Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:1492

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
9573712 CV EXPL 21-3528
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 164 lid 2 Rv (oud)Art. 6:265 BWArt. 6:96 lid 6 BWArt. 444 RvArt. 491 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst en ontruiming wegens huurachterstand van zestien maanden

In deze civiele bodemzaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Gelderland geoordeeld over een geschil tussen verhuurder en huurder betreffende huurachterstand en ontbinding van de huurovereenkomst.

De procedure omvatte deskundigenonderzoek, getuigenverhoren en bewijsopdrachten. Uit het deskundigenrapport bleek dat niet kon worden bewezen dat de verhuurder de door de huurder overgelegde kwitanties had ondertekend. De huurder stelde contante betalingen te hebben gedaan, maar deze werden niet voldoende ondersteund door aanvullend bewijs, waardoor de kantonrechter deze betalingen niet aannam.

De kantonrechter stelde vast dat de huurachterstand tot 1 augustus 2021 € 18.922,29 bedroeg, met een huurkorting van 70% vanaf 1 augustus 2021. De huurder werd veroordeeld tot betaling van het grootste deel van deze achterstand, terwijl een medehuurder werd veroordeeld tot betaling van de helft van de achterstallige huur tot en met maart 2018.

Gezien de huurachterstand van ruim zestien maanden achtte de kantonrechter dit ernstig genoeg om de huurovereenkomst te ontbinden en bepaalde een ontruimingstermijn van twee maanden na betekening van het vonnis. De gevorderde wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten werden afgewezen wegens gebrek aan grondslag. Beide gedaagden werden veroordeeld in de proceskosten, waarbij ook de kosten van de deskundige aan de huurder werden opgelegd.

In reconventie werd de vordering tot betaling wegens onverschuldigde huur afgewezen wegens gebrek aan bewijs. De kantonrechter verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en de huurder veroordeeld tot ontruiming en betaling van een huurachterstand van zestien maanden.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 9573712 \ CV EXPL 21-3528
Vonnis van 30 januari 2026
in de zaak van
[naam eiser in conventie / verweerder in reconventie],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser in conventie ] ,
rolgemachtigde: De Ruijter & Willemsen Gerechtsdeurwaarders & Incasso
gemachtigde: Juristu Incasso Juristen
tegen

1.[naam gedaagde in conventie / eiser in reconventie] ,

wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde in conventie 1]
gemachtigde: mr. C.A.M.H. Vink,
procederend krachtens toevoegingsnummer [toevoegingsnummer]
2.
[naam procederende in persoon / gedaagde in conventie],
wonende te [woonplaats] ,
procederend in persoon,
gedaagde partij in conventie,
hierna te noemen: [gedaagde in conventie 2] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 20 september 2024
- het proces-verbaal van het getuigenverhoor aan de kant van [gedaagde in conventie 1] van 20 maart 2025
- de akte uitlating van de kant van [eiser in conventie ] van 11 april 2025
- het proces-verbaal van het getuigenverhoor aan de kant van [eiser in conventie ] van 28 oktober 2025
- de akte, tevens conclusie na enquête van de kant van [eiser in conventie ] van 21 november 2025
- de antwoordakte, tevens antwoordconclusie na enquête van de kant van [gedaagde in conventie 1] .
1.2.
Daarna is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling in conventie

2.1.
De kantonrechter blijft bij hetgeen in eerdere vonnissen is overwogen en beslist. In het tussenvonnis van 20 september 2024 heeft de kantonrechter geoordeeld dat uit het deskundigenrapport volgt dat niet kan worden bewezen dat [eiser in conventie ] de door [gedaagde in conventie 1] overgelegde kwitanties van 12 november 2019 en 13 oktober 2020 heeft ondertekend en dat het bewijs voor de gestelde betalingen vooralsnog niet is geleverd. De kantonrechter heeft een getuigenverhoor gelast en op 20 maart 2025 is [gedaagde in conventie 1] als partij-getuige gehoord. Op 28 oktober 2025 is mevrouw [getuige] , dochter van [eiser in conventie ] (hierna: [getuige] ) in contra-enquête gehoord. In het proces-verbaal van 28 oktober 2025 is aan [eiser in conventie ] opgedragen bij akte, tevens conclusie na enquête, de actuele huurachterstand op te geven, rekening houdend met de huurprijsvermindering van 70% die de kantonrechter in het tussenvonnis van
30 september 2022 heeft bepaald. [eiser in conventie ] heeft een akte/conclusie genomen, waarna [gedaagde in conventie 1] in de gelegenheid is gesteld een antwoordakte, tevens antwoordconclusie na enquête te nemen.
2.2.
[eiser in conventie ] heeft bij akte/conclusie gesteld dat, met inachtneming van de huurkorting van 70% vanaf 1 augustus 2021 (zoals beslist in het tussenvonnis van 30 september 2022) de huurachterstand tot 1 augustus 2021 € 18.922,29 bedraagt. Volgens [eiser in conventie ] zijn de daaropvolgende huurpenningen betaald. Ten aanzien van het getuigenverhoor heeft [eiser in conventie ] geen aanvullende opmerkingen.
2.3.
[gedaagde in conventie 1] heeft bij antwoordakte/antwoordconclusie haar standpunt herhaald dat zij € 5.400,00 en € 16.000,00 ineens heeft betaald aan [eiser in conventie ] en zij betwist dan ook de gestelde huurachterstand per 1 augustus 2021. De kantonrechter gaat ervan uit dat [gedaagde in conventie 1] de door haar gestelde contante betalingen van € 5.472,15 en € 16.416,45 bedoelt. Ook [gedaagde in conventie 1] heeft geen aanvullende opmerkingen naar aanleiding van het laatste getuigenverhoor.
2.4.
De kantonrechter overweegt het volgende.
[gedaagde in conventie 1] heeft op 20 maart 2025 verklaard dat zij de bedragen van ruim € 5.400,00 en ruim € 16.000,00 contant heeft betaald aan [eiser in conventie ] en dat in beide gevallen de betalingen zijn gedaan in het gehuurde, in aanwezigheid van [getuige] , de dochter van [eiser in conventie ] .
[getuige] heeft op 28 oktober 2025 verklaard dat zij eenmaal in het gehuurde is geweest en wel op 29 oktober 2019. Zij heeft betwist dat zij op 12 november 2019 en 13 oktober 2020 in het gehuurde is geweest.
2.5.
Vooropgesteld wordt dat in deze zaak het oude bewijsrecht nog van toepassing is, omdat deze procedure aanhangig is gemaakt vóór de datum van inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht (1 januari 2025). In artikel 164 lid 2 Rv Pro (oud) ligt besloten dat de verklaring van een partijgetuige geen bewijs in haar voordeel kan opleveren als er geen aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen, dat zij de partijverklaring voldoende geloofwaardig maken.
2.6.
De kantonrechter heeft in rov. 2.5. in het tussenvonnis van 20 september 2024 geoordeeld dat uit het deskundigenrapport volgt dat niet kan worden bewezen dat [eiser in conventie ] de door [gedaagde in conventie 1] overgelegde kwitanties heeft ondertekend. Andere bewijsstukken heeft [gedaagde in conventie 1] niet ingediend. Dit betekent dat de verklaring van [gedaagde in conventie 1] , die niet strookt met verklaring van [getuige] , onvoldoende is om het vereiste bewijs van de gestelde betalingen te leveren.
2.7.
[gedaagde in conventie 1] heeft de door [eiser in conventie ] gestelde huurachterstand tot 1 augustus 2021 van € 18.922,29, behoudens de door haar gestelde betalingen, voor het overige niet betwist, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid van dit bedrag. Nu [eiser in conventie ] de huurachterstand niet nader heeft gespecificeerd bij akte, gaat de kantonrechter ervan uit dat het in rov. 5.2 van het tussenvonnis van 30 september 2022 genoemde bedrag van € 272,95, zijnde het deel van de vordering dat is verjaard, nog is begrepen in de door haar gestelde huurachterstand. Aan huurachterstand is daarom een bedrag van € 18.649,34 toewijsbaar.
[eiser in conventie ] vordert dat [gedaagde in conventie 2] wordt veroordeeld tot betaling van de helft van de achterstallige huurpenningen tot en met maart 2018. Uit het door haar overgelegde overzicht (productie 2 bij dagvaarding) volgt dat tot en met maart 2018, rekening houdend met het verjaarde deel van de vordering van € 272,95, sprake is van een huurachterstand van € 2.232,89. [gedaagde in conventie 2] wordt veroordeeld tot betaling van de helft, zijnde een bedrag van € 1.116,45. [gedaagde in conventie 1] wordt veroordeeld tot betaling van € 17.532,89 (€ 18.649,34 -/- € 1.116,45).
2.8.
De huurachterstand bedraagt, gelet op de voor 1 augustus 2021 geldende huurprijs van € 1.094,43, ruim zestien maanden. De kantonrechter is van oordeel dat een zodanige huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te ontbinden. In het kader van de zogenoemde ‘tenzij-bepaling’ in artikel 6:265 BW Pro, heeft [gedaagde in conventie 1] in haar conclusie van antwoord onder meer verwezen naar de abominabele staat van het gehuurde, maar dit is geen omstandigheid die leidt tot een ander oordeel. Met de forse verlaging van de huurprijs vanaf 1 augustus 2021, is naar het oordeel van de kantonrechter de toestand van het gehuurde al verdisconteerd. De gevorderde ontbinding zal daarom worden toegewezen, evenals de gevorderde verklaring voor recht waarvan de kantonrechter begrijpt dat deze ten aanzien van [gedaagde in conventie 1] is gevorderd.
2.9.
De kantonrechter ziet aanleiding de ontruimingstermijn te bepalen op twee maanden na betekening van het vonnis. De gevorderde machtiging om de hulp in te roepen van de politie en de gevorderde machtiging tot binnentreden worden afgewezen, omdat de deurwaarder op grond van de artikelen 444, 491 en 557 Rv een binnentredingsrecht heeft en zich zo nodig kan laten bijstaan door de politie.
2.10.
De primair gevorderde wettelijke handelsrente vanaf 1 november 2014 wordt afgewezen, nu daarvoor geen grondslag aanwezig is. Tussen partijen is immers geen sprake van een handelsovereenkomst. De subsidiair gevorderde wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding, waartegen geen verweer is gevoerd, wordt toegewezen.
2.11.
Ook de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen, nu niet is gebleken dat aan [gedaagde in conventie 1] en [gedaagde in conventie 2] een aanmaning is verstuurd die voldoet aan de eisen die artikel 6:96 lid 6 daaraan Pro stelt.
2.12.
[gedaagde in conventie 1] en [gedaagde in conventie 2] worden in conventie in het ongelijk gesteld en moeten daarom (naar rato) de proceskosten dragen.
2.13.
De totale proceskosten van [eiser in conventie ] in conventie worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
247,20
- griffierecht
507,00
- salaris gemachtigde
- reis-, verblijf en verletkosten
812,00
150,00
(2 punten × € 406,00)
(3 x € 50,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.851,20
2.14.
Ten aanzien van het salaris gemachtigde wordt één punt toegekend voor de dagvaarding, een half punt voor de akte van 23 december 2022 en een half punt voor de akte/conclusie van 21 november 2025. De door [eiser in conventie ] genomen akten worden voor het overige beschouwd als akten zonder bijzondere inhoud, waarvoor geen punten worden toegekend. Voor de conclusie na mondelinge behandeling wordt geen punt toegekend, nu de gemachtigde in dat stuk enkel letterlijk heeft herhaald wat [eiser in conventie ] zelf al in haar antwoord in reconventie heeft aangevoerd. Een dergelijke handelswijze verdient geen schoonheidsprijs en wordt dan ook niet ‘beloond’ met salaris voor de gemachtigde. Voor de mondelinge behandeling en de getuigenverhoren, waarbij de gemachtigde van [eiser in conventie ] niet aanwezig was, worden geen punten toegekend. Omdat [eiser in conventie ] daarbij wel in persoon aanwezig was, wordt per zitting € 50,00 aan reis-, verblijf- en verletkosten toegekend.
2.15.
In de begrotingsbeschikking van 5 juli 2024 is bepaald dat de griffier een bedrag van € 3.599,75 voor de schadeloosstelling en het loon van de deskundige uit de Rijkskas betaalt en hangende de procedure voorlopig in debet stelt. Nu [gedaagde in conventie 1] in het ongelijk wordt gesteld, wordt zij veroordeeld om dit bedrag aan de griffier te voldoen.
2.16.
De kantonrechter verdeelt de proceskosten aan de kant van [eiser in conventie ] als volgt, uitgaande van een veroordeling van [gedaagde in conventie 1] tot betaling van € 17.532,89, de ontbinding van de huurovereenkomst en de veroordeling van [gedaagde in conventie 1] tot ontruiming van het gehuurde en de veroordeling van [gedaagde in conventie 2] tot betaling van € 1.116,45.
2.16.1.
[gedaagde in conventie 1] wordt veroordeeld tot betaling van:
- kosten van de dagvaarding
123,60
- griffierecht
457,00
- salaris gemachtigde
- reis-, verblijf en verletkosten
762,00
140,00
- nakosten
125,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.607,60
2.16.2.
[gedaagde in conventie 2] wordt veroordeeld tot betaling van:
- kosten van de dagvaarding
123,60
- griffierecht
50,00
- salaris gemachtigde
- reis-, verblijf en verletkosten
50,00
10,00
- nakosten
10,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
243,60

3.De verdere beoordeling in reconventie

3.1.
In het tussenvonnis van 30 september 2022 heeft de kantonrechter in reconventie de gevorderde huurprijsvermindering van 70% vanaf 1 augustus 2021 toegewezen en de beslissing voor het overige aangehouden.
[gedaagde in conventie 1] heeft ook gevorderd dat [eiser in conventie ] wordt veroordeeld tot betaling van € 4.596,60 wegens onverschuldigde betaling van huur, na toepassing van de gevorderde huurprijsvermindering, alsmede tot betaling van de proceskosten.
3.2.
Uit het huur- en betaaloverzicht dat [gedaagde in conventie 1] als productie 1 bij conclusie van antwoord/eis in reconventie in het geding heeft gebracht, blijkt dat zij de onverschuldigde betaling baseert op de gestelde betaling van 13 oktober 2020. Van die betaling heeft zij geen bewijs geleverd, zodat van een onverschuldigde betaling geen sprake kan zijn. De vordering in reconventie op dit punt wordt daarom afgewezen.
3.3.
Omdat [eiser in conventie ] in reconventie grotendeels in het ongelijk wordt gesteld, moet zij de proceskosten in reconventie betalen. Wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag is een kostenveroordeling met de verplichting tot betaling van de explootkosten niet mogelijk. De proceskosten van [gedaagde in conventie 1] in reconventie worden begroot op:
- salaris gemachtigde
510,00
(2½ punten × € 204,00)
- nakosten
102,00
Totaal
612,00

4.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
4.1.
verklaart voor recht dat [gedaagde in conventie 1] tekortgeschoten is in de naleving van haar verplichtingen uit de huurovereenkomst,
4.2.
ontbindt de huurovereenkomst met betrekking tot de woning aan de [adres] te [plaatsnaam] ,
4.3.
veroordeelt [gedaagde in conventie 1] om binnen twee maanden na betekening van dit vonnis de woning, met alles wat van [gedaagde in conventie 1] is en ieder die bij [gedaagde in conventie 1] hoort, te ontruimen en te verlaten en de sleutels af te geven aan [eiser in conventie ] ,
4.4.
veroordeelt [gedaagde in conventie 1] om aan [eiser in conventie ] te betalen een bedrag ter grootte van de laatstelijk – na verlaging daarvan door de kantonrechter – geldende huurprijs bij wijze van gebruiksvergoeding voor iedere maand dat zij het gehuurde in gebruik heeft tot de datum van ontruiming,
4.5.
veroordeelt Diteweg tot betaling aan [eiser in conventie ] van € 17.532,89 aan huurachterstand, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding,
4.6.
veroordeelt [gedaagde in conventie 2] tot betaling aan [eiser in conventie ] van € 1.116,45 aan huurachterstand, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding,
4.7.
veroordeelt [gedaagde in conventie 1] in de proceskosten van € 5.207,35 waarvan:
- te voldoen aan de griffier € 3.599,75 aan in debet gestelde deskundigenkosten, nadat [gedaagde in conventie 1] daarvoor een nota van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak heeft ontvangen,
- te voldoen aan [eiser in conventie ] € 1.607,60,
4.8.
veroordeelt [gedaagde in conventie 2] in de proceskosten van € 243,60,
4.9.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
4.10.
veroordeelt [eiser in conventie ] in de proceskosten van € 612,00,
4.11.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in conventie en in reconventie
4.12.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2026.
858/560