ECLI:NL:RBGEL:2026:1461

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
05/299623-25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77i SrArt. 77m Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak afpersing en veroordeling diefstal met geweld door minderjarige

Op 7 november 2025 werd het slachtoffer in Arnhem door drie jongens aangesproken en werd zijn bodywarmer weggenomen. Verdachte vroeg om de jas te passen en gaf deze niet terug. Er ontstond een conflict waarbij het slachtoffer met een kruk werd geslagen en in een wurggreep werd gehouden. Verdachte droeg bij zijn aanhouding de bodywarmer van het slachtoffer.

De rechtbank oordeelde dat afpersing niet bewezen kon worden omdat het slachtoffer de jas vrijwillig gaf. Wel werd bewezen dat verdachte samen met medeverdachten de bodywarmer heeft gestolen met geweld en bedreiging om het bezit te verzekeren. Het geweld vond plaats in het centrum van Arnhem en veroorzaakte angst bij het slachtoffer en omstanders.

De rechtbank hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van de minderjarige verdachte, zijn positieve ontwikkeling tijdens voorlopige hechtenis en het advies van de Raad voor de Kinderbescherming. Daarom werd een jeugddetentie van 44 dagen opgelegd, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden gericht op hulpverlening, en een werkstraf van 60 uur.

De benadeelde partij kreeg een smartengeldvergoeding van €600 toegekend met wettelijke rente vanaf de datum van het feit. De schadevergoedingsmaatregel werd opgelegd zonder vervangende gijzeling vanwege de minderjarige status van verdachte.

De rechtbank sprak verdachte vrij van afpersing, veroordeelde hem voor diefstal met geweld en stelde voorwaarden om recidive te voorkomen, waarbij hulpverlening prioriteit heeft.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van afpersing, veroordeeld voor diefstal met geweld met 44 dagen jeugddetentie (waarvan 30 voorwaardelijk) en 60 uur werkstraf, en smartengeld van €600 toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05-299623-25
Datum uitspraak : 24 februari 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] (Syrië),
wonende aan [adres] .
Raadsman: mr. J. Zeegers, advocaat in Doetinchem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting achter gesloten deuren van 10 februari 2026.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 7 november 2025 te Arnhem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een jas/bodywarmer, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of een derde toebehoorde(n) door
- die [slachtoffer] om zijn jas/bodywarmer te vragen en/of (vervolgens) weg te lopen met die jas/bodywarmer en/of
- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met een kruk, althans met een soortgelijk voorwerp, op/tegen het lichaam te slaan en/of
- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) bij de nek/keel te pakken en/of in een zogeheten wurggreep te houden en/of
- " steek hem, steek hem" te zeggen tegen en/of in de buurt van die [slachtoffer] , althans handelingen en/of woorden van gelijke aard en/of strekking;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:
hij op of omstreeks 7 november 2025 te Arnhem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een jas/bodywarmer, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- die [slachtoffer] om zijn jas/bodywarmer te vragen en/of (vervolgens) weg te lopen met die jas/bodywarmer en/of
- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met een kruk, althans met een soortgelijk voorwerp, op/tegen het lichaam te slaan en/of
- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) bij de nek/keel te pakken en/of in een zogeheten wurggreep te houden en/of
- " steek hem, steek hem" te zeggen tegen en/of in de buurt van die [slachtoffer] ,
althans handelingen en/of woorden van gelijke aard en/of strekking;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:
hij op of omstreeks 7 november 2025 te Arnhem op of aan de Roggestraat, althans in de binnenstad van Arnhem, in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit
- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met een kruk, althans met een soortgelijk voorwerp, op/tegen het lichaam te slaan en/of
- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) bij de nek/keel te pakken en/of in een zogeheten wurggreep te houden.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat de primair ten laste gelegde afpersing niet bewezen kan worden, nu het slachtoffer zijn bodywarmer vrijwillig heeft afgegeven. Er was dus geen sprake van dwang. Verdachte dient hiervan te worden vrijgesproken.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wel wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld, in vereniging gepleegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Aangever heeft zijn bodywarmer niet onder dwang afgegeven en ook blijkt niet dat het opzet van verdachte was gericht op het zich met geweld toe-eigenen van de bodywarmer. Het handelen van verdachte dient dan ook gekwalificeerd te worden als openlijke geweldpleging, zoals meer subsidiair ten laste is gelegd.
Beoordeling door de rechtbank
Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 7 november 2025 met zijn vriend richting het station in Arnhem liep en zij onderweg werden aangesproken door drie jongens. Jongen 1 had een lichte jas aan, jongen 2 droeg een dikke, zwarte jas en jongen 3 had een lange zwarte jas aan. Ze zijn samen naar een plek gelopen om sigaretten te halen. Ineens vroeg jongen 2 of hij zijn jas even aan mocht, omdat hij hem mooi vond. Aangever gaf zijn jas aan jongen 2 en deze jongen liep vervolgens samen met jongen 3 naar de hoek van de straat, waar ze met elkaar praatten. Ze wilden weglopen met de jas en aangever volgde hen en vroeg waar ze naartoe gingen. Jongen 3 zei: “als jullie ons blijven volgen, dan ga ik jullie moeder neuken”. Aangever bleef achter de jongens aan lopen en werd toen ineens door jongen 3 twee keer met een kruk tegen zijn linker bovenbeen geslagen. Aangever pakte de kruk vast en jongen 1 draaide zijn arm om zijn nek waardoor aangever niet meer kon bewegen. Daarna sloeg jongen 3 hem een aantal keer op zijn linkerhand met de kruk. Aangever had veel pijn. Hij probeerde de kruk te pakken en jongen 1 van zich af te slaan, maar dat lukte niet. Uiteindelijk wist hij te ontkomen en een vrouw heeft de politie gebeld. Terwijl aangever en zijn vriend op de politie stonden te wachten, kwamen twee van de jongens op hen afgerend. Jongen 1 riep tegen jongen 2: “steek hem, steek hem”. Dit was tegen de vriend van aangever gericht. De politie heeft twee jongens aangehouden en aangever herkende hen als jongen 1 en jongen 2. Laatstgenoemde had bij zijn aanhouding de bodywarmer van aangever aan. Dit was een zwarte bodywarmer van het merk Moncler. [2]
Getuige [getuige 1] , de vriend van aangever, heeft verklaard dat jongen 2 vroeg of hij de jas van aangever even mocht proberen. Hij zou hem daarna teruggeven. Nadat aangever zijn jas had gegeven, begonnen de jongens raar gedrag te vertonen. Jongen 3 zei dat aangever zijn jas niet meer terug zou krijgen. De getuige liep samen met aangever naar jongen 3 toe en deze jongen sloeg aangever met de kruk. Jongen 1 bemoeide zich ermee en sloeg aangever met beide vuisten. Onderweg troffen ze een vrouw die de politie belde. Daarna kwamen jongen 1 en jongen 2 weer aanlopen en jongen 1 zei: “rijg hem aan het mes”. [3]
Getuige [getuige 2] verklaarde dat zij haar hond uitliet op de Bovenbeekstraat in Arnhem en zij zag dat een aantal jongens ruzie met elkaar had. Ze zag dat een jongen met een zwarte jas met een kruk om zich heen sloeg. Ze hoorde één van de jongens zeggen dat ze met zijn drieën zijn jas hadden gestolen. Zij heeft gezien dat de politie twee van de jongens heeft aangehouden. Dit waren de jongens die met het slachtoffer hadden gevochten. [4]
Op aanwijzen van aangever heeft de politie twee jongens aangehouden, te weten verdachte [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] droeg een beige bodywarmer en [verdachte] droeg de bodywarmer van aangever onder zijn eigen zwarte jas. [5]
[verdachte] heeft verklaard dat hij die avond samen met twee andere jongens, die hij [medeverdachte 1] en [naam] noemt, in Arnhem was. Hij is de persoon met de korte, zwarte jas, die door aangever en getuige [getuige 1] jongen 2 wordt genoemd. Jongen 3 is volgens verdachte [medeverdachte 1]
[de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1] ]. [6] [verdachte] vroeg aangever of hij zijn bodywarmer mocht passen, omdat zijn vriend deze mooi vond. Hij heeft de bodywarmer aangetrokken en daarna wilde hij hem niet teruggeven. [7]
[medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij die avond met zijn vrienden [verdachte] en [medeverdachte 1] in Arnhem was
[de rechtbank begrijpt: [verdachte] en [medeverdachte 1] ]. [medeverdachte 1] had een lange jas aan en hij had een kruk vast. [verdachte] zei tegen een jongen dat hij zijn jas mooi vond en hij vroeg of hij deze jas mocht proberen. Dat mocht van de jongen en [verdachte] zei dat hij de jas niet terug zou krijgen. Er ontstond een woordenwisseling en ze gingen vechten. [medeverdachte 1] heeft het slachtoffer met de kruk op zijn been geslagen. [8]
De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat de persoon die jongen 1 wordt genoemd [medeverdachte 3] is, jongen 2 [verdachte] en dat jongen 3 [medeverdachte 1] betreft. Verder staat vast dat [verdachte] bij zijn aanhouding de bodywarmer van aangever aan had en dat er die avond, nadat aangever zijn bodywarmer had afgegeven, geweld is gebruikt tegen aangever.
De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden, is hoe dit handelen juridisch gekwalificeerd dient te worden.
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan afpersing, nu aangever zijn bodywarmer vrijwillig aan hem heeft gegeven. Het primair ten laste gelegde is dan ook niet bewezen en de rechtbank spreekt verdachte hiervan vrij.
De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met zijn medeverdachten schuldig heeft gemaakt aan diefstal gevolgd van geweld en bedreiging met geweld. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
Uit de verklaringen van aangever en getuige [getuige 1] volgt dat de sfeer in de groep omsloeg zodra aangever zijn bodywarmer aan [verdachte] had gegeven. Nadat [verdachte] de bodywarmer had aangetrokken, liep hij direct samen met [medeverdachte 1] weg en vervolgens werd duidelijk gemaakt dat aangever zijn bodywarmer niet meer terug zou krijgen. [verdachte] heeft ook verklaard dat hij de bodywarmer niet meer terug wilde geven. Naar het oordeel van de rechtbank waren deze handelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht op het toe-eigenen van de bodywarmer. Daarmee is sprake van diefstal.
Nadat voor aangever duidelijk werd dat [verdachte] zijn bodywarmer niet terug wilde geven, besloot hij samen met zijn vriend de verdachten te volgen. Dit mondde uit in geweld, waarbij aangever meerdere malen met een kruk is geslagen door [medeverdachte 1] en hij door [medeverdachte 3] om zijn nek is gepakt. Ook zijn [verdachte] en [medeverdachte 3] op aangever en zijn vriend afgerend waarbij [medeverdachte 3] tegen [verdachte] heeft gezegd dat hij de vriend van aangever moest steken. De rechtbank is van oordeel dat dit geweld en deze dreiging met geweld is gebruikt om zich het bezit van de bodywarmer te verzekeren. Daarbij was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten, die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering.
Concluderend acht de rechtbank het subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks7 november 2025 te Arnhem tezamen en in vereniging met
een of meeranderen,
althans alleen,een
jas/bodywarmer,
in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten deleaan [slachtoffer]
, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)toebehoorde
(n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd
voorafgegaan, vergezeld en/ofgevolgd van geweld en
/ofbedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om
die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad,
aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzijhet bezit van het gestolene te verzekeren, door
- die [slachtoffer] om zijn
jas/bodywarmer te vragen en
/of (vervolgens
)weg te lopen met die
jas/bodywarmer en
/of
- die [slachtoffer] meermalen,
althans eenmaal,(met kracht) met een kruk
, althans met een soortgelijk voorwerp, op/tegen het lichaam te slaan en
/of
- die [slachtoffer]
meermalen, althans eenmaal,(met kracht) bij de nek
/keelte pakken en
/ofin een zogeheten wurggreep te houden en
/of
- " steek hem, steek hem" te zeggen
tegen en/ofin de buurt van die [slachtoffer]
,
althans handelingen en/of woorden van gelijke aard en/of strekking.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
diefstal, gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 44 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast vordert de officier van justitie de oplegging van een werkstraf van 120 uren. Verder is verzocht het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat, conform het advies van de Raad voor de Kinderbescherming, een jeugddetentie wordt opgelegd die gelijk is aan het voorarrest en daarnaast een geheel voorwaardelijke werkstraf met een proeftijd van twee jaren. Daarbij heeft de raadsman naar voren gebracht dat de nadruk dient te liggen op hulpverlening om herhaling te voorkomen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan diefstal met geweld van een bodywarmer. Hij heeft het slachtoffer gevraagd of hij zijn bodywarmer even mocht proberen en is vervolgens samen met de medeverdachten weggelopen. Toen het slachtoffer achter hen aan ging om zijn bodywarmer terug te krijgen, hebben verdachte en zijn medeverdachten geweld gebruikt tegen het slachtoffer. Het slachtoffer is onder meer met een kruk geslagen en om zijn nek gepakt. Als gevolg hiervan had hij blauwe plekken en zwellingen. Het slachtoffer voelde zich angstig en zijn gevoel van veiligheid op straat is aangetast. Verdachte heeft geen rekening gehouden met de impact van zijn handelen op het slachtoffer. Daarnaast vond het geweld plaats in het centrum van Arnhem, waardoor omstanders hiermee geconfronteerd werden. Dergelijk handelen veroorzaakt gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de maatschappij.
Uit het strafblad van verdachte volgt dat hij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
De rechtbank heeft verder acht geslagen op de rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming. Hieruit volgt dat beïnvloedbaarheid, het verwerven van aanzien, erbij willen horen en niet nadenken over de gevolgen een rol hebben gespeeld bij het plegen van het strafbare feit. Dit werd versterkt door middelengebruik. Tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis is een aantal grote zorgen aanzienlijk verbeterd, zoals het middelengebruik. Verdachte werkt goed mee aan de ingezette hulpverlening en komt zijn afspraken na. Er blijven zorgen over het gebrek aan een zinvolle dagbesteding en het feit dat er weinig zicht is op wat hij in zijn vrije tijd doet en met wie hij omgaat. Om herhaling van strafbaar gedrag te voorkomen is het belangrijk dat verdachte beschikt over een zinvolle dagbesteding, zoals school, hij weerstand kan bieden aan negatieve invloeden en hij een duidelijk toekomstperspectief heeft. Daarnaast dient te worden voorkomen dat verdachte terugvalt in zorgelijk middelengebruik.
Gelet op de positieve ontwikkeling die verdachte heeft ingezet, adviseert de Raad voor de Kinderbescherming geen langere onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen dan de tijd die verdachte al vast heeft gezeten. Daarnaast is het van belang dat hij een stok achter de deur ervaart in de vorm van een voorwaardelijke werkstraf met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden, zoals een meldplicht, het hebben van dagbesteding (school), meewerken aan urinecontroles, hulpverlening en, indien nodig, behandeling.
De rechtbank overweegt dat uit het voorgaande volgt dat voor de minderjarige verdachte hulpverlening prioriteit moet hebben om de kans op herhaling te verlagen. De door de Raad voor de Kinderbescherming geformuleerde bijzondere voorwaarden dragen hieraan bij. Daarom zal de rechtbank deze voorwaarden verbinden aan een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van één maand. Deze voorwaardelijke straf dient als stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal, gelet op de ernst van het feit, daarnaast een onvoorwaardelijke jeugddetentie opleggen gelijk aan de duur van de voorlopige hechtenis.
Het is belangrijk dat verdachte naar school gaat en de hulpverlening en behandeling accepteert en hij zich hiervoor inzet. Om dit niet te veel te doorkruisen en verdachte niet te overvragen, legt de rechtbank een lagere werkstraf op dan door de officier van justitie is geëist. Een werkstraf van 60 uren acht de rechtbank passend.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met het feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.000,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarbij is verzocht te bepalen dat geen vervangende gijzeling zal worden toegepast.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden gematigd tot een bedrag van € 500,00, gelet op het geringe aandeel dat verdachte heeft gehad in het geweld.
Overweging van de rechtbank
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek valt.
Door de diefstal met geweld heeft de benadeelde immers lichamelijk letsel opgelopen in de vorm van blauwe plekken en zwellingen. Dit is aan verdachte toe te rekenen.
De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 600,00 vaststellen.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Verdachte is vanaf 7 november 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachte ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte de schade heeft vergoed.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat geen vervangende gijzeling zal worden toegepast omdat verdachte minderjarig is.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit;
 verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een
jeugddetentie voor de duur van 44 dagen;
  • bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie, te weten 30 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren niet heeft gehouden aan de hierna te melden voorwaarden:
  • stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
  • stelt als bijzondere voorwaarden dat:
- verdachte zich op de door de gecertificeerde instelling bepaalde tijdstippen meldt bij Leger des Heils Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, locatie Leeuwarden en hij zich gedurende de proeftijd zal blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de instelling dat nodig acht;
- verdachte zich houdt aan de voorschriften en aanwijzingen van de jeugdreclassering en de afspraken die hij met de jeugdreclasseerder maakt;
- verdachte gedurende de proeftijd onderwijs zal volgen (en/of in overleg met de jeugdreclassering een andere zinvolle dagbesteding heeft);
- verdachte verplicht is mee te werken aan urinecontroles om zicht te krijgen op middelengebruik, zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;
- verdachte meewerkt aan de voorgestelde begeleiding, hulpverlening en behandeling (Care Forward en VEX), indien en zolang de jeugdreclassering dit nodig acht.
 stelt als overige voorwaarden dat:
  • verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit afnemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
  • verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. De medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht zijn daaronder begrepen;
 geeft opdracht aan Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering, locatie Leeuwarden tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;
 veroordeelt verdachte tot een taakstraf, te weten
een werkstraf van 60 uren, met bevel dat als deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen;
 heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis;
  • veroordeelt verdachte in verband met het feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 600,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 november 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 600,00 aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 november 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 0 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
 bepaalt dat als een medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Gerritsen (voorzitter en kinderrechter), mr. I.D. Jacobs en mr. L.M. Vogel, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. A.I. Warringa, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 februari 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025540871, gesloten op 12 november 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van aangifte, p 16-18.
3.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 29-30.
4.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 26.
5.Proces-verbaal van bevindingen, p. 33.
6.Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 februari 2026.
7.Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 95.
8.Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 3] , p. 77-78.