Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:1457

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
460801
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:109 BWArt. 3:125 lid 2 BWArt. 5:2 BWArt. 6:102 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering curator tot afgifte auto in faillissement autohandelaar

Op 20 maart 2025 werd het faillissement uitgesproken van autohandelaar [bedrijf 1] V.O.F. Op dat moment stond een Audi A3 zonder kenteken op het terrein van de gefailleerde. De curator nam de auto op in de boedelbeschrijving. Op 9 april 2025 nam de gedaagde de auto zonder toestemming van de curator weg, wat aanleiding gaf tot een kort geding waarin de curator afgifte van de auto vorderde.

De gedaagde stelde dat de auto voorafgaand aan het faillissement aan hem was geleverd en dat hij de auto slechts voor onderhoud en tenaamstelling bij [bedrijf 1] had achtergelaten. Hij vorderde in reconventie medewerking van de curator voor tenaamstelling en een voorschot op gemaakte kosten.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de curator op grond van het wettelijke vermoeden bezitter was van de auto op het moment van onttrekking door de gedaagde. De gedaagde slaagde er niet in dit te weerleggen binnen de kort gedingprocedure. Bovendien was de onttrekking heimelijk en onrechtmatig. De vordering van de curator tot afgifte werd daarom toegewezen, inclusief een dwangsom en een executiemachtiging. De reconventionele vorderingen van de gedaagde werden afgewezen. De gedaagde werd veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente.

Uitkomst: De vordering van de curator tot afgifte van de auto wordt toegewezen en de reconventionele vorderingen van de gedaagde worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/460801 / KG ZA 25-465
Vonnis in kort geding van 18 februari 2026
in de zaak van
mr. [naam eiser]
in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [bedrijf 1] V.O.F.,
woonplaats kiezende ten kantore van zijn advocaat,
eisende partij,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. M.T.J. Wilmer te Breda,
tegen
[naam gedaagde]
handelend onder de naam [bedrijf 2] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. H.J.R.M. Boersma te Wadenoijen,

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 9,
- de e-mail van mr. Boersma dat [gedaagde] vrijwillig zal verschijnen bij de mondelinge behandeling,
- de eis in reconventie met producties 1 tot en met 10,
- de aanvullende producties 11 en 12 van [gedaagde] ,
- de mondelinge behandeling van 4 februari 2026,
- de pleitnota van de curator,
- de pleitnota van [gedaagde] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De zaak in het kort

2.1.
Op 20 maart 2025 is het faillissement van autohandelaar [bedrijf 1] V.O.F. (hierna: [bedrijf 1] ) uitgesproken. Op deze datum stond een Audi A3, zonder kenteken met chassisnummer [chassisnummer] (hierna: de auto), op het terrein van [bedrijf 1] en de curator heeft de auto op 28 maart 2025 opgenomen in de boedelbeschrijving. Tijdens de afgekondigde afkoelingsperiode ex artikel 63a Faillissementswet (Fw) heeft [gedaagde] op 9 april 2025 de auto zonder toestemming van de curator van het terrein van [bedrijf 1] weggenomen. In dit kort geding vordert de curator in conventie – kort samengevat – afgifte van de auto onder verbeurte van een dwangsom. Daarnaast vordert de curator, voor zover de maximale dwangsom van € 50.000,00 zal worden bereikt, een bevel tot afgifte als bedoeld in artikel 491 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
2.2.
[gedaagde] voert aan dat de auto, voorafgaand aan het faillissement, aan hem is verkocht en op 23 januari 2025 aan hem is geleverd. Volgens [gedaagde] heeft hij de auto na de levering weer bij [bedrijf 1] gebracht voor de uitvoering van onderhoudswerkzaamheden en het regelen van een kentekenplaat en hield [bedrijf 1] de auto sindsdien niet voor zichzelf maar voor [gedaagde] . In reconventie vordert [gedaagde] primair dat de curator wordt veroordeeld om zijn medewerking te verlenen aan al datgene wat nodig is om de auto op naam van [gedaagde] te zetten onder verbeurte van een dwangsom. Subsidiair vordert [gedaagde] dat voor zover de vordering tot afgifte in conventie wordt toegewezen, de curator wordt veroordeeld om aan [gedaagde] een voorschot op de gemaakte kosten, waaronder buitengerechtelijke incassokosten, te betalen van € 6.800,00.
2.3.
De vorderingen in conventie van de curator zullen worden toegewezen. De vorderingen in reconventie van [gedaagde] zullen worden afgewezen. Hierna zal worden uitgelegd waarom tot dat oordeel is gekomen.

3.De beoordeling

3.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat er een spoedeisend belang bestaat bij de vorderingen. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vorderingen aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorzieningen worden verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
3.2.
Gelet op de samenhang zullen de vorderingen in conventie en reconventie gezamenlijk worden behandeld.
3.3.
De curator legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag. De auto valt in de faillissementsboedel. Door het faillissement werd de boedel bezitter van de auto. De auto is in dat verband ook opgenomen in de boedelbeschrijving van 28 maart 2025. Op de faillissementsdatum stond de auto op het terrein van [bedrijf 1] . Ook de sleutels van de auto bevonden zich bij [bedrijf 1] en de boedel beschikt nog steeds over de codes en gegevens die nodig zijn voor de tenaamstelling en om de auto op een Nederlands kenteken te plaatsen. Bovendien wordt het bezit op de faillissementsdatum ook op grond van artikel 3:109 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) vermoed.
De curator doet verder een beroep op artikel 3:125 lid 1 BW Pro jo 5:2 BW. De vraag of de auto voorafgaand aan het faillissement aan [gedaagde] is geleverd, is niet relevant gelet op de uitzondering genoemd in de tweede zin van lid 2 van artikel 3:125 BW Pro. Daaruit volgt immers dat de wetgever eigenrichting heeft willen tegengaan en niet weersproken is dat [gedaagde] op heimelijke wijze het bezit van de auto van de curator heeft ontnomen. Daarnaast heeft [gedaagde] in een brief van 9 april 2025, dezelfde dag waarop [gedaagde] de auto heeft weggenomen, aan de curator gevraagd of hij de sleutels van de auto kon krijgen om de auto mee te nemen. Daaruit kan worden afgeleid dat [gedaagde] wist van het faillissement en dat hij zich ervan bewust was dat hij de auto niet zonder toestemming van de curator mocht meenemen. Door dit wel te doen, heeft hij onrechtmatig jegens de curator dan wel jegens de boedel gehandeld. Ook heeft [gedaagde] in strijd gehandeld met de afkoelingsperiode en dit is eveneens onrechtmatig. Op grond van artikel 6:102 BW Pro bestaat daarom een verplichting tot vergoeding van de geleden schade in de vorm van afgifte van de auto. Ook betwist de curator dat de levering van de auto op 23 januari 2025 aan [gedaagde] heeft plaatsgevonden. De voormalig advocaat van [gedaagde] heeft immers op 24 maart 2025 verzocht om afgifte van de auto en bevestigd dat zowel de juridische als feitelijke levering nog niet heeft plaatsgevonden. De huidige advocaat van [gedaagde] schrijft daarentegen, in haar brief van 20 mei 2025, dat de auto zou zijn geleverd aan gedaagde door bezitsverschaffing op 23 januari 2025. Deze e-mails zijn tegenstrijdig en uit de e-mail van de voormalig advocaat volgt dus dat de levering voorafgaand aan het faillissement niet heeft plaatsgevonden. Dat [bedrijf 1] de auto slechts nog gebruiksklaar zou maken voor [gedaagde] is evenmin gebleken. Daar komt bij dat uit de koopovereenkomst blijkt dat [bedrijf 1] als eigenaar is aan te merken. Tot slot is gelet op de verschillende bedragen en factuurnummers ook onduidelijk of [gedaagde] de koopprijs van de auto heeft voldaan. De verplichting tot afgifte van de auto kan daarom ook worden gebaseerd op artikel 35 Fw Pro jo. artikel 5:2 BW Pro. Het spoedeisend belang is er in gelegen dat de waarde van een auto met verloop van tijd snel afneemt. Te meer indien een voertuig voor lange tijd stilstaat, aldus de curator.
3.4.
[gedaagde] voert als verweer aan dat de auto reeds voorafgaand aan het faillissement aan hem is geleverd en hij nadien met [bedrijf 1] heeft afgesproken dat [bedrijf 1] nog wat werkzaamheden aan de auto zou verrichten en de auto ‘rijklaar’ zou maken. Ook diende [bedrijf 1] de kentekenplaat en tenaamstelling nog te regelen. De tenaamstelling zou oorspronkelijk op de dag van de levering plaatsvinden, maar dat was [bedrijf 1] niet gelukt omdat – bleek later – hij betalingsachterstanden had bij een taxateur waardoor de taxatie voor de BPM niet kon worden uitgevoerd. Ter onderbouwing van de levering heeft [gedaagde] verklaringen van de gefailleerde [gefailleerde 1] , [gefailleerde 2] en [gefailleerde 3] en een foto overgelegd. Hieruit volgt dat de auto met een groene kentekenplaat op 23 januari 2025 in een hal in [plaatsnaam] staat. Deze hal wordt door [gedaagde] en [gefailleerde 2] gehuurd. [gedaagde] heeft de auto ten behoeve van de nog door [bedrijf 1] te verrichten werkzaamheden op 23 februari 2025 weer naar de werkplaats van [bedrijf 1] gebracht. Dit volgt uit Whatsappberichten. Ook heeft [gedaagde] de koopsom van de auto in december 2024 aan [bedrijf 1] voldaan. De voormalig advocaat van [gedaagde] heeft een kardinale juridische fout gemaakt en de inhoud van die brief is onjuist. De conclusie is dat [gedaagde] voorafgaand aan het faillissement eigenaar was geworden van de auto en de boedel op de faillissementsdatum slechts houder voor [gedaagde] was. De curator moet daarom medewerking verlenen aan de tenaamstelling en al het overige wat nodig is om de auto te kunnen gebruiken. Voorts heeft [gedaagde] er op grond van de berichten van de curator gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat de auto met medewerking van de curator op zijn naam zou worden gezet. Op basis van dit vertrouwen heeft [gedaagde] aanpassingen en reparaties aan de auto laten uitvoeren en ook heeft hij de auto opnieuw laten keuren omdat de vorige keuring slechts één maand geldig was. De curator dient daarom, voor zover zijn primaire vordering in conventie wordt toegewezen, deze kosten, inclusief de buitengerechtelijke incassokosten, aan [gedaagde] te voldoen, aldus [gedaagde] .
3.5.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Op grond van de hoofdregel van artikel 3:109 BW Pro wordt degene die een goed houdt, vermoed dit voor zichzelf te houden en aldus bezitter van dit goed te zijn (artikel 3:107 BW Pro). Vaststaat dat de curator de auto hield op het moment dat de auto hem op 9 april 2025 door [gedaagde] werd ontnomen. Op grond van dit wettelijk vermoeden, wordt dan ook vermoed dat de curator op dat moment de auto hield voor zichzelf en dus wordt vermoed bezitter te zijn. [gedaagde] moet daarom voldoende aannemelijk maken dat de boedel dan wel de curator, op het moment dat de auto door hem werd weggenomen, geen rechthebbende was van de auto.
3.6.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is [gedaagde] daar binnen het bestek van dit kort geding niet in geslaagd. Weliswaar heeft hij verklaringen, whatsappberichten en een foto overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat de auto op 23 februari 2025 aan hem is geleverd, maar de curator heeft daartegen gemotiveerd verweer gevoerd. Volgens de curator mag er niet teveel gewicht worden toegekend aan de verklaringen omdat dit bekenden zijn van [gedaagde] en [bedrijf 1] bovendien niet te vertrouwen is. Ook zijn de verklaringen volgens de curator tegenstrijdig. Daarnaast wordt overwogen dat de stellingen van [gedaagde] niet zijn te rijmen met de e-mail van zijn voormalig advocaat van 24 maart 2025 waarin juist om juridische levering van de auto wordt verzocht. Voor het antwoord op de vraag of de auto op 23 januari 2025 aan [gedaagde] is geleverd is dus onderzoek naar de feiten en mogelijk bewijslevering nodig. Daarvoor leent zich geen kort gedingprocedure maar een bodemprocedure. Bij deze stand van zaken wordt dan ook voorshands aangenomen dat de curator bezitter was op het moment dat [gedaagde] de auto op 9 april 2025 heeft weggenomen. Gelet op het voorgaande is niet aannemelijk geworden dat [gedaagde] een beter recht heeft. Bovendien heeft [gedaagde] op 9 april 2025 aan de curator gevraagd of hij de auto mocht meenemen. Hij was dus op de hoogte van het faillissement van [bedrijf 1] en het feit dat hij toestemming van de curator nodig had. Daarom is tevens aannemelijk geworden dat [gedaagde] het bezit van de curator op heimelijke wijze, als bedoeld in artikel 3:125 lid 2 BW Pro, heeft ontnomen. De conclusie is dat het beroep van de curator op artikel 3:125 BW Pro jo. 5:2 BW slaagt.
3.7.
De vordering in conventie tot afgifte van de auto zal daarom worden toegewezen. Ook zal de gevorderde dwangsom en de machtiging ex artikel 491 Rv Pro als gevorderd en zoals vermeld in de beslissing worden toegewezen.
3.8.
De primaire vordering in reconventie is gelet op het voorgaande niet toewijsbaar. Ten aanzien van de subsidiaire vordering in reconventie wordt overwogen dat de curator gemotiveerd heeft weersproken dat [gedaagde] er gerechtvaardigd op heeft mogen en kunnen vertrouwen dat een schikking tussen partijen was bereikt. Daar komt bij dat de onverwijlde spoed bij toewijzing van deze geldvordering door het ontbreken van enige onderbouwing niet aannemelijk is gemaakt. De subsidiaire vordering in reconventie wordt daarom eveneens afgewezen.
3.9.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in conventie en reconventie betalen. De proceskosten van de curator worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
0,00
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.765,50
(1,5 punt x tarief € 1.177,00)
- nakosten
296,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.796,50
3.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om de auto en al haar toebehoren – waaronder eventuele papieren, reserveonderdelen – zo veel als mogelijk onbeschadigd, althans in de toestand waarin zij zich ten tijde van het wegnemen van de auto bij de failliet bevonden, binnen drie dagen na betekening van dit vonnis af te geven aan de curator,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan de curator een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de hoofdveroordeling onder 4.1. voldoet, tot een maximum van € 30.000,00 is bereikt,
4.3.
bepaalt dat – indien en voor zover [gedaagde] de auto niet tijdig en correct aan de curator heeft afgegeven en ondanks het verschuldigd worden van de onder 4.2 genoemde dwangsommen nog immer niet heeft afgegeven – de curator nadat [gedaagde] de maximale dwangsom van € 30.000,00 verschuldigd is geworden – gemachtigd is om te komen tot beslag tot afgifte ex artikel 491 Rv Pro e.v., waarbij de executie geschiedt door afgifte van de auto aan een door de curator aan te wijzen deurwaarder, welke vervolgens tot afgifte van de auto aan de curator komt conform artikel 491 e.v. Rv.
in reconventie
4.4.
wijst de vorderingen af,
in conventie en in reconventie
4.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.796,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.6.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. O. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.
1780