ECLI:NL:RBGEL:2026:1511

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
AWB-26_439, ARN-26_440, ARN-26_441 & ARN-26_442
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 8:86 AwbArt. 5.16 Regeling langdurige zorgArt. 5.19 Regeling langdurige zorgArt. 5.23 Regeling langdurige zorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaren tegen afkeuringsbesluiten zorgovereenkomsten

Eiseres, een zorgaanbieder, had bezwaren ingediend tegen besluiten van het zorgkantoor waarin zorgovereenkomsten met twee cliënten werden afgekeurd wegens het niet aanleveren van aanvullende informatie. Het zorgkantoor verklaarde deze bezwaren niet-ontvankelijk omdat eiseres geen belanghebbende zou zijn bij deze besluiten.

De voorzieningenrechter oordeelt dat eiseres geen eigen, zelfstandig belang heeft dat losstaat van de contractuele relatie met haar cliënten. De afkeuringsbesluiten zijn gebaseerd op het niet aanleveren van gegevens door de budgethouders en niet op een fraudeonderzoek tegen eiseres. Ook leidt het besluit niet tot aantasting van haar reputatie of onrust die haar een rechtstreeks belang geeft.

Daarom zijn de bezwaren terecht niet-ontvankelijk verklaard en worden de beroepen ongegrond verklaard. Omdat de beroepen ongegrond zijn, is er geen aanleiding voor een voorlopige voorziening. De rechtbank wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af en veroordeelt eiseres niet tot vergoeding van proceskosten of griffierecht.

Tijdens de zitting is besproken dat partijen in goed overleg afspraken kunnen maken over het aanleveren van benodigde gegevens om de zorgovereenkomsten alsnog te kunnen goedkeuren. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter Schuurman-Kleijberg en griffier Ebbers.

Uitkomst: De beroepen van eiseres tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaren worden ongegrond verklaard en de verzoeken om voorlopige voorziening worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 26/439, ARN 26/440, ARN 26/441 en ARN 26/442

uitspraak van de voorzieningenrechter van

op de beroepen en de verzoeken om voorlopige voorziening

in de zaken tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. M.S. Bugter),
en

Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V., het zorgkantoor

(gemachtigde: mr. T. Olaniyi).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren van eiseres tegen de besluiten van het zorgkantoor, gericht aan twee cliënten van eiseres, waarbij de zorgovereenkomst is afgekeurd. Eiseres is het niet eens met de niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaren. Zij heeft daarom afzonderlijk beroep ingesteld en in beide zaken verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Zij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren en de verzoeken om voorlopige voorziening.
1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het zorgkantoor de bezwaren van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiseres krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op de beroepen, wijst zij de verzoeken om voorlopige voorziening af.

Procesverloop

2. [persoon A], budgethouder en cliënt bij eiseres, heeft een Wlz [1] -zorgovereenkomst met eiseres ter goedkeuring ingediend bij het zorgkantoor. Het zorgkantoor heeft de zorgovereenkomst met het besluit van 21 november 2025 afgekeurd. Met het bestreden besluit van 16 januari 2026 heeft het zorgkantoor het bezwaar van eiseres tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres heeft beroep [2] ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen [3] .
2.1.
[persoon B], budgethouder en cliënt bij eiseres, heeft ook een Wlz-zorgovereenkomst met eiseres ter goedkeuring ingediend bij het zorgkantoor. Het zorgkantoor heeft de zorgovereenkomst met het besluit van 3 december 2025 afgekeurd. Met het bestreden besluit van 16 januari 2026 heeft het zorgkantoor het bezwaar van eiseres tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres heeft beroep [4] ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen [5] .
2.2.
Het zorgkantoor heeft op de verzoeken om een voorlopige voorziening en de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 18 februari 2026 gevoegd op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, [persoon C] en [persoon D] [6] , [persoon E] [7] , [persoon F] [8] , de gemachtigde van het zorgkantoor en [persoon G] en [persoon H] [9] .
2.4.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de bestreden besluiten van 16 januari 2026 beslist zij ook op de beroepen van eiseres daartegen. [10]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Over de beroepen
Zijn de bezwaren van eiseres terecht niet-ontvankelijk verklaard?
3. In de afkeuringsbesluiten is – kort samengevat – vermeld dat de budgethouders zijn gevraagd om aanvullende informatie te overleggen en dat – nu dat niet is gedaan – de zorgovereenkomsten zijn afgewezen onder verwijzing naar de artikelen 5.16, 5.19 en 5.23 van de Regeling langdurige zorg. Verder staat daarin dat wanneer de budgethouders een nieuwe zorgovereenkomst willen opstellen, zij dat digitaal kunnen doen of een papieren zorgovereenkomst naar het zorgkantoor kunnen toesturen. [11]
3.1.
Het zorgkantoor heeft de bezwaren van eiseres tegen de afkeuringsbesluiten niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij bij die besluiten geen belanghebbende is.
3.2.
Eiseres betoogt dat zij wel belanghebbende is bij de afkeuringsbesluiten, omdat haar belang niet is beperkt tot het financiële belang of een ander belang dat alleen voortvloeit uit de contractuele relatie met haar cliënten. De afkeuringbesluiten houden namelijk direct verband met een lopend fraudeonderzoek naar eiseres. Daarbij is de goede naam, eer en reputatie van eiseres aangetast en is er grote onrust bij de cliënten ontstaan. Daar komt bij dat het feitelijk handelen van eiseres ten grondslag is gelegd aan de afkeuringsbesluiten. Het zorgkantoor had de bezwaren daarom inhoudelijk moeten behandelen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
3.3.
Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bepaalt dat onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
3.4.
Om als belanghebbende bij een besluit te worden aangemerkt, moet naar vaste rechtspraak sprake zijn van een eigen, zelfstandig (vermogens)belang, dat los staat van het contractuele belang. [12] Niet is gebleken dat eiseres een eigen, rechtstreeks belang heeft. In de afkeuringsbesluiten staat dat de zorgovereenkomst is afgekeurd omdat de budgethouders de gevraagde aanvullende informatie niet hebben aangeleverd en dat zij een nieuwe overeenkomst ter goedkeuring kunnen indienen. Uit de besluiten blijkt niet, zoals eiseres betoogt, dat een fraudeonderzoek naar haar de grondslag of aanleiding is voor de afkeuring van de zorgovereenkomsten. Dat geldt ook voor haar stelling dat haar feitelijk handelen de reden is voor de afkeuringsbesluiten. Daartoe wijst de voorzieningenrechter nog op de schriftelijke correspondentie die het zorgkantoor heeft gevoerd met (de bewindvoerders van) de budgethouders over de opgevraagde gegevens over de verleende zorg door eiseres. Gelet op de specifieke bewoordingen in de besluiten komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat deze besluiten op zichzelf niet tot aantasting van de reputatie, eer en goede naam van eiseres leiden. Bovendien heeft het zorgkantoor op de zitting expliciet en onweersproken verklaard dat hij bij het afkeuren van de zorgovereenkomsten niet heeft beslist dat de budgethouders geen zorg (meer) mogen inkopen bij eiseres. Ook de door eiseres gestelde onrust bij cliënten door de besluiten, levert voor haar geen eigen, rechtstreeks belang op. Het zorgkantoor heeft daarom terecht geconcludeerd dat eiseres geen belanghebbende is bij de afkeuringsbesluiten. De bezwaren zijn terecht niet-ontvankelijk verklaard. De beroepen zullen ongegrond worden verklaard.
Over de verzoeken
4. In het geval een betrokkene de uitspraak in een beroepsprocedure niet kan afwachten door spoedeisende belangen, kan een verzoek om een voorlopige voorziening worden ingediend bij de bestuursrechter. Omdat de voorzieningenrechter in deze uitspraak ook ten gronde heeft beslist op de beroepen, is van deze situatie geen sprake meer. Voor het treffen van een voorlopige voorziening ziet de voorzieningenrechter, nu de beroepen ongegrond worden verklaard en de bestreden besluiten in stand blijven, geen reden.
Hoe nu verder?
5. Tijdens de zitting is met partijen ook gesproken over de vraag welke gegevens het zorgkantoor nu nodig heeft om de zorgovereenkomsten van de budgethouders alsnog te kunnen controleren alvorens goed te kunnen keuren. Van de zijde van eiseres is aangegeven dat zij het belang van het zorgkantoor, namelijk dat hij de zorgovereenkomsten kan controleren alvorens deze goed te keuren, begrijpt. Van de zijde van het zorgkantoor is begrip getoond voor het belang van eiseres, namelijk dat zij de benodigde zorg kan blijven verlenen aan de budgethouders en voor het leveren van die zorg betalingen kan ontvangen. Gelet hierop acht de voorzieningenrechter het toch mogelijk dat partijen – voor zover eiseres deze gegevens namens de budgethouders wil aanleveren (immers, in beginsel ligt dat op de schouders van de budgethouders) – in goed overleg hierover afspraken kunnen maken.

Conclusie en gevolgen

6. De beroepen zijn ongegrond. Omdat de beroepen ongegrond zijn, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • verklaart de beroepen ongegrond;
  • wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C. Ebbers, griffier.
Deze uitspraak wordt openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de
voorlopige voorzieningstaat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Wet langdurige zorg.
2.Zaaknummer 26/440.
3.Zaaknummer 26/439.
4.Zaaknummer 26/442.
5.Zaaknummer 26/441.
6.Bestuurders van eiseres.
7.Financieel adviseur van eiseres.
8.Adviseur van eiseres.
9.Medewerkers van het zorgkantoor.
10.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
11.In het afwijzingsbesluit ten name van [persoon B] is daarnaast nog vermeld dat het niet is toegestaan om de functie ‘logeren’ op te nemen in de zorgovereenkomst omdat hij op basis van verblijf in het wooninitiatief woont.
12.CRvB 15 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2172, ro. 4.2.2.