ECLI:NL:RBGEL:2026:1481

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
AWB-26_398
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 131 Wegenverkeerswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen oplegging Lichte Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer

Verzoeker is op 5 november 2025 aangehouden met een alcoholpromillage van 405 μg/l, waarna het CBR hem een Lichte Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (LEMA) oplegde. Verzoeker betwist het alcoholpromillage niet, maar voert aan dat medische omstandigheden, waaronder een mogelijk auto-brewery syndrome, het hoge alcoholgehalte kunnen verklaren. Hij stelt dat het CBR onvoldoende rekening heeft gehouden met deze medische verklaring en het besluit onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd is.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het CBR in de beslissing op bezwaar wel degelijk op de medische omstandigheden is ingegaan en deze onvoldoende onderbouwd acht. Verzoeker heeft geen medische bewijzen kunnen overleggen die het auto-brewery syndrome aantonen. Het CBR hoefde het besluit niet aan te houden in afwachting van nader medisch onderzoek, omdat dit langdurig kan zijn en het CBR wettelijk verplicht is spoedig te beslissen.

Verder is het opleggen van de LEMA een gebonden bevoegdheid van het CBR bij een vastgesteld alcoholpromillage tussen 350 en 435 μg/l, waardoor het CBR geen ruimte heeft voor een belangenafweging of uitstel. De voorzieningenrechter concludeert dat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de oplegging van de LEMA wordt afgewezen omdat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 26/398
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 februari 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker], uit [plaats], verzoeker

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR

(gemachtigde: I. Metaal).

Inleiding

1. Dit proces-verbaal bevat een zakelijke weergave van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van het CBR om aan hem een Lichte Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (LEMA) op te leggen.
1.1.
Het CBR heeft bij besluit van 19 november 2025 bepaald dat verzoeker een LEMA-cursus moet volgen, omdat hij op 5 november 2025 is aangehouden met te veel alcohol op. Met het bestreden besluit van 6 januari 2026 op het bezwaar van verzoeker is het CBR bij dat besluit gebleven.
1.2.
Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om het bestreden besluit bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen.
1.3.
Het CBR heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 februari 2026 op zitting behandeld. Verzoeker en de gemachtigde van het CBR hebben deelgenomen aan de zitting.
1.5.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Een zakelijk weergave van deze uitspraak wordt hieronder weergegeven.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter zet eerst kort uiteen hoe het bestreden besluit tot stand is gekomen. Vervolgens beoordeelt de voorzieningenrechter of er aanleiding bestaat om het bestreden besluit bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het beroep een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan namelijk een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Verzoeker is op 5 november 2025 staande gehouden door twee agenten van de politie. Bij het aanspreken van verzoeker roken de verbalisanten, zo blijkt uit het proces-verbaal, een alcoholgeur en gelet daarop hebben de agenten verzoeker gevorderd om mee te werken aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht (voorlopig ademonderzoek). Het ademtestapparaat gaf een alcoholindicatie van A/G aan. Verzoeker is daarom aan een ademanalyse onderworpen op het politiebureau. Uit de ademanalyse kwam een waarde van 405 μg/l naar voren. De politie heeft de bevindingen doorgegeven aan het CBR. Hierop heeft het CBR het besluit genomen zoals in de inleiding is genoemd.
Is het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen en onvoldoende gemotiveerd?
4. Verzoeker stelt in zijn beroepschrift het resultaat van de ademanalyse (405 μg/l) op zichzelf niet ter discussie, maar voert aan dat er vanwege medische redenen een (mogelijke) verklaring is voor het hoge alcoholpromillage en dat het CBR hier te makkelijk aan voorbij is gegaan. Dit is volgens verzoeker in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. In het kader van de te trachten zorgvuldigheid had het CBR de beslissing op bezwaar moeten aanhouden in afwachting van de beschikbaarheid van de medische bevindingen uit een door verzoeker aangekondigd medisch traject, aldus verzoeker.
4.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat verzoeker er in zijn bezwaarschrift op heeft gewezen dat er in het verleden bij hem een abnormaal verlengd en gelegen dolichosigmoid is vastgesteld, waarbij sprake is van een inwendige herniatie. In het gehernieerde deel van het dolichosigmoid is een overmatige aanwezigheid van gist- en schimmelflora in de darm waargenomen, aldus verzoeker. Deze medische omstandigheden zouden volgens verzoeker kunnen leiden tot endogene alcoholproductie (het auto-brewery syndrome) [1] , hetgeen het gemeten alcoholgehalte mogelijk zou kunnen verklaren.
4.2.
Anders dan verzoeker meent, is het CBR in de beslissing op bezwaar echter voldoende op deze (gestelde) medische omstandigheden ingegaan. Het CBR heeft namelijk – kort samengevat – overwogen dat de medische omstandigheden onvoldoende onderbouwd zijn. De voorzieningenrechter kan het CBR daarin volgen. Tot op heden – en in feite erkent verzoeker dat ook – is niet (medisch) onderbouwd en is ook anderszins niet gebleken dat verzoeker (mogelijk) aan het auto-brewery syndrome leidt. De algemene stelling van verzoeker dat er ooit een overmatige aanwezigheid van gist- en schimmelflora in zijn darm waargenomen, is daarvoor in ieder geval onvoldoende. Ook heeft het CBR de beslissing op bezwaar in redelijkheid niet aangehouden totdat er duidelijkheid is over het aangekondigd medisch onderzoek. Zoals het CBR terecht stelt kan een dergelijk onderzoek lange tijd in beslag nemen en heeft verzoeker ook nog geen duidelijkheid kunnen geven over wanneer dit onderzoek plaats zal vinden. Aanhouding verhoudt zich niet tot de wettelijke plicht van het CBR om met onverwijlde spoed over te gaan tot het opleggen van een maatregel.
4.3.
Het bestreden besluit is gelet op het voorgaande dan ook niet in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De beroepsgrond heeft geen redelijke kans van slagen.
Is het bestreden besluit onevenredig?
5. Verzoeker wijst er nog op dat het bestreden besluit onevenredig is. Zoals het CBR terecht heeft gesteld, betreft het opleggen van een LEMA een gebonden bevoegdheid. [2] Dat betekent dat het CBR van de wetgever een LEMA op moet leggen als de politie een ademanalyse rapporteert met een alcoholgehalte tussen 350 en 435 μg/1. Het CBR heeft van de wetgever geen ruimte gekregen om daar zelf een eigen (andere) keuze of afweging in te maken. Ook heeft het CBR geen ruimte om de maatregel al dan niet uit te stellen. Om die reden heeft het CBR terecht geen belangenafweging verricht waarin de gevolgen voor verzoeker zijn betrokken.
De beroepsgrond heeft geen redelijke kans van slagen.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af, omdat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft. Voor een vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat dan ook geen aanleiding.
6.1.
De voorzieningenrechter heeft medegedeeld dat tegen deze uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2026 door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier.
De griffier is verhinderd om dit proces-verbaal te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Mensen met dit syndrome produceren alcohol in hun eigen lichaam op basis van suikers die ze innemen.
2.Artikel 131 van Pro de Wegenverkeerswet.