ECLI:NL:RBGEL:2026:1464

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
05/302173-25; 05/408038-24 (tul)
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 312 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak afpersing en veroordeling diefstal met geweld in vereniging

Op 7 november 2025 werd verdachte samen met medeverdachten betrokken bij een incident in Arnhem waarbij een bodywarmer werd weggenomen van het slachtoffer. Het slachtoffer gaf de jas vrijwillig af, waarna verdachte en medeverdachten wegliepen en geweld gebruikten om het bezit van de jas te verzekeren.

De rechtbank oordeelde dat afpersing niet bewezen was omdat het slachtoffer de jas vrijwillig gaf, maar dat diefstal met geweld in vereniging wel wettig en overtuigend bewezen was. Het geweld bestond uit meerdere slagen met een kruk en een wurggreep, wat leidde tot lichamelijk letsel en angst bij het slachtoffer.

Verdachte had een strafblad en liep nog in een proeftijd. Ondanks eerdere begeleiding door de reclassering pleegde hij opnieuw een strafbaar feit. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 9 maanden op, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden gericht op begeleiding en gedragsbeïnvloeding. Tevens werd een schadevergoeding van €600 aan smartengeld toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente. De voorwaardelijke straf dient als stok achter de deur om het hulpverleningskader te laten slagen.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van afpersing, veroordeeld tot 9 maanden gevangenisstraf waarvan 4 maanden voorwaardelijk en betaling van €600 smartengeld.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummers: 05-302173-25; 05-408038-24 (tul)
Datum uitspraak : 24 februari 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 2007 in [geboorteplaats] (Syrië),
op dit moment gedetineerd in de P.I. [plaats] .
Raadsman: mr. G.W. Roest, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 10 februari 2026.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 7 november 2025 te Arnhem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een jas/bodywarmer, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of een derde toebehoorde(n) door
- die [slachtoffer] om zijn jas/bodywarmer te vragen en/of (vervolgens) weg te lopen met die jas/bodywarmer en/of
- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met een kruk, althans met een soortgelijk voorwerp, op/tegen het lichaam te slaan en/of
- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) bij de nek/keel te pakken en/of in een zogeheten wurggreep te houden en/of
- " steek hem, steek hem" te zeggen tegen en/of in de buurt van die [slachtoffer] , althans handelingen en/of woorden van gelijke aard en/of strekking;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:
hij op of omstreeks 7 november 2025 te Arnhem tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een jas/bodywarmer, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- die [slachtoffer] om zijn jas/bodywarmer te vragen en/of (vervolgens) weg te lopen met die jas/bodywarmer en/of
- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met een kruk, althans met een soortgelijk voorwerp, op/tegen het lichaam te slaan en/of
- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) bij de nek/keel te pakken en/of in een zogeheten wurggreep te houden en/of
- " steek hem, steek hem" te zeggen tegen en/of in de buurt van die [slachtoffer] ,
althans handelingen en/of woorden van gelijke aard en/of strekking;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:
hij op of omstreeks 7 november 2025 te Arnhem op of aan de Roggestraat, althans in de binnenstad van Arnhem, in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit
- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met een kruk, althans met een soortgelijk voorwerp, op/tegen het lichaam te slaan en/of
- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) bij de nek/keel te pakken en/of in een zogeheten wurggreep te houden.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat de primair ten laste gelegde afpersing niet bewezen kan worden, nu het slachtoffer zijn bodywarmer vrijwillig heeft afgegeven. Er was dus geen sprake van dwang. Verdachte dient hiervan te worden vrijgesproken.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wel wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld, in vereniging gepleegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Aangever heeft zijn bodywarmer niet onder dwang afgegeven en er is geen sprake van een wegnemingshandeling. Het handelen van verdachte dient in dit geval dan ook gekwalificeerd te worden als openlijke geweldpleging, zoals meer subsidiair ten laste is gelegd.
Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat het laatste gedachtestreepje van het subsidiair ten laste gelegde niet bewezen kan worden, omdat verdachte niet aanwezig was toen deze opmerking door de medeverdachte werd gemaakt.
Beoordeling door de rechtbank
Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 7 november 2025 met zijn vriend richting het station in Arnhem liep en zij onderweg werden aangesproken door drie jongens. Jongen 1 had een lichte jas aan, jongen 2 droeg een dikke, zwarte jas en jongen 3 had een lange zwarte jas aan. Ze zijn samen naar een plek gelopen om sigaretten te halen. Ineens vroeg jongen 2 of hij zijn jas even aan mocht, omdat hij hem mooi vond. Aangever gaf zijn jas aan jongen 2 en deze jongen liep vervolgens samen met jongen 3 naar de hoek van de straat, waar ze met elkaar praatten. Ze wilden weglopen met de jas en aangever volgde hen en vroeg waar ze naartoe gingen. Jongen 3 zei: “als jullie ons blijven volgen, dan ga ik jullie moeder neuken”. Aangever bleef achter de jongens aan lopen en werd toen ineens door jongen 3 twee keer met een kruk tegen zijn linker bovenbeen geslagen. Aangever pakte de kruk vast en jongen 1 draaide zijn arm om zijn nek waardoor aangever niet meer kon bewegen. Daarna sloeg jongen 3 hem een aantal keer op zijn linkerhand met de kruk. Aangever had veel pijn. Hij probeerde de kruk te pakken en jongen 1 van zich af te slaan, maar dat lukte niet. Uiteindelijk wist hij te ontkomen en een vrouw heeft de politie gebeld. De politie heeft twee jongens aangehouden en aangever herkende hen als jongen 1 en jongen 2. Laatstgenoemde had bij zijn aanhouding de bodywarmer van aangever aan. Dit was een zwarte bodywarmer van het merk Moncler. [2]
Getuige [getuige 1] , de vriend van aangever, heeft verklaard dat jongen 2 vroeg of hij de jas van aangever even mocht proberen. Hij zou hem daarna teruggeven. Nadat aangever zijn jas had gegeven, begonnen de jongens raar gedrag te vertonen. Jongen 3 zei dat aangever zijn jas niet meer terug zou krijgen. De getuige liep samen met aangever naar jongen 3 toe en deze jongen sloeg aangever met de kruk. Jongen 1 bemoeide zich ermee en sloeg aangever met beide vuisten. Onderweg troffen ze een vrouw die de politie belde. [3]
Getuige [getuige 2] verklaarde dat zij haar hond uitliet op de Bovenbeekstraat in Arnhem en zij zag dat een aantal jongens ruzie met elkaar had. Ze zag dat een jongen met een zwarte jas met een kruk om zich heen sloeg. Ze hoorde één van de jongens zeggen dat ze met zijn drieën zijn jas hadden gestolen. Zij heeft gezien dat de politie twee van de jongens heeft aangehouden. Dit waren de jongens die met het slachtoffer hadden gevochten. [4]
Op aanwijzen van aangever heeft de politie twee jongens aangehouden, te weten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] droeg een beige bodywarmer en [medeverdachte 1] droeg de bodywarmer van aangever onder zijn eigen zwarte jas. [5]
[medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij die avond met zijn vrienden [medeverdachte 1] en [verdachte] in Arnhem was
[de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1] en [verdachte] ]. [verdachte] had een lange jas aan en hij had een kruk vast. [medeverdachte 1] zei tegen een jongen dat hij zijn jas mooi vond en hij vroeg of hij deze jas mocht proberen. Dat mocht van de jongen en [medeverdachte 1] zei dat hij de jas niet terug zou krijgen. Er ontstond een woordenwisseling en ze gingen vechten. [verdachte] heeft het slachtoffer met de kruk op zijn been geslagen. [6]
[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij aangever vroeg of hij zijn bodywarmer mocht passen, omdat zijn vriend deze mooi vond. Hij heeft de bodywarmer aangetrokken en daarna wilde hij hem niet teruggeven. [7]
De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat de persoon die jongen 1 wordt genoemd [medeverdachte 2] is, jongen 2 [medeverdachte 1] en dat jongen 3 [verdachte] betreft. Verder staat vast dat [medeverdachte 1] bij zijn aanhouding de bodywarmer van aangever aan had en dat er die avond, nadat aangever zijn bodywarmer had afgegeven, geweld is gebruikt tegen aangever.
De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden, is hoe dit handelen juridisch gekwalificeerd dient te worden.
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan afpersing, nu aangever zijn bodywarmer vrijwillig aan [medeverdachte 1] heeft gegeven. Het primair ten laste gelegde is dan ook niet bewezen en de rechtbank spreekt verdachte hiervan vrij.
De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met zijn medeverdachten schuldig heeft gemaakt aan diefstal gevolgd van geweld. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
Uit de verklaringen van aangever en getuige [getuige 1] volgt dat de sfeer in de groep omsloeg zodra aangever zijn bodywarmer aan [medeverdachte 1] had gegeven. Nadat [medeverdachte 1] de bodywarmer had aangetrokken, liep hij direct samen met [verdachte] weg en vervolgens werd duidelijk gemaakt dat aangever zijn bodywarmer niet meer terug zou krijgen. [medeverdachte 1] heeft ook verklaard dat hij de bodywarmer niet meer terug wilde geven. Naar het oordeel van de rechtbank waren deze handelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht op het toe-eigenen van de bodywarmer. Daarmee is sprake van diefstal.
Nadat voor aangever duidelijk werd dat [medeverdachte 1] zijn bodywarmer niet terug wilde geven, besloot hij samen met zijn vriend de verdachten te volgen. Dit mondde uit in geweld, waarbij aangever meerdere malen met een kruk is geslagen door [verdachte] en hij door [medeverdachte 2] om zijn nek is gepakt. De rechtbank is van oordeel dat dit geweld is gebruikt om zich het bezit van de bodywarmer te verzekeren. Daarbij was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten, die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering.
Concluderend acht de rechtbank het subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks7 november 2025 te Arnhem tezamen en in vereniging met
een of meeranderen,
althans alleen,een
jas/bodywarmer,
in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten deleaan [slachtoffer]
, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)toebehoorde
(n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd
voorafgegaan, vergezeld en/ofgevolgd van geweld en
/ofbedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om
die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad,
aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzijhet bezit van het gestolene te verzekeren, door
- die [slachtoffer] om zijn
jas/bodywarmer te vragen en
/of (vervolgens
)weg te lopen met die
jas/bodywarmer en
/of
- die [slachtoffer] meermalen,
althans eenmaal,(met kracht) met een kruk
, althans met een soortgelijk voorwerp, op/tegen het lichaam te slaan en
/of
- die [slachtoffer]
meermalen, althans eenmaal,(met kracht) bij de nek
/keelte pakken en
/ofin een zogeheten wurggreep te houden
en/of
- "steek hem, steek hem" te zeggen tegen en/of in de buurt van die [slachtoffer] ,
althans handelingen en/of woorden van gelijke aard en/of strekking.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
diefstal, gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest. Hieraan dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden zoals door de reclassering geadviseerd met een proeftijd van twee jaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest. Daarbovenop zou een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken kunnen worden opgelegd (gelijk aan de vordering tot tenuitvoerlegging), zodat hieraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden kunnen worden verbonden.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan diefstal met geweld van een bodywarmer. Een medeverdachte heeft het slachtoffer gevraagd of hij zijn bodywarmer even mocht proberen en verdachte is vervolgens samen met de medeverdachten weggelopen. Toen het slachtoffer achter hen aan ging om zijn bodywarmer terug te krijgen, hebben verdachte en zijn medeverdachten geweld gebruikt tegen het slachtoffer. Het slachtoffer is onder meer met een kruk geslagen en om zijn nek gepakt. Als gevolg hiervan had hij blauwe plekken en zwellingen. Het slachtoffer voelde zich angstig en zijn gevoel van veiligheid op straat is aangetast. Verdachte heeft geen rekening gehouden met de impact van zijn handelen op het slachtoffer. Daarnaast vond het geweld plaats in het centrum van Arnhem, waardoor omstanders hiermee geconfronteerd werden. Dergelijk handelen veroorzaakt gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de maatschappij.
Uit het strafblad van verdachte volgt dat hij sinds zijn aankomst in Nederland in 2024 meerdere keren is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder geweldsfeiten. Verdachte liep hiervoor nog in een proeftijd.
De rechtbank heeft verder acht geslagen op het reclasseringsrapport dat over verdachte is opgemaakt. Hieruit volgt dat verdachte enkele weken na zijn aankomst in Nederland drugs is gaan gebruiken en crimineel gedrag is gaan vertonen. In verband met een eerdere veroordeling was sprake van toezicht door de jeugdreclassering, maar het bleek moeilijk verdachte middels begeleiding te sturen. Verdachte was gemotiveerd voor school, maar nadat dit binnen het asielzoekerscentrum vertraging opliep, verloor hij deze motivatie. Zijn prioriteit was vervolgens vooral gelegen in het regelen en gebruiken van (soft)drugs. Verdachte had een verstoord dag- en nachtritme, geen dagbesteding en ging om met negatieve sociale contacten. Omdat zijn familie in Syrië verblijft, is er geen steunend sociaal netwerk. Verdachte is dus op zichzelf aangewezen, met een gebrek aan perspectief, terwijl hij nog onvoldoende zelfredzaam is en de Nederlandse taal niet beheerst. Hij heeft goede toekomstplannen, maar het is tot op heden niet gelukt hierin stappen te zetten. Sinds zijn detentie gebruikt verdachte geen softdrugs meer en hij is gemotiveerd om dit vol te houden. De reclassering schat het recidiverisico in als hoog, omdat beschermende factoren ontbreken. Geadviseerd wordt aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden, zoals een meldplicht, het hebben van dagbesteding, ambulante behandeling en beheersing van middelengebruik.
De rechtbank overweegt dat verdachte eerder hulp en begeleiding heeft gekregen van de reclassering, maar dat hij desondanks opnieuw een strafbaar feit heeft gepleegd. Gelet op de ernst van dit feit en het strafblad van verdachte is de rechtbank van oordeel dat een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf passend is. Het is daarnaast van belang dat verdachte een andere weg inslaat en gaat werken aan zijn toekomstplannen. De door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden kunnen verdachte daarbij helpen. Het is belangrijk dat dit hulpverleningskader goed van de grond komt en de rechtbank acht daarom een substantiële voorwaardelijke straf als stok achter de deur dan ook noodzakelijk.
Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van negen maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk passend. Hieraan verbindt zij de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met het feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.000,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarbij is verzocht te bepalen dat geen vervangende gijzeling zal worden toegepast.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering, gelet op het gebruikte geweld, slechts voor een deel kan worden toegewezen en heeft bepleit dat de vordering niet hoofdelijk wordt toegewezen.
Overweging van de rechtbank
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek valt.
Door de diefstal met geweld heeft de benadeelde immers lichamelijk letsel opgelopen in de vorm van blauwe plekken en zwellingen. Dit is aan verdachte toe te rekenen.
De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 600,00 vaststellen.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Verdachte is vanaf 7 november 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachte ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte de schade heeft vergoed.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat geen vervangende gijzeling zal worden toegepast.

9.De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 05-408038-24)

De kinderrechter heeft verdachte op 12 maart 2025 veroordeeld tot, onder meer, een voorwaardelijke jeugddetentie van twee weken.
De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van die straf.
De raadsman heeft bepleit dat de vordering dient te worden afgewezen, nu de straf die door de raadsman is voorgesteld al hoger is dan gebruikelijk wordt opgelegd voor vergelijkbare feiten.
Bewezen is dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank is van oordeel dat de voorwaardelijk opgelegde straf daarom ten uitvoer moet worden gelegd. Nu uit het reclasseringsrapport volgt dat toepassing van het volwassenenstrafrecht passend is en verdachte op dit moment al in een inrichting voor volwassenen gedetineerd zit, zal de rechtbank de jeugddetentie omzetten in een gevangenisstraf van twee weken.

10.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

11.De beslissing

De rechtbank:
 spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit;
 verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden;
  • bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten
  • stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
 stelt als bijzondere voorwaarden dat:
  • verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich nadat de proeftijd is ingegaan bij Leger des Heils Reclassering. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak;
  • verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door een nader te bepalen instelling of zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, seksueel grensoverschrijdend gedrag, schuldenproblematiek, woonoverlast en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat betrokkene voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
  • verdachte zich gedurende de proeftijd zal inspannen voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
  • verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en/of middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek en/of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
 geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de volgende voorwaarde(n): [verder invullen] en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 beveelt de tenuitvoerlegging van de op 12 maart 2025 door de kinderrechter voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een jeugddetentie van 2 weken (parketnummer 05-408038-24);
 gelast dat deze jeugddetentie zal worden omgezet in een
gevangenisstraf van 2 weken;
  • veroordeelt verdachte in verband met het feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 600,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 november 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 600,00 aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 november 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 0 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
 bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.D. Jacobs (voorzitter), mr. M.C. Gerritsen en mr. L.M. Vogel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.I. Warringa, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 februari 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025540871, gesloten op 12 november 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van aangifte, p 16-18.
3.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 29-30.
4.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 26.
5.Proces-verbaal van bevindingen, p. 33.
6.Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] , p. 77-78.
7.Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , p. 95.