Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:1435

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
05/005842-23 ont.
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • M.A. van Leeuwen
  • T.P.E.E. van Groeningen
  • A. Bonder
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 2 OpiumwetArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit handel in harddrugs

De rechtbank Gelderland heeft op 25 februari 2026 uitspraak gedaan over een ontnemingsvordering tegen veroordeelde, die eerder veroordeeld was tot vijf jaar gevangenisstraf voor medeplegen van productie en handel in harddrugs. De ontnemingsvordering betreft het vaststellen en opeisen van het wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat op €86.400.

De rechtbank baseert haar oordeel op een uitgebreid rapport en chatberichten die de productie en verdeling van twee partijen MDMA (187,2 kg en 186 kg) beschrijven. Veroordeelde ontving een aandeel van 10% van de partijen, respectievelijk 18 kilogram, tegen een prijs van €2.500 en €2.300 per kilogram. De rechtbank acht aannemelijk dat veroordeelde dit voordeel heeft verkregen als bemiddelaar tussen toeleveranciers en de productieorganisatie.

De verdediging voerde aan dat de rapportage onvoldoende was en dat de prijs te hoog was, met aftrek van kosten. De rechtbank verwierp deze bezwaren wegens gebrek aan bewijs van kosten en bevestigde de gehanteerde prijzen op basis van chatberichten. De rechtbank legt veroordeelde de verplichting op tot betaling van het bedrag aan de Staat en bepaalt de duur van gijzeling bij uitblijven van betaling op 864 dagen.

De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Het bewijs bestaat uit proces-verbalen, het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel en schriftelijke stukken.

Uitkomst: De rechtbank legt veroordeelde een ontnemingsvordering van €86.400 op en bepaalt de gijzeling op 864 dagen bij uitblijven van betaling.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Tegenspraak (art. 279 Sv Pro)
Parketnummer: 05/005842-23
Datum uitspraak : 25 februari 2026
uitspraak van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[veroordeelde],
geboren op [geboortedag] 1964 in [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .
Raadsman: mr. B.J.W. Tijkotte, advocaat in Koog aan de Zaan.

1.De inhoud van de vordering

De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en dat de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie is geschat op € 86.400,00.

2.De procedure

De rechtbank heeft voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de strafzaak in overleg met partijen beslist de behandeling van de ontnemingsvordering los te koppelen van de strafzaak en gebruik te maken van schriftelijke rondes. De rechtbank heeft in de strafzaak uitspraak gedaan op 4 juli 2024. De griffier heeft per e-mail van 6 oktober 2025 aan de raadsman verzocht het standpunt omtrent de ontnemingsvordering kenbaar te maken.
De verdediging heeft per e-mail van 10 november 2025 een schriftelijk standpunt ingenomen. Hierop is door de officier van justitie gereageerd per e-mail van 4 december 2025. Er heeft geen tweede schriftelijke ronde plaatsgevonden.
De zaak is vervolgens op de openbare terechtzitting van 12 januari 2026 onderzocht.
De officier van justitie heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij de vordering, met bepaling dat bij uitblijven van betaling de rechtbank gijzeling zal bevelen voor de duur van 576 dagen. Zij baseert haar vordering op het hierna te noemen rapport, waarin een tweetal (A en B) drugsgerelateerde transacties beschreven worden waarmee veroordeelde het gevorderde voordeel zou hebben behaald.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen omdat de rapportage onvoldoende grondslag biedt voor de gevorderde ontneming en subsidiair dat het bedrag gematigd dient te worden. De raadsman heeft aangevoerd dat de chatgesprekken onvoldoende informatie bevatten om te kunnen concluderen dat veroordeelde een deel van de partijen heeft ontvangen en hoeveel dat dan is geweest. Als veroordeelde wel wat heeft ontvangen, is het aannemelijk dat het om 5 kilogram gaat. De gehanteerde kiloprijs in de vordering is te hoog en daarnaast komen er kosten in aanmerking voor aftrek tot een totale hoogte van € 6.800,00.

3.De beoordeling van de vordering

Bij vonnis van deze rechtbank van 4 juli 2024 is veroordeelde ter zake van (onder meer) het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro A, B, C en D van de Opiumwet gegeven verbod veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaren.
Dat veroordeelde het bewezenverklaarde heeft begaan, blijkt uit de in dat vonnis gebezigde bewijsmiddelen. [1] De rechtbank ontleent aan de inhoud van die bewijsmiddelen het oordeel dat de veroordeelde voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft verkregen door middel van - kort gezegd - het medeplegen van de productie van en handel in harddrugs.
De verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden opgelegd aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit en die door dat feit of uit de baten daarvan voordeel heeft verkregen. De rechtbank zal het geschatte voordeel van veroordeelde berekenen op basis van artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. Het voordeel zal worden berekend over de bewezenverklaarde strafbare feiten en andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door veroordeelde zijn begaan.
De berekening van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel [2]
Ter berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten behoeve van de ontnemingsvordering is door de politie een berekening wederrechtelijk voordeel (hierna: het rapport) opgesteld. De politie heeft in het rapport per post aangegeven hoeveel voordeel veroordeelde zou hebben genoten. De rechtbank neemt het rapport als uitgangspunt en zal per post beoordelen of veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen.
In het rapport zijn 2 posten beschreven waaruit veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zou hebben verkregen:
Partij 187,2 kilogram MDMA (België)
Partij 186 kilogram MDMA (België)
A – 187,2 kilogram MDMA [3]
Uit de chatgesprekken volgt dat op 14 september 2022 een partij van 187,2 kilogram MDMA voor “de organisatie rondom [medeveroordeelde 1] en [medeveroordeelde 2] ” en voor [veroordeelde] en onder begeleiding van [medeveroordeelde 3] samen met een andere partij (139,732 kilogram) vanuit België naar Nederland werd getransporteerd.
De grondstoffen (300 kilogram van een pre-precursor) voor de productie van 187,2 kilogram MDMA werden via ‘mensen van’ (hierna: toeleveranciers) [veroordeelde] ( [alias] ) aangeleverd. Uit deze 300 kilogram kwam 157 liter (vermoedelijk PMK-olie), die werd omgezet naar 187,2 kilogram MDMA. [medeveroordeelde 1] ( [alias] ) regelde de verdeling en de verkoop van (een deel van) deze partij en had hierover berichtenverkeer met onder andere [medeveroordeelde 3] ( [alias] ) en [veroordeelde] .
[veroordeelde] had contact met [medeveroordeelde 1] en [medeveroordeelde 2] ( [alias] ) om (een deel van) de geproduceerde MDMA, die op 14 september 2022 aankwam in Doetinchem, op 15 september 2022 op te halen. Uit de berichten kan worden opgemaakt dat de 187,2 kilogram MDMA verdeeld werd tussen verschillende personen/groeperingen, te weten:
- de organisatie rondom [medeveroordeelde 1] , [medeveroordeelde 2] en [medeveroordeelde 3] ;
- [veroordeelde] ;
- toeleveranciers via [veroordeelde] ;
- anderen (helpers/chauffeur).
Op 14 september 2022 vanaf 13:12 uur hadden [medeveroordeelde 1] en [medeveroordeelde 3] een gesprek over de hoeveelheid en een verdeling van de partij van 187,2 kilogram. [medeveroordeelde 3] : ‘187,20 kg, waarop [medeveroordeelde 1] reageerde met: ‘Geven we 90 terug 5 naar [alias] en 2 is voor [alias] enzo’ Vervolgens stuurde [medeveroordeelde 1] naar [veroordeelde] : ‘90kg gaan naar je mensen terug’, ‘5kg is er voor jou’ en ‘en 90 voor hier’. Wat later stuurt [medeveroordeelde 1] naar [medeveroordeelde 3] : ‘Had 5% met [alias] afgezproken’, ‘Dus 10% van 185 is 18,5’, ‘Daar zit hun deel wat hij moet kringen ook bij’, ‘Heb gezegd dat we die 18 voor hem meteen hier er afhalen’. Daarna zegt [medeveroordeelde 1] : ‘En hen misschien alles al verkocht’.
Op basis van dit berichtenverkeer acht de rechtbank het volgende aannemelijk. Er ging (van de totale productie van 187,2 kilogram) 2 kilogram naar chauffeurs en al 5 kilogram naar [veroordeelde] . De afspraak was dat (van wat over was) 5% van zowel het aandeel van de toeleveranciers als van het aandeel van de groep rondom [medeveroordeelde 1] , [medeveroordeelde 2] en [medeveroordeelde 3] naar [veroordeelde] ging, dus in totaal 10% van het geheel van (nog) 180 kilogram, dus 18 kilo. Dat de afspraak en praktijk was dat [veroordeelde] van beiden kanten 5% ontving, wordt ook bevestigd in het gesprek van 12 november 2022 12:34 uur tussen [medeveroordeelde 1] en [veroordeelde] , kennelijk over de hierna nader besproken partij B van 186 kilogram, en het bericht daarin van [medeveroordeelde 1] aan [veroordeelde] “jij hebt jou 5% van ons en 5% van hun gehad” [4] .
[medeveroordeelde 1] zou er 18 af halen voor [veroordeelde] . Op die manier bleef voor de leveranciers van hun aandeel van 90 kilo 81 kilogram over (90 minus 9 kilogram). Vanuit de kant van [medeveroordeelde 1] had [veroordeelde] al uit het totaal van 187,2 de eerste 5 kilogram gekregen. Van de overige 90 kilogram, het aandeel van de groep [medeveroordeelde 1] en [medeveroordeelde 2] ging nog 4 kilogram naar [veroordeelde] . Voor de organisatie van [medeveroordeelde 1] en [medeveroordeelde 2] bleef daardoor 86 kilogram over. Op deze manier ontving [veroordeelde] 18 kilogram in totaal van deze productie, als zijn aandeel van 10% (2 x 5%) van de 180 kilogram.
Op 14 september 2022 werd een aantal berichten gestuurd over de waarde van de MDMA op dat moment. [medeveroordeelde 1] vroeg aan [alias] ( [medeveroordeelde 2] ): ‘Waar staat de m op’. Waarop [medeveroordeelde 2] antwoordde: ‘26 en 25 op aantallen’. [medeveroordeelde 1] heeft hierover ook contact met [veroordeelde] en zegt dat het 25 of 26 is, ligt eraan hoe mooi en hoeveel. De rechtbank acht het op basis van dit berichtenverkeer aannemelijk dat op het moment van de verkoop van deze partij MDMA, de prijs € 2.500 per kilo was. Dat er in de jurisprudentie andere bedragen worden genoemd, zoals door de verdediging aangevoerd, doet daar niet aan af. De prijs van MDMA fluctueert en wat hierover in de chatberichten is gezegd rondom de daadwerkelijke verkoop, is leidend.
Voor [veroordeelde] geldt daarom een opbrengst van 18 kilogram x € 2.500,00 =
€ 45.000,00.
B – 186 kilogram MDMA [5]
Uit gesprekken vanaf 14 september 2022 tot en met 3 november 2022 (proces-verbaal nr. 1242) volgt dat met een nieuwe hoeveelheid (pre-)precursor (“p-poeder”), aangeleverd door [veroordeelde] , nieuwe MDMA werd gedraaid.
Uit proces-verbaal 1494 maakt de rechtbank, samengevat, op dat:
  • eerder 300 was afgegeven waar 185 (c.q. 187,2 kilogram MDMA) uit was gekomen;
  • die andere meer moest zijn, omdat er nu (kennelijk door de toeleveranciers van [veroordeelde] ) 325 was afgegeven;
  • op 14 september 2022 (een deel van) die 325 was omgezet, afgekookt werd en de week erna de vriezer in zou gaan;
  • op 22 september 2022 [veroordeelde] aan [medeveroordeelde 2] vroeg om foto's van de olie te sturen,
  • kennelijk omdat die gasten van de 'p' (poeder) [veroordeelde] beschuldigden van stelen;
  • [medeveroordeelde 2] hierna foto's van jerrycans met donkere vloeistof stuurde en aangaf dat ze ook 100 liter terug konden geven en ze het zelf maar af moesten draaien, omdat dit alleen maar gezeur opleverde;
  • er kennelijk problemen waren met waterstofflessen/meters, waardoor een en ander langer duurde;
  • [veroordeelde] meerdere malen informeerde hoever ze waren en hierover contact had met [medeveroordeelde 1] , [medeveroordeelde 3] en [medeveroordeelde 2] ;
  • op 30 september 2022 foto's werden verzonden van zeven jerrycans met mogelijk PMK-olie die nog afgedraaid moest worden;
  • het 4 oktober 2022 de vriezer inging;
  • op 6 oktober 2022 werd doorgegeven dat de olie die dag gedraaid was;
  • op 7 oktober 2022 werd doorgegeven dat van 100 liter olie 127 base was gekomen;
  • op 12 oktober 2022 werd doorgegeven dat het 101,45 kilogram was en het die dag vervoerd werd vanuit België naar Nederland;
  • [veroordeelde] (een deel van) de partij ophaalde en kennelijk aan de toeleveranciers van de p-poeder leverde;
  • [veroordeelde] onenigheid had met de toeleveranciers van de p-poeder en de toeleveranciers hadden verwacht dat ze 70 uit 100 zouden krijgen;
  • [veroordeelde] op 12 oktober 2022 aangaf: "168 )literuit";
  • [medeveroordeelde 3] aangaf dat hij die andere (vermoedelijk de overgebleven 68 liter) de week erna ging wegdraaien;
  • [veroordeelde] (bijnaam [alias] ) volgens [medeveroordeelde 3] (maar) 65 teruggaf aan die Marokkaan;
  • ze met [medeveroordeelde 3] een afspraak wilden, maar [medeveroordeelde 3] eerst die laatste olie wilde afdraaien, zodat hij wist wat daaruit zou komen;
  • de onenigheid met de toeleveranciers bleef doorgaan;
  • [medeveroordeelde 3] aangaf dat 60 uit 100 al een mooi gemiddelde was;
  • [medeveroordeelde 1] op 12 oktober 2022 aangaf dat de verkoopprijs van M “23” (vermoedelijk € 2.300,00) per kilo was;
  • [veroordeelde] op 21 oktober 2022 aangaf dat uit 325, 168 liter kwam;
  • [veroordeelde] op 24 oktober 2022 informeerde of er nog wat over was van die 68, maar [medeveroordeelde 3] deze olie nog moest schoonmaken;
  • [medeveroordeelde 1] op 3 november 2022 bij [veroordeelde] aangaf dat hij hoorde dat niks was afgesproken over die 6 kilogram en wie die mensen waren die zeggen dat ze zoveel terug krijgen van k..s (vermoedelijk [medeveroordeelde 2] - [alias] );
  • [veroordeelde] op 3 november 2022 aangaf dat er 186 uit kwam en ze 84 terug hadden gehad en dus geen 90 zoals [medeveroordeelde 1] vroeg;
  • ze volgens [medeveroordeelde 1] normaal 25 kilogram (eindproduct) op 100 kilogram poeder terugkregen;
  • [veroordeelde] van beide kanten 5% had gehad.
De rechtbank leidt uit het berichtenverkeer af dat er 186 kilogram MDMA is geproduceerd en baseert dat met name op de berichten dat er 325 kilogram (pre-)precursor was aangeleverd, dat daar in de loop van het proces eerst 101,45 kilogram uit was gekomen en dat de overige 68 liter nog gedraaid moest worden. Het eindresultaat was volgens [veroordeelde] 186 kilogram. Vanwege de opvolgende chats en de bij elkaar aansluitende hoeveelheden, acht de rechtbank het aannemelijk dat er 186 kilogram MDMA is geproduceerd.
Uit de chats volgt vervolgens dat er opnieuw 5% (aan beide kanten) naar [veroordeelde] ging: op 12 november 2022 stuurde [medeveroordeelde 1] aan [veroordeelde] : ‘Jij hebt jou 5% van ons en 5% van hun gehad’.
Naar beneden afgerond zou dit nu ook (net als bij de onder A besproken partij van 187,2 kilogram) 18 kilogram zijn. Er resteerde dan nog 168 (186-18) kilogram. Bij een verdeling van de partij in tweeën, was voor de groepering rond [medeveroordeelde 1] en voor de toeleveranciers van de precursoren elk 84 (168/2) kilogram over. Dit kwam overeen met het bericht van [veroordeelde] dat ze 84 terug hadden gekregen. Daarom wordt bij de partij van 186 kilogram uitgegaan van de volgende verdeling: 84 kilogram voor de organisatie [medeveroordeelde 1] , [medeveroordeelde 2] en [medeveroordeelde 3] , 84 kilogram voor de toeleveranciers en 18 kilogram voor [veroordeelde] .
Gelet op het bericht van [medeveroordeelde 1] op 12 oktober 2022 dat de ‘m’ op 23 zat, acht de rechtbank het aannemelijk dat de waarde op dat moment € 2.300,00 per kilogram was.
Voor [veroordeelde] komt de opbrengst daarmee op 18 x € 2.300,00 =
€ 41.400,00.
[veroordeelde] was bemiddelaar tussen de toeleveranciers van de precursoren en de groepering rond [medeveroordeelde 1] , [medeveroordeelde 2] en [medeveroordeelde 3] die de productie regelde. Dat er productiekosten waren voor [veroordeelde] die voor aftrek in aanmerking zouden komen, zoals door de verdediging naar voren is gebracht, is niet gebleken. De productiekosten zijn voor de partij die geproduceerd heeft wel aftrekbaar. [veroordeelde] kreeg voor zijn bemiddelende rol van beide kanten een deel van de opbrengst. Er is niet gebleken dat [veroordeelde] kosten had die voor aftrek in aanmerking komen.
Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel
Op grond van voornoemde is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen tot een bedrag van
€ 86.400,00en zal hem veroordelen tot betaling van dit bedrag aan de Staat.
Duur gijzeling
Ingevolge artikel 36e, elfde lid, Sr zal de rechtbank de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd, vaststellen. De rechtbank hanteert bij de berekening van de duur het meest recente LOVS-oriëntatiepunt, inhoudende dat voor iedere volle € 100,00 van het opgelegde bedrag één dag gijzeling wordt gerekend, met een maximum van 1095 dagen.

4.De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

5.De beslissing

De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van
€ 86.400,00;
- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van dit bedrag;
- bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering op 864 dagen.
Aldus gegeven door mr. M.A. van Leeuwen (voorzitter), mr. T.P.E.E. van Groeningen en mr. A. Bonder, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.M. van der Velden, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 februari 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door een verbalisant van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, onderzoeksnummer ONRAA22047 (Picture), gesloten op 3 oktober 2023, en in de bijbehorende in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld.
2.Het bewijs van het voordeel dat is verkregen is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door een verbalisant van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, onderzoeksnummer ONRAA22047 (Picture), gesloten op 3 oktober 2023 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, alsmede in het ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict’ opgemaakt door een rechercheur van de politie Eenheid Oost-Nederland/Team Opsporing, gesloten op 25 februari 2025 met bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier dan wel, met de vermelding “(ontnemingsdossier)” naar die van het Rapport berekening wederrechtelijk voordeel, tenzij anders vermeld.
3.PV bevindingen 1242 p. 331 e.v. (ontnemingsdossier); PV bevindingen 1494 paragraaf 3.3.1. p. 158-159. (ontnemingsdossier);
4.PV bevindingen 1494 p. 187. (ontnemingsdossier).
5.PV bevindingen 1242 p. 331 e.v. (ontnemingsdossier); PV bevindingen 1494 p. 107 e.v. (ontnemingsdossier).