ECLI:NL:RBGEL:2026:1496

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
10902212
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:210 lid 2 BWArt. 6:96 BWArtikel 21 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging huur- en onderhoudsovereenkomst zonnepanelen wegens bedrog en gedeeltelijke toewijzing onverschuldigde betaling

In deze civiele bodemzaak stond de huur- en onderhoudsovereenkomst (O&M) van zonnepanelen tussen Energy Under Control B.V. (EUC) en [bedrijf 1] centraal. EUC vorderde betaling op grond van deze overeenkomsten, terwijl [bedrijf 1] reconventioneel stelde dat reeds betaalde bedragen onverschuldigd waren.

De rechtbank oordeelde dat de overeenkomst van 24 juli 2023 vernietigbaar is wegens bedrog. De vordering van EUC in conventie werd daarom afgewezen. In reconventie werd EUC veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 20.434,95 aan onverschuldigde betaling, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. Daarnaast werden waardevergoedingen toegekend voor verrichte werkzaamheden, inspecties en gebruik van het PV-systeem.

De kantonrechter wees de proceskosten toe aan [bedrijf 1] en veroordeelde EUC tot betaling van deze kosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en is gewezen door mr. M.D.R. Joppe op 25 februari 2026.

Uitkomst: De huur- en onderhoudsovereenkomst zonnepanelen wordt vernietigd wegens bedrog en EUC wordt veroordeeld tot betaling van onverschuldigde bedragen en waardevergoedingen aan [bedrijf 1] en [bedrijf 2].

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 10902212 \ CV EXPL 24-903
Vonnis van 25 februari 2026
in de zaak van
ENERGY UNDER CONTROL B.V.,
gevestigd te Arnhem,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: EUC,
gemachtigde: mr. S. Harpman (ARAG SE Rechtsbijstand),
tegen

1.[naam bedrijf 1] C.V.,

en
2.
[naam bedrijf 2] , BEHEREND VENNOOT VAN[naam bedrijf 1] C.V.,
en
3.
[naam vennoot] , BEHEREND VENNOOT VAN [naam bedrijf 1] C.V.,
allen kantoorhoudende of gevestigd te [plaatsnaam] ( [gemeente] ),
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna te noemen: [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en [vennoot] , dan wel gezamenlijk [gedaagden in conventie] ,
gemachtigde: mr. M.V. Hazekamp

1.De procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 5 november 2025 (hierna: het tussenvonnis) met de daarin genoemde processtukken;
- de akte van EUC van 3 december 2025 met productie 51;
- de akte van [gedaagden in conventie] van 17 december 2025;
- de akte van EUC van 28 januari 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling van het geschil in conventie en in reconventie

Verzoek terug te komen op reeds genomen beslissingen
2.1.
[gedaagden in conventie] verzoekt de kantonrechter terug te komen op het eindoordeel dat [bedrijf 2] niet met succes stelde dat de overeenkomst van 9 juni 2020 vernietigbaar is. [gedaagden in conventie] meent dat voor zover dat niet reeds volgt in de eerder door [bedrijf 2] gestelde feiten en rechtsgronden aan haar een tweede kans moet worden gegund om een nadere onderbouwing te geven. Dit geldt temeer nu aan EUC in de tussenvonnissen van 27 november 2024 en
5 november 2025 een tweede en derde kans is gegeven om haar conventionele vordering te onderbouwen. Daarnaast verzoekt [gedaagden in conventie] terug te komen op het eindoordeel dat EUC niet zal worden veroordeeld in de volledige proceskosten.
2.2.
EUC is van oordeel dat geen grond bestaat voor het terugkomen op eerdere, bij tussenvonnis genomen, beslissing.
2.3.
De kantonrechter overweegt dat niet zonder meer teruggekomen kan worden van een eindoordeel dat is gegeven in een tussenvonnis. De kantonrechter is in beginsel gebonden aan zijn uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven beslissingen over de vordering tot vernietiging van overeenkomst van 9 juli 2020 (in rov. 2.45. van het tussenvonnis) en de sanctionering van EUC in verband met de schending van artikel 21 Rv Pro (in rov. 2.7. van het tussenvonnis). Wel staat het de kantonrechter vrij om deze bindende eindbeslissingen te heroverwegen om te voorkomen dat hij uitspraak zou doen op een feitelijk of juridisch onjuiste grondslag of de eisen van een goede procesorde dit meebrengen. Gesteld noch gebleken is dat daarvan sprake is. [gedaagden in conventie] heeft ten aanzien van de overeenkomst van 9 juli 2020 geen nieuwe feiten of grondslagen naar voren gebracht die de beslissing van de kantonrechter anders maken. Dat EUC alweer (bewust) in strijd met de waarheidsplicht handelde en zich alweer bewust bediende van misbruik van procesrecht is evenmin gebleken. Anders dan [gedaagden in conventie] stelt heeft EUC niet gesteld dat [bedrijf 1] gedurende de looptijd van de vernietigde overeenkomst een bedrag van € 91.722,83 heeft verkregen. Zij heeft evenmin gesteld dat zij (al dan niet gedurende de looptijd van het contract met
NL-groen B.V.) GVO’s voor [bedrijf 1] heeft verkocht. Dat EUC drie kansen heeft gekregen om haar vordering in conventie te onderbouwen, zoals [gedaagden in conventie] stelt, is evenmin het geval.
[gedaagden in conventie] gaat er daarbij aan voorbij dat de in de tussenvonnissen van 27 november 2024 en
5 november 2025 gevraagde onderbouwingen zien op de waardevergoeding die bepaald dient te worden in verband met de door haarzelf ingestelde reconventionele vordering en niet op de door EUC ingestelde vordering in conventie. Die is immers reeds in het tussenvonnis van 27 november 2024 afgewezen (rov. 4.10.). De kantonrechter blijft aldus bij hetgeen is overwogen in het tussenvonnis van 5 november 2025.
Uitgevoerde diensten
2.4.
Partijen zijn in het tussenvonnis (rov. 2.24 en 2.52) in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de hoogte van de waardevergoeding in verband met de door EUC verrichtte werkzaamheden:
  • als intermediair RVO,
  • in het kader van de verkoop van GVO’s en het sluiten van de contracten, en
  • de inspecties van 1 februari 2022 en 19 juli 2022.
Intermediair RVO
2.5.
EUC meent dat zij aanspraak kan maken op een waardevergoeding van € 9.172,29. Zij verwijst daarbij naar de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (https://www.rvo.nl/subsidies-financiering/wbso/aanvraagproces/wel-geen-intermediair) en stelt dat daaruit blijkt dat de advieskosten doorgaans 5 tot 15% van het subsidiebedrag bedragen. Het subsidiebedrag waarmee gerekend dient te worden is volgens EUC
€ 91.722,83. Rekening houdend met gemiddelde advieskosten van 10% betreft de waardevergoeding dan het genoemde bedrag.
2.6.
[bedrijf 1] voert hiertegen aan dat uit bijlage 1 bij de overeenkomst dat EUC de voorschotbeschikkingen en uitgekeerde subsidies moest controleren en eventuele afwijkingen oplossen. EUC heeft niet gesteld dat zij deze werkzaamheden heeft verricht. Daar komt bij dat de website waarnaar EUC verwijst ziet op de advisering bij het opstellen en indienen van de aanvraag tot subsidie. [bedrijf 1] heeft de desbetreffende aanvraag zelf ingediend zonder bijstand van EUC. Bovendien gaat de website over aanvragen tot subsidie op grond van de Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk, terwijl de aanvraag van [bedrijf 1] strekte tot verkrijging van subsidie op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransactie. Ten slotte volgt uit productie 41 van EUC dat gedurende de looptijd van de vernietigde overeenkomst geen subsidie werd verkregen, terwijl EUC rekent met een subsidiebedrag van € 91.722,83.
2.7.
De kantonrechter stelt vast dat EUC niet heeft gesteld welke concrete prestaties zij daadwerkelijk heeft verricht en in hoeverre [bedrijf 1] daardoor is verrijkt. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de door EUC geclaimde waardevergoeding, is voorts niet aannemelijk dat dit bedrag de waarde is die de prestatie normaal in het economisch verkeer heeft. Hoewel [bedrijf 1] thans betwist dat EUC aanspraak kan maken op een vergoeding omdat zij niet heeft gesteld dat zij de in bijlage 1 bij de overeenkomst verrichte werkzaamheden heeft verricht, heeft zij eerder erkend dat in dit kader werkzaamheden zijn verricht. Zij stelde immers dat (alleen) de aan [bedrijf 1] doorgezonden brieven van RVO zien op werkzaamheden voor [bedrijf 1] en verwijst in dit kader ook naar productie 41 van EUC. Desondanks heeft [bedrijf 1] zich wederom niet uitgelaten over de omvang van de verrijking in dit kader. Nu de toelichting van EUC geen aanknopingspunten biedt en [bedrijf 1] zich hierover niet heeft uitgelaten, zal de kantonrechter de waardevergoeding schatten. Uit productie 41 van EUC blijkt dat EUC vijf brieven van RVO al dan niet voorzien van een korte toelichting heeft doorgezonden aan [bedrijf 1] . EUC heeft onbetwist gesteld dat zij een uurtarief hanteert van € 95,00 per uur. De kantonrechter schat in dat het doornemen en doorsturen van bedoelde brieven in totaal twee uur heeft geduurd, zodat in dit kader een waardevergoeding zal worden toegekend van
2 x € 95,00 = € 190,00.
Verkoop GVO’s en sluiten contracten
2.8.
EUC meent dat zij aanspraak kan maken op een waardevergoeding van € 4.337,62. Zij verwijst daarbij naar de bedragen die in de markt voor dergelijke werkzaamheden worden gevraagd. Voor haar werkzaamheden in het kader van energiemanagement verwijst zij naar een opdrachtbevestiging van haar concurrent EKB Nederland B.V. (hierna: EKB) en voor haar werkzaamheden in het kader van vermogensbeheer naar een sheet van BloombergNEF. Uitgaande van het gemiddelde van de bedragen gebaseerd op de gegevens van voornoemde ondernemingen betreft de waardevergoeding het genoemde bedrag.
2.9.
[bedrijf 1] betwist dat EUC aanspraak kan maken op een waardevergoeding voor werkzaamheden in het kader van de verkoop van GVO’s. Zij verwijst in dat verband naar de tussen haar en NL-groen B.V. gesloten overeenkomst (productie 43 van EUC), waaruit blijkt dat deze onderneming voor haar zorgdroeg voor de verkoop van GVO’s. Volgens [bedrijf 1] heeft EUC bovendien niet voldaan aan haar stelplicht door niet te stellen dat zij namens of ten behoeve van [bedrijf 1] één of meerdere overeenkomsten sloot en één of meerdere derden, zodat geen waardevergoeding kan worden toegekend. De opdrachtbevestiging van EKB ziet volgens [bedrijf 1] bovendien op een opdracht van geheel andere aard.
2.10.
De kantonrechter stelt vast dat EUC niet heeft gesteld welke concrete prestaties zij daadwerkelijk heeft verricht en in hoeverre [bedrijf 1] daardoor is verrijkt. Gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan kan de opdrachtbevestiging van EKB bovendien niet als representatief worden beschouwd en wordt deze buiten beschouwing gelaten. Hoewel [bedrijf 1] thans voor het eerst (en daarmee tardief) betwist, volgt uit de door haar zelf aangehaalde en eerder door EUC in het kader van de onderbouwing van haar werkzaamheden in het geding gebrachte productie 41 dat EUC wel degelijk werkzaamheden heeft verricht. Deze werkzaamheden worden door [bedrijf 1] ook niet betwist. Anders dan [bedrijf 1] meent, stelt EUC niet dat zij zelf GVO’s voor [bedrijf 1] heeft verkocht. De overeenkomst met NL-Groen B.V. waarnaar [bedrijf 1] verwijst dateert bovendien van april 2023 en uit productie 41 van EUC blijkt dat deze door of via EUC tot stand is gekomen. [bedrijf 1] heeft zich wederom niet uitgelaten over de omvang van de verrijking. Nu [bedrijf 1] zich hierover niet heeft uitgelaten en de sheet en daarop gebaseerde berekening van BloombergNEF niet betwist, zal de kantonrechter de waardevergoeding overeenkomstig deze berekening schatten op € 3.773,23.
Inspecties van 1 februari 2022 en 19 juli 2022
2.11.
EUC stelt dat de inspecties van 1 februari 2022 en 19 juli 2022 zijn uitgevoerd door een servicemonteur van EUC en een gehele werkdag hebben geduurd. Rekening houdend met haar uurtarief van € 95,00, dient de waardevergoeding te worden bepaald op € 1.520,00.
2.12.
[bedrijf 1] betwist dat EUC twee inspecties heeft laten uitvoeren door een aan haar verbonden servicemonteur. [vennoot] heeft nooit een servicemonteur aanwezig gezien bij het PV-systeem, terwijl niemand zonder sleutel toegang kon hebben tot de ruimte waarin zich de bij het PV-systeem behorende omvormers zich bevinden.
2.13.
De kantonrechter oordeelt als volgt.
[bedrijf 1] betwist eerst in haar akte van 17 december 2025 dat de reeds in de akte van
4 februari 2025 genoemde inspecties hebben plaatsgevonden. Nu zij dit eerder bijvoorbeeld in haar akte van 5 of 26 maart 2025 niet heeft betwist is deze betwisting tardief. EUC kan hier immers thans niet meer op reageren. Anderzijds komt het de kantonrechter in het licht van de eerder door EUC als productie 46 in het geding gebrachte agenda van de servicemonteur onaannemelijk voor dat de inspecties de gehele dag hebben geduurd, nu daarin voor de inspecties slechts een uur is ingeroosterd (op 1 februari 2022 van 14.30 tot 15.30 uur en op 19 juli 2022 van 13.00 tot 14.00 uur), terwijl op geen enkele wijze is onderbouwd dat de inspecties langer hebben geduurd. De kantonrechter zal in verband met de inspecties daarom een waardevergoeding van (2x € 95,00 =) € 190,00 toekennen.
Concluderend
2.14.
Gelet op hetgeen in het tussenvonnis van 5 november 2025 en hiervoor is overwogen is [bedrijf 1] aan EUC een waardevergoeding verschuldigd in verband met de door EUC verrichtte werkzaamheden als intermediair RVO van € 190,00, in het kader van de verkoop van GVO’s en het sluiten van de contracten van € 3.773,23, de reinigingsbeurt van € 2.735,81 en de inspecties van 1 februari 2022 en 1 juli 2022 van € 190,00, zijnde totaal
€ 6.889,04.
Afrondend
2.15.
Nu [bedrijf 1] reeds een bedrag van € 26.354,34 aan EUC heeft betaald, wordt een bedrag van (€ 26.354,34 - € 6.889,04 =) € 19.465,30 toegewezen aan onverschuldigde betaling, te vermeerderen met de wettelijke rente (artikel 6:119 BW Pro) over dit bedrag vanaf
20 september 2023 tot de dag van algehele betaling.
De tevens gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden, gelet op de hoogte van het toegewezen bedrag, bepaald op € 969,65. Aan de vereisten van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is immers voldaan. [bedrijf 1] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De kantonrechter zal de buitengerechtelijke incassokosten niet vermeerderen met de ook gevorderde omzetbelasting. Door [gedaagden in conventie] is namelijk niet uitdrukkelijk gesteld dat de omzetbelasting geen verrekenpost vormt en/of dat hij als ondernemer een vrijgestelde prestatie verricht waarop de vordering betrekking heeft.
Laatste openstaande punten
2.16.
In rov. 2.33. van het tussenvonnis is geoordeeld dat EUC aan [bedrijf 1] € 4.472,86 verschuldigd is, te vermeerderen met de wettelijke rente (artikel 6:119 BW Pro). Als ingangsdatum van de wettelijke rente wordt, overeenkomstig de vordering, aangesloten bij 31 augustus 2023. De eveneens gevorderde buitengerechtelijke incassokosten over dit bedrag, zijn toewijsbaar. Toewijsbaar is een bedrag van € 572,29. Ook dit bedrag wordt niet vermeerderd met de door [gedaagden in conventie] gevorderde omzetbelasting, zie hiervoor.
Proceskosten
2.17.
EUC zal in conventie in het ongelijk worden gesteld en in reconventie grotendeels in het ongelijk worden gesteld en moet daarom zowel in conventie als in reconventie de proceskosten betalen. De kantonrechter ziet gelet op hetgeen is overwogen in rov. 2.7. van het tussenvonnis van 5 november 2025 en in rov. 2.3. van dit vonnis geen aanleiding om over te gaan tot toekenning van een volledige proceskostenveroordeling.
De proceskosten in conventie worden begroot op:
- salaris gemachtigde
2.310,00
(2 punten × € 1.155,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.454,00
Daarbij is ermee rekening gehouden dat de na het tussenvonnis van 27 november 2024 ingediende aktes enkel zien op de reconventie.
2.18.
De proceskosten in reconventie worden, gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie en nu de na het tussenvonnis ingediende aktes enkel zien op de reconventie, begroot op 2x 0,5 punt salaris gemachtigde voor de eis in reconventie en de mondelinge behandeling en 4x 0,5 punt salaris gemachtigde voor de na het tussenvonnis ingediende aktes, zijnde totaal (3 x € 866,00 =) € 2.598,00 aan salaris voor de gemachtigde. In reconventie worden geen nakosten toegekend, aangezien deze reeds in de conventie zijn toegekend en slechts éénmaal gemaakt worden.

3.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
3.1.
wijst het gevorderde af;
3.2.
veroordeelt EUC in de proceskosten van € 2.454,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als EUC niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
in reconventie
3.3.
verklaart voor recht dat de huurovereenkomst, met inbegrip van de daarbij behorende bijlagen waaronder de O&M-overeenkomst, op 24 juli 2023 is vernietigd;
3.4.
veroordeelt EUC tot betaling aan [bedrijf 1] van een bedrag van € 20.434,95 (€ 19.465,30 aan onverschuldigd betaald + € 969,65 aan buitengerechtelijke incassokosten), te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 19.465,30 vanaf
20 september 2023 tot de dag van volledige betaling;
3.5.
veroordeelt EUC tot betaling aan [bedrijf 1] van een bedrag van € 5.045,15 (€ 4.472,86 aan waardevergoeding voor het gebruik van het PV-systeem over de maand juni 2023 + € 572,29 aan buitengerechtelijke incassokosten), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 augustus 2023 tot de dag van volledige betaling;
3.6.
veroordeelt EUC tot betaling aan [bedrijf 1] van een bedrag van € 16.854,90 als aanvullende waardevergoeding / vermogensschade in verband met een te laag vastgestelde gebruiksvergoeding over de periode januari 2022 tot en met juni 2023, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 juli 2023 tot de dag van volledige betaling;
3.7.
veroordeelt EUC tot betaling aan [bedrijf 1] van een bedrag van € 1.043,83 aan nog niet afgedragen opbrengst van het PV-systeem na vernietiging van de huurovereenkomst, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2024 tot de dag van volledige betaling;
3.8.
veroordeelt EUC tot betaling aan [bedrijf 2] van een bedrag van € 2.120,25, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 december 2020 tot de dag van volledige betaling;
3.9.
veroordeelt EUC in de proceskosten van € 2.598,00;
3.10.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in conventie en in reconventie
3.11.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.D.R. Joppe en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.
918 \ 51588