ECLI:NL:RBGEL:2026:1482

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
AWB-26_78
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen terugvordering bijstand door gemeente

Verzoeker ontving bijstand op grond van de Participatiewet naar een norm voor iemand die in een inrichting verblijft. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rheden stelde op 13 november 2025 vast dat verzoeker te veel bijstand had ontvangen, namelijk € 10.290,96 over de periode van 1 november 2024 tot en met 31 oktober 2025, vanwege een fout van het college. Het college besloot slechts 50% van dit bedrag terug te vorderen. Daarnaast werd vastgesteld dat verzoeker over de periode van 1 januari 2025 tot en met 31 oktober 2025 meer dan € 1200 aan giften had ontvangen, wat leidde tot een extra terugvordering van € 1.754,40 netto. Verzoeker moest eerst dit bedrag terugbetalen, gevolgd door de helft van het foutieve bedrag. Vanaf 1 november 2025 zou het vakantiegeld worden ingehouden voor aflossing.

Verzoeker maakte op 6 januari 2026 bezwaar tegen deze terugvordering en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter beoordeelde of er sprake was van een spoedeisend belang, dat wil zeggen een dreigende noodsituatie of onomkeerbare gevolgen die het wachten op de bezwaarprocedure onmogelijk maken. Verzoeker gaf aan dat het besluit ingrijpende gevolgen had, maar reageerde niet op een verzoek om nadere toelichting.

De voorzieningenrechter concludeerde dat het besluit niet leidt tot een dreigende financiële noodsituatie, omdat de maandelijkse bijstand gewoon wordt uitbetaald en alleen het vakantiegeld wordt ingehouden. Dit betekent dat verzoeker in mei geen vakantiegeld ontvangt, maar dit vormt geen noodsituatie. Daarom is het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond en wordt het afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de terugvordering van bijstand wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/78

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[verzoeker], uit [plaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. A. van den Berg),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rheden.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de beslissing van het college om bijstand terug te vorderen.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
2. Verzoeker ontvang bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) naar de norm voor iemand die in een inrichting verblijft.
2.1.
Met het bestreden besluit van 13 november 2025 heeft het college bepaald dat verzoeker teveel bijstand heeft ontvangen. Aan verzoeker is per abuis over de periode van 1 november 2024 tot en met 31 oktober 2025 bijstand naar de norm van een alleenstaande uitbetaald, waardoor hij € 10.290,96 teveel heeft ontvangen. Omdat er sprake is van een fout van het college, besluit het college om niet het volledige bedrag maar 50%, dus € 5.145,48, terug te vorderen. Daarnaast heeft verzoeker over de periode van 1 januari 2025 tot en met 31 oktober 2025 meer dan € 1200 aan giften ontvangen. Hierdoor heeft hij nog € 1.754,40 teveel bijstand ontvangen. Dit betreft een netto bedrag. Als verzoeker dit bedrag voor het eind van 2025 niet heeft terugbetaald, dan wordt het bedrag gebruteerd. Verzoeker moet als eerst het bedrag van € 1.754,40 terug betalen en daarna het bedrag van € 5.145,48. Het college bepaald dat vanaf 1 november 2025 het vakantiegeld zal worden ingehouden voor aflossing van de schulden.
2.2.
Verzoeker heeft op 6 januari 2026 hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist. Het is aan verzoeker om aannemelijk te maken dat hij een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening. Er is sprake van een spoedeisend belang als aannemelijk is dat het bestreden besluit leidt tot een dreigende noodsituatie of dreigende onomkeerbare gevolgen voor verzoeker, waardoor de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs niet kan worden afgewacht.
3.1.
Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift aangegeven dat de uitvoering van het besluit ingrijpende gevolgen heeft. Per brief van 2 februari 2026 heeft de griffier verzoeker gevraagd om toe te lichten wat maakt dat hij de behandeling van het bezwaar niet af kan wachten. Verzoeker heeft hier niet op gereageerd.
3.2.
De voorzieningenrechter ziet geen reden om aan te nemen dat het besluit leidt tot een dreigende (financiële) noodsituatie. Uit het bestreden besluit volgt dat het college de reservering van het vakantiegeld aanwendt om de teveel ontvangen bijstand terug te betalen. De maandelijkse bijstand wordt op gebruikelijke wijze uitbetaald. Dit betekent feitelijk dat verzoeker in mei geen vakantiegeld krijgt uitgekeerd. De voorzieningenrechter ziet geen reden om aan te nemen dat verzoeker hierdoor in een noodsituatie komt te verkeren.

Conclusie en gevolgen

4. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y.A.J. van Egmond, griffier.
De uitspraak wordt openbaar gemaakt via geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De voorzieningenrechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.