ECLI:NL:RBGEL:2026:1483

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
25/5136
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning pottenveld

Stichting Milieuwerkgroep Buren e.o. heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen de aan een vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van een pottenveld op een locatie in Buren. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Buren had de vergunning op 26 september 2025 verleend en het bezwaar van verzoekster op 26 januari 2026 ongegrond verklaard.

Verzoekster vreesde dat archeologische waarden zouden worden aangetast door de grondwerkzaamheden die op grond van de vergunning zouden plaatsvinden, waardoor de uitspraak in de bodemzaak niet kon worden afgewacht. De vergunninghoudster en het college stelden echter dat het een legaliserende vergunning betrof en dat alle bodemwerkzaamheden reeds waren uitgevoerd.

De voorzieningenrechter achtte de toezegging van de vergunninghoudster betrouwbaar en concludeerde dat er geen onomkeerbare gevolgen meer te verwachten zijn. Hierdoor ontbrak het spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/5136

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

Stichting Milieuwerkgroep Buren e.o., uit Beusichem, verzoekster

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Buren.

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [plaats] (vergunninghoudster)
(gemachtigde: mr. C.J. Tijman).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van een pottenveld / containerteelt op het adres [locatie] in [plaats].
1.1.
Bij besluit van 26 september 2025 heeft het college de omgevingsvergunning verleend. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2. Met het bestreden van besluit 26 januari 2025 op het bezwaar van verzoekster heeft het college de omgevingsvergunning onder aanvulling van de motivering in stand gelaten. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.
2.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. [1] De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Daarvan is sprake als de uitspraak van de rechtbank in de beroepszaak (de bodemzaak) niet kan worden afgewacht. Een uitspraak in de bodemzaak kan niet worden afgewacht als er vóór die tijd onomkeerbare gevolgen ontstaan of dreigen te ontstaan. Verzoekster heeft in meerdere brieven aan de rechtbank aangegeven dat zij – kort samengevat – vreest dat archeologische waarden worden aangetast als gevolg van de grondwerkzaamheden die verricht worden op grond van de omgevingsvergunning en dat daarom de uitspraak in de bodemzaak niet kan worden afgewacht.
3.1.
Vergunninghoudster en het college hebben er schriftelijk op gewezen dat het een legaliserende omgevingsvergunning betreft. Bij mail van 5 februari 2026 heeft vergunninghoudster uitdrukkelijk bevestigd dat alle bodemwerkzaamheden in het kader van de verleende omgevingsvergunning reeds hebben plaatsgevonden. Hoewel verzoekster dit betwist, heeft de voorzieningenrechter – mede in het licht van het legaliserende karakter van deze vergunning – geen aanleiding om te twijfelen aan deze uitdrukkelijke en expliciete toezegging dat er geen nieuwe bodemwerkzaamheden meer uitgevoerd worden in het kader van de verleende omgevingsvergunning. Dat betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat de uitspraak in de bodemzaak kan worden afgewacht omdat er zich vóór die die tijd geen onomkeerbare gevolgen voordoen.
3.2.
De conclusie is dan ook dat er geen sprake is van een spoedeisend belang.

Conclusie en gevolgen

4. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.