de eerst mogelijke VI-datum en niet voor een al lopend VI-traject na eerdere uitstellen of herroepingen. Die zienswijze wordt echter van de hand gewezen. De tekst van de wet noch de ontstaansgeschiedenis biedt enig aanknopingspunt hiervoor. De bedoeling van deze termijn is om betrokkene ten minste vier weken van tevoren duidelijkheid te bieden over wat hem te wachten staat: voortgezette detentie of invrijheidstelling onder voorwaarden. Niet alleen betrokkene kan dan desgeraden voorbereidingen treffen, maar ook instanties die hiermee te maken hebben. Waarom dat anders zou zijn bij een mogelijke VI-datum in een al langer lopend VI-traject is niet duidelijk. De ratio blijft immers gelijk.
4.3
Intussen kunnen zich echter ook ontwikkelingen voordoen waardoor deze termijn niet kan worden gehaald. Artikel 6.6.8 lid 3 (oud) Sv bevatte hiervoor de bepaling dat het openbaar ministerie in een later ingediende vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling toch ontvankelijk was indien het aannemelijk maakte dat een omstandigheid die aanleiding vormde voor die vordering, zich pas nadien had voorgedaan. Een dergelijke relativcring van de beslistermijn is niet opgenomen in de huidige wetgeving, maar dat zou wel voor de hand hebben gelegen.
4.4
De voorwaardelijke invrijheidstelling is op 27 oktober 2025 herroepen met 365 dagen, maar voorstelbaar is dat het openbaar ministerie werd verrast door de beslissing van de rechtbank op 18 december 2025 om de invrijheidstelling te bepalen op 25 februari 2026. Dat vergde een aanpassing van de plannen en schema’s. De reclassering diende te onderzoeken of een plek in een kliniek beschikbaar zou zijn op veel kortere termijn dan voorzien. De rechtbank is van oordeel dat het openbaar ministerie voldoende voortvarend heeft gehandeld.
4.5
De rechtbank acht het besluit van het openbaar minsterie, gelet op het voorgaande, wel tijdig genomen.
De beoordeling ten gronde
4.6
Veroordeelde kampt met een hartnekkige verslaving aan harddrugs. Hij is eerder in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling opgenomen in FVK [kliniek 2] en aansluitend in FVK [kliniek 1] . Daar heeft hij zich meermalen onttrokken aan het toezicht en heeft hij weer drugs gebruikt, Dat was aanleiding voor de herroeping op 27 oktober 2025 met 365 dagen, door de rechtbank terug gebracht tot 120 dagen.
4.7
De verslavingsreclassering GGZ Fivoor heeft op 5 februari 2026 een reclasseringsadvies uitgebracht. De reclassering is nog steeds van mening dat een klinisch behandelprogramma noodzakelijk is om de kans op recidive te verminderen en stapsgewijs toe te werken naar een zo zelfstandig mogelijk bestaan met eventuele ambulante ondersteuning. Zij zien nog mogelijkheden om de VI te hervatten met dezelfde voorwaarden als eerder opgelegd. FVK [kliniek 1] is bereid betrokkene een tweede kans te bieden. Volgens de meest recente informatie zou er eind maart een plaats beschikbaar zijn. De reclassering vindt de risico’s te groot als veroordeelde uit detentie komt zonder de beschermende structuur van een kliniek. Daarom zou de VI moeten worden uitgesteld totdat er een plaats beschikbaar is in de kliniek.
4.8
De rechtbank is het daarmee eens. Betrokkene heeft tijdens de behandeling weliswaar gezegd dat hij onderdak heeft totdat hij in de kliniek terecht kan, maar het verleden laat zien dat hij weer snel terugvalt in gebruik als de teugels te snel gevierd worden. De rechtbank vindt het van belang dat veroordeelde nadat hij uit detentie komt direct wordt opgenomen in een verslavingskliniek; het risico op een nieuwe terugval is te groot als veroordeelde vrijkomt zonder dat hij wordt opgenomen in een kliniek.
Slotsom
4.9
De rechtbank verenigt zich daarom met de beslissing van het openbaar ministerie en zal het bezwaar ongegrond verklaren.
Beslissing
De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. F.J.H. Hovens, rechter, in tegenwoordigheid van G.C.F.J. Derkx, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.