Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:1404

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
AWB 24/6723
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.126 Wet IB 2001Art. 3.129 Wet IB 2001ECLI:NL:HR:2016:252ECLI:NL:HR:2024:567
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Navordering inkomstenbelasting wegens onjuiste stakingswinst en lijfrenteaftrek afgewezen

Belanghebbende voerde beroep aan tegen een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2017, opgelegd door de inspecteur. De navordering betrof een correctie van de stakingswinst en het afwijzen van de aftrek van een lijfrentepremie. De rechtbank oordeelde dat de onderneming van belanghebbende in 2017 was gestaakt en niet in 2018 in een besloten vennootschap was ingebracht, zoals belanghebbende stelde.

De rechtbank stelde vast dat de inspecteur pas na het opleggen van de definitieve aanslag op de hoogte was van het beëindigen van de samenwerking met [naam bedrijf] eind 2017 en dat de vennootschap in 2018 geen voortzetting van de onderneming verrichtte. Hierdoor was sprake van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigde. Het beroep op door de inspecteur gewekt vertrouwen faalde omdat het vooroverleg alleen betrekking had op de waarde van de onderneming, niet op lijfrentepremieaftrek bij staking.

De rechtbank verwierp ook het beroep op aftrek van de stakingslijfrente omdat de lijfrente niet was bedongen als tegenprestatie voor overdracht van de onderneming. De belastingrente was correct vastgesteld en de navordering binnen de wettelijke termijn opgelegd. Wel kende de rechtbank belanghebbende een vergoeding van € 500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in de beroepsfase en een proceskostenvergoeding van € 233,50.

Het beroep werd ongegrond verklaard, de navorderingsaanslag en belastingrentebeschikking bleven in stand. Belanghebbende kreeg een beperkte vergoeding voor immateriële schade en proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 wordt ongegrond verklaard en de navorderingsaanslag blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/6723

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 25 februari 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, de inspecteur,

en

de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 20 juni 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2017 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 370.820 en naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.333. Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 28.016 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de navorderingsaanslag en de belastingrentebeschikking gehandhaafd.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur [persoon A], [persoon B] en [persoon C].

Feiten

1. Belanghebbende dreef een eenmanszaak onder de naam [naam eenmanszaak]. De activiteiten van deze onderneming bestonden uit het beheer van een assurantieportefeuille voor [naam bedrijf] ([naam bedrijf]). Voor deze beheerszaken ontving belanghebbende vergoedingen en/of provisies.
2. In verband met het beheer van de assurantieportefeuille is tussen [naam eenmanszaak] en [naam bedrijf] een samenwerkingsovereenkomst opgesteld, gedagtekend 14 november 2013. In artikel 2 van Pro deze samenwerkingsovereenkomst is opgenomen dat belanghebbende bij beëindiging van de overeenkomst nog twee jaar recht heeft op de afgesproken vergoeding, voor zover het prolongaties van autoverzekeringen betreft uit de periode dat de overeenkomst van kracht was.
3. Op 15 december 2017 heeft belanghebbende een verzoek om vooroverleg ingediend bij de Belastingdienst. In dat verzoek is het volgende opgenomen:
"(...) [belanghebbende] is voornemens zijn eenmanszaak met fiscale afrekening in te brengen in een door hem op te richten besloten vennootschap, waarvan hij enig aandeelhouder zal zijn. Voor (een deel van) de in te brengen waarde wil [belanghebbende] een lijfrente bedingen van de overnemende vennootschap.
Graag treden wij met u in overleg over de waarde van de in te brengen onderneming. Wij zijn van mening dat deze waarde € 195.000 bedraagt. Ter onderbouwing daarvan willen wij graag het volgende aanbrengen.
(...)
De afgelopen twee jaar, 2015 en 2016, bedroeg de omzet in totaal afgerond € 260.000. Rekening houdend met een discount vanwege verloop van 25%, zou de waarde van de portefeuille daarmee uitkomen op € 195.000.
(...)
Bij de inbreng van zijn onderneming in een besloten vennootschap dient [belanghebbende] uit te gaan van een waarde van zijn assurantieportefeuille van € 195.000. Hij kan hiervoor een lijfrente van de overnemende vennootschap bedingen.
(...)
Het bedingen van een lijfrente is mogelijk op grond van artikel 3.129 Wet IB 2001. (…)"
4. De inspecteur heeft op 22 februari 2018 als volgt gereageerd op het verzoek:
"(...) U vraagt mij of ik akkoord kan gaan met een inbrengwaarde van de onderneming van € 195.000 per 1 januari 2018 in een door [belanghebbende] nog op te richten besloten vennootschap.
Ik deel u mede dat ik hiermee akkoord ga. (…)"
5. Op 29 maart 2018 heeft belanghebbende [naam vennootschap] (de vennootschap) opgericht. Ter storting op de aandelen heeft belanghebbende, volgens de inbrengakte, met terugwerkende kracht naar 1 januari 2018 zijn eenmanszaak ruisend in de vennootschap ingebracht. Blijkens de inbrengbeschrijving is door belanghebbende het beheer van de assurantieportefeuille tegen een waarde van € 195.000 ingebracht en is een lijfrentevoorziening bedongen van € 165.000.
6. In een lijfrenteovereenkomst gedagtekend 29 maart 2018 heeft belanghebbende een lijfrente van € 165.000 bedongen bij de vennootschap.
7. Door [naam bedrijf] is op 4 april 2018 € 296.255 gestort op de bankrekening van [naam eenmanszaak] met als omschrijving 'Eindafrekening samenwerking [naam bedrijf]-[naam eenmanszaak] per 1 januari 2018'. Het betaalde bedrag is als volgt opgebouwd:
Eindstand 2017 - waarde portefeuille
€ 201.563
Verval 1e jaar 17,4%
-€ 35.071
Eindstand 2018 (A)
€ 166.492
Verval 2e jaar 19,2%
-€ 31.966
Eindstand 2019 (B)
€ 134.526
A+B
€ 301.018
Af: Risico correctie 15%
-€ 45.152
€ 255.866
Contante waarde tegen 3%
€ 241.176
Bij: afrekening 4e kwartaal 2017
€ 55.079
Totale afrekening portefeuille
€ 296.255
8. In een lijfrenteovereenkomst gedagtekend 22 juni 2018 is opgenomen dat belanghebbende een lijfrente van € 200.000 is overeengekomen met de vennootschap.
9. Op 29 juni 2018 heeft – na verleend uitstel – belanghebbende de aangifte IB/PVV 2017 ingediend. Belanghebbende heeft hierin een stakingswinst aangegeven van € 195.000 en een lijfrentepremie in aftrek gebracht van € 200.000.
10. De definitieve aanslag IB/PVV 2017 is conform de aangifte vastgesteld met dagtekening 24 september 2019.
11. Bij de behandeling van de aangifte vennootschapsbelasting (Vpb) 2018 ten name van de vennootschap in september 2020 is naar voren gekomen dat bij de vennootschap een aftrek in verband met een lijfrente aan belanghebbende van € 200.000 in aanmerking is genomen, terwijl een lijfrenteverplichting van € 165.000 is aangegaan met deze vennootschap. Naar aanleiding van dit signaal van de Afdeling vennootschapsbelasting is vanuit de inkomensheffing een derdenonderzoek opgestart bij [naam bedrijf].
12. In de e-mail van 16 januari 2023 van [naam bedrijf] aan de Belastingdienst is het volgende opgenomen:
"(…) Ik heb samen met mijn financieel adviseur eea nagekeken. [belanghebbende] heeft een samenwerking gehad met [naam bedrijf]. Hij heeft van [naam bedrijf] een portefeuille in beheer gekregen welke hij diende uit te bouwen met nieuwe relaties. Op een gegeven moment (eind 2017) heb ik door disfunctioneren de samenwerking beëindigd. Samen hebben [belanghebbende] en ik naar een financiële afrekening gekeken. (…)"
13. Op basis van het signaal van de Afdeling vennootschapsbelasting en het derdenonderzoek heeft de inspecteur het standpunt ingenomen dat de stakingswinst te laag is vastgesteld. Als gevolg hiervan is de onderhavige navorderingsaanslag opgelegd.
14. Bij brief van 18 juli 2023 heeft de inspecteur een voornemen navorderingsaanslag IB/PVV 2017 aan belanghebbende toegezonden. De inspecteur heeft daarbij aangegeven dat hij voornemens is de stakingswinst te verhogen met € 46.176 tot € 241.176 en de afgetrokken stakingslijfrente van € 200.000 te corrigeren naar nihil. Het belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) wordt dan als volgt:
aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1)
€ 131.109
bij: correctie belastbare winst uit onderneming
€ 39.711
bij: correctie inkomensvoorzieningen
€ 200.000
gecorrigeerd belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1)
€ 370.820
15. De inspecteur heeft de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 met dagtekening 23 december 2023 conform het hiervoor weergegeven voornemen opgelegd.
16. Met dagtekening 20 juni 2024 heeft de inspecteur het tegen de navorderingsaanslag ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

Beoordeling door de rechtbank

17. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslag terecht en zo ja, tot het juiste bedrag is opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil:
- is sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt;
- zo ja, is sprake van gewekt vertrouwen door de inspecteur vanwege het verzoek om vooroverleg;
- is de hoogte van de stakingswinst op het juiste bedrag vastgesteld en is de stakingswinstlijfrente terecht gecorrigeerd;
- is de beschikking belastingrente juist vastgesteld;
- heeft belanghebbende recht op een integrale proceskostenvergoeding.
De rechtbank beoordeelt een en ander aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
18. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is sprake van een nieuw feit wat navordering rechtvaardigt?
19. Belanghebbende voert aan dat de navorderingsaanslag ten onrechte is opgelegd, omdat geen sprake is van een nieuw feit. In 2018 heeft de vennootschap de per 1 januari 2018 ingebrachte assurantieportefeuille overgedragen aan [naam bedrijf]. De correctie die verband houdt met de inbrengwaarde is uitsluitend gebaseerd op de omzet over het jaar 2017. In het vooroverleg zijn afspraken gemaakt over de wijze van berekening van de waarde van de onderneming. Deze zou worden gebaseerd op de omzetcijfers van de jaren 2015 en 2016. Dat de omzet over 2017 vervolgens hoger is uitgekomen dan die van 2015 en 2016, heeft geen invloed op de in onderling overleg bepaalde waarde. De wijze van waardebepaling lag immers vast.
20. De primitieve aanslag IB/PVV 2017 is met dagtekening 29 september 2019 geautomatiseerd opgelegd conform de aangifte. Deze aangifte gaf de inspecteur geen aanleiding tot een nader onderzoek. Ten tijde van het opleggen van de definitieve aanslag IB/PVV 2017 was het de inspecteur niet bekend dat de samenwerking tussen belanghebbende en [naam bedrijf] eind 2017 was beëindigd. Het was toen de inspecteur ook niet bekend dat, ten opzichte van de voorgelegde waarde in het verzoek om vooroverleg, de onderliggende berekening van de overdrachtswaarde van de assurantieportefeuille op andere grondslagen berustte. De inspecteur kwam van deze informatie pas op de hoogte nadat de definitieve aanlag IB/PVV 2017 was opgelegd, namelijk door een in mei 2021 ontvangen signaal van de Afdeling vennootschapsbelasting over het door de vennootschap in haar jaarrekening 2018 opgenomen bedrag aan lijfrentekapitaal.
21. Uit het naar aanleiding van dit signaal ingestelde onderzoek is gebleken dat belanghebbende zijn onderneming niet in de vennootschap heeft voortgezet. De rechtbank baseert dit op het volgende:
- uit de mededeling van 16 januari 2023 van [naam bedrijf] volgt dat de samenwerking tussen belanghebbende en [naam bedrijf] einde 2017 is beëindigd;
- de overgelegde afrekening tussen [naam bedrijf] en belanghebbende is opgesteld per 1 januari 2018;
- de vennootschap heeft in 2018 geen activiteiten verricht in de vorm van een voortzetting van de ingebrachte onderneming;
- in de aangifte Vpb 2018 van de vennootschap is niets opgenomen over de overdracht/inbreng van de onderneming van belanghebbende in de loop van het jaar 2018;
- de assurantieportefeuille is ultimo 2018 niet op de balans van de vennootschap als immaterieel vast actief opgenomen.
22. De rechtbank constateert dat de in 2017 beëindigde samenwerking heeft geresulteerd in een eindafrekening per 31 december 2017/1 januari 2018 ten behoeve van de in 2017 gestaakte onderneming, waarin het vierde kwartaal van 2017 als laatste tijdvak is verrekend. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende zijn onderneming heeft gestaakt in 2017.
23. Belanghebbende heeft de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden niet weersproken. Zo heeft hij zijn stelling dat hij zijn onderneming heeft gestaakt op het moment van tekenen van de afrekening met [naam bedrijf] in maart 2018, op geen enkele wijze onderbouwd. De rechtbank wijst er hierbij verder op dat belanghebbende zelf heeft opgemerkt dat hij in 2018 in de vennootschap geen activiteiten heeft verricht in het kader van voortzetting van zijn IB-onderneming en dat hij ter zitting heeft verklaard dat het bedrag van het lijfrentekapitaal van € 200.000 een nieuw feit voor de inspecteur is.
24. De in de vorige overweging genoemde punten, in samenhang met het signaal van de Afdeling vennootschapsbelasting over het hoogte van het lijfrentekapitaal, vormen tezamen het nieuwe feit op grond waarvan de inspecteur heeft kunnen besluiten in verband hiermee een navorderingsaanslag op te leggen.
Is sprake van door de inspecteur gewekt vertrouwen?
25. Belanghebbende voert aan dat hij zich kan beroepen op het door de inspecteur gewekte vertrouwen dat de waarde van de in te brengen onderneming/assurantieportefeuille € 195.000 bedroeg. Het vooroverleg met de inspecteur was juist en volledig en daarmee heeft de inspecteur het vertrouwen opgewekt dat belanghebbende ervan uit kon gaan dat hij zijn stakingswinst in het jaar 2017 mocht berekenen op basis van een waarde van de onderneming/assurantieportefeuille eenmanszaak van € 195.000. Toen belanghebbende zich committeerde om zijn onderneming in te brengen in een besloten vennootschap was van een eventuele overdracht van de assurantieportefeuille nog geen sprake. Toen zich een gelegenheid voortdeed om op gunstige voorwaarden de assurantieportefeuille over te dragen is daarvan gebruik gemaakt. De vennootschap was niet verplicht de ingebrachte onderneming voort te zetten. De aftrek van de stakingslijfrente kan niet daarom worden geweigerd. De stakingswinst moet worden vastgesteld op € 195.000, met een stakingslijfrente van € 165.000, aldus nog steeds belanghebbende.
26. Uit de hiervoor onder 3. aangehaalde tekst van het verzoek van 15 december 2017 volgt dat dit verzoek uitsluitend ziet op de waarde van de onderneming van belanghebbende. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat belanghebbende de onderneming in het jaar 2018 niet heeft voortgezet. Met de akkoordverklaring d.d. 22 februari 2018 heeft de Belastingdienst geen vertrouwen gewekt dat in geval van staking van een onderneming belanghebbende in aanmerking komt voor enige lijfrentepremieaftrek.
Stakingswinst en stakingswinstlijfrente
27. Belanghebbende voert aan dat de aftrek van de stakingslijfrente ten onrechte is geweigerd. Volgens hem bedraagt de stakingswinst € 195.000 en moet een stakingslijfrente van € 165.000 in aanmerking worden genomen.
28. Met wat hij heeft aangevoerd, heeft belanghebbende niet aangetoond dat het bedrag van de navorderingsaanslag onjuist is vastgesteld. Een ondernemer die in het kalenderjaar een onderneming waaruit hij als ondernemer winst geniet, staakt, kan vanwege de omzetting van de stakingswinst in een lijfrente, in beginsel tot een bepaald maximum premies voor lijfrenten in aanmerking nemen. Een van de voorwaarden hiervoor is dat de lijfrente is bedongen als tegenprestatie voor de overdracht van die onderneming aan en de lijfrentepremie is verschuldigd aan een in Nederland gevestigd lichaam. [1] Omdat de onderneming van belanghebbende in 2017 is gestaakt, kan deze onderneming niet in 2018 in de vennootschap worden ingebracht. Belanghebbende voldoet daarmee niet aan de voorwaarden voor lijfrentepremieaftrek. De lijfrente is immers niet bedongen als tegenprestatie voor de overdracht van de onderneming.
Conclusie over de navorderingsaanslag
29. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. De rechtbank zal daarom om proceseconomische redenen zich niet uitlaten over de vraag of wegens het niet doen van de vereiste aangifte door belanghebbende in deze zaak de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard.
Belastingrente
30. Belanghebbende verzoekt de rechtbank de beschikking belastingrente te vernietigen dan wel de in rekening gebrachte belastingrente te matigen vanwege het tijdsverloop tussen de eerste correspondentie en de uiteindelijke uitspraak op bezwaar.
31. De belastingrente is in overeenstemming met de wettelijke bepalingen over de periode van 1 juli 2018 tot en met 23 januari 2024, de dag voorafgaand aan de dag waarop de navorderingsaanslag invorderbaar is, tot het juiste bedrag vastgesteld. Over de bezwaarfase is geen belastingrente berekend. De in rekening gebrachte belastingrente is het gevolg van een onderzoek naar aanleiding van een signaal van een andere eenheid van de Belastingdienst over de onjuist ingediende aangifte IB/PVV 2017 van belanghebbende. Gelet op de uitvoering van dit onderzoek heeft de inspecteur niet te lang gewacht met het opleggen van de navorderingsaanslag en is deze navorderingsaanslag binnen de daarvoor geldende termijn opgelegd.
Verzoek vergoeding immateriële schade
32. De rechtbank leidt uit wat belanghebbende ter zitting heeft opgemerkt over de lange duur van de procedure, af dat hij verzoekt om toekenning van een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016. [2]
33. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek. [3]
34. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn vast te stellen op langer dan twee jaar. De inspecteur heeft het bezwaarschrift tegen de aanslag ontvangen op 16 januari 2024. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is (afgerond) twee jaar en een maand. Op het moment van doen van uitspraak door de rechtbank is de redelijke termijn met één maand overschreden, afgerond een half jaar. Dit betekent een vergoeding van € 500. De uitspraak op bezwaar van de inspecteur dateert van 20 juni 2024. De overschrijding van de redelijke termijn is volledig toerekenbaar aan de beroepsfase. De rechtbank zal de Staat veroordelen om € 500 aan belanghebbende te betalen.

Conclusie en gevolgen

35. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de navorderingsaanslag en de belastingrentebeschikking in stand blijven. Omdat het beroep ongegrond is, heeft belanghebbende in zoverre geen recht op een (integrale) proceskostenvergoeding.
36. Belanghebbende heeft recht op een vergoeding van immateriële schade wegens de lange duur van de procedure. Uitsluitend als gevolg daarvan heeft belanghebbende, ondanks de ongegrondheid van het beroep, recht op een forfaitaire proceskostenvergoeding voor het beroep.
37. De rechtbank stelt de proceskosten op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 233,50 (1 punt voor het verzoek om een schadevergoeding met een waarde van € 934 en een wegingsfactor 0,25).
38. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade is op zitting na 31 mei 2024 gedaan. Belanghebbende heeft daarom geen recht op vergoeding van griffierecht. [4]

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 500 aan belanghebbende;
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 233,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.L. van Benthem, voorzitter, mr. A.P. Vaatstra en mr. W.E. van Asbeck, leden, in aanwezigheid van mr. H.H. Ruis, griffier.
Uitgesproken op 25 februari 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
voorzitter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 3.126, eerste lid, van de Wet IB 2001.
3.Beleidsregel van de Minister van veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, en de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.
4.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567.