ECLI:NL:RBGEL:2026:1540

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
C/05/459597 / HZ ZA 25-334
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 194 RvArt. 195 RvVerordening (EU) nr. 1215/2012 (Brussel I-bis)Verordening (EG) nr. 864/2007 (Rome II)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering inzage schoonmaakprotocol wegens ontbreken informatiebeschikking

In deze civiele zaak vordert eiseres inzage in het schoonmaakprotocol en schoonmaakrooster van een filiaal van Lidl in Nederland. Lidl is gevestigd in Duitsland, waardoor de rechtbank eerst toetst of zij rechtsmacht heeft en welk recht van toepassing is. Op grond van Brussel I-bis is de Nederlandse rechter bevoegd omdat het schadebrengende feit in Nederland plaatsvond. Volgens Rome II is Nederlands recht van toepassing.

Eiseres baseert haar vordering op artikel 194 en Pro 195 Rv, waarbij zij moet aantonen dat de gedaagde over de gevraagde informatie beschikt. Hoewel partijen het eens zijn over het bestaan van een rechtsbetrekking, de voldoende bepaaldheid van de informatie en het belang van eiseres, betwist Lidl dat zij de gevraagde informatie bezit. Lidl stelt dat het filiaal niet meer bestaat en de informatie verloren is gegaan.

De rechtbank oordeelt dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Lidl over de informatie beschikt en wijst daarom de vordering af. Eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten van het incident. De hoofdzaak wordt aangehouden en op 25 februari 2026 voortgezet.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot inzage af omdat Lidl niet beschikt over de gevraagde informatie.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/459597 / HZ ZA 25-334
Vonnis in incident van 14 januari 2026
in de zaak van
[naam eiseres in hoofdzaak & incident],
te [woonplaats] ,
eiseres in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
hierna te noemen: [eiseres in hoofdzaak & incident] ,
advocaat: mr. D. Hekel,
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
LIDL NEDERLAND GMBH,
te Neckarsulm (Duitsland),
gedaagde in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
hierna te noemen: Lidl,
advocaat: mr. E.L.Q. van Tets.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding tevens houdende incidentele vordering ex artikel 223 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering
- de conclusie van antwoord in incident vóór alle weren.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling in het incident

2.1.
[eiseres in hoofdzaak & incident] vordert in dit incident – samengevat – Lidl te veroordelen tot het afschrift geven van het schoonmaakprotocol en het schoonmaakrooster van 26 december 2025 van het filiaal van Lidl te [plaatsnaam] .
Internationaal karakter
2.2.
[eiseres in hoofdzaak & incident] is woonachtig in Nederland en Lidl is gevestigd in Duitsland. Het geschil heeft betrekking op schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige daad. Voordat de rechtbank toekomt aan de beoordeling van de vordering in het incident, zal zij vanwege het internationale karakter van het geschil eerst toetsen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en welk recht op het geschil van toepassing is.
2.3.
Lidl is gevestigd in Duitsland, een lidstaat van de Europese Unie, en de vordering betreft een burgerlijke of handelszaak die is ingesteld na 10 januari 2015. Dit betekent dat de vraag of de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft, beantwoord wordt aan de hand van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking)
(hierna: Brussel I-bis). Op grond van artikel 7 lid 2 Brussel Pro I-bis is ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad de rechter bevoegd van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen. Nu het schadebrengende feit zich in deze zaak heeft voorgedaan in [plaatsnaam] (Nederland), is de Nederlandse rechter bevoegd om van het geschil kennis te nemen.
Toepasselijk recht
2.4.
Nu de grondslag van de vorderingen van [eiseres in hoofdzaak & incident] in de hoofdzaak onrechtmatige daad is, dient het toepasselijk recht vast te worden gesteld aan de hand van de Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (hierna: Rome II). Op grond van artikel 4 lid 1 Rome Pro II is het recht dat van toepassing is op een onrechtmatige daad het recht van het land waar de schade zich voordoet, ongeacht in welk land de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan en ongeacht in welke landen de indirecte gevolgen van die gebeurtenis zich voordoen. Aangezien de schade zich heeft voorgedaan in Nederland, is Nederlands recht van toepassing op deze zaak.
De verdere beoordeling
2.5.
[eiseres in hoofdzaak & incident] baseert haar vordering in het incident op artikel 194 juncto Pro artikel 195 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Voor toewijzing van een vordering tot recht op inzage in de zin van artikel 195 Rv Pro moet aan de vereisten uit artikel 194 Rv Pro worden voldaan. Degene die informatie van een ander verlangt moet (i) partij zijn bij een rechtsbetrekking en (ii) de verlangde informatie moet voldoende bepaald zijn. Verder moet (iii) een partij een voldoende belang hebben bij haar informatieverzoek en moet (iv) degene van wie inzage wordt verlangd over de gevraagde informatie beschikken.
2.6.
Tussen partijen is niet in discussie dat Lidl partij is bij een rechtsbetrekking met [eiseres in hoofdzaak & incident] , dat de door [eiseres in hoofdzaak & incident] verlangde informatie voldoende bepaald is en dat [eiseres in hoofdzaak & incident] een voldoende belang heeft bij haar informatieverzoek. Lidl betwist echter wel dat zij over de door [eiseres in hoofdzaak & incident] gevraagde informatie beschikt. Lidl voert namelijk aan dat zij heeft geprobeerd de gevraagde informatie te achterhalen, maar dat dit niet is gelukt. Dit heeft er mede mee te maken dat het filiaal in kwestie niet meer bestaat, waardoor er informatie verloren is gegaan. Gelet op deze gemotiveerde betwisting heeft [eiseres in hoofdzaak & incident] zonder nadere motivering – die ontbreekt – onvoldoende aannemelijk gemaakt dat Lidl over de door haar verzochte informatie beschikt. Het gevolg hiervan is dat [eiseres in hoofdzaak & incident] niet voldoet aan de vereisten uit artikel 194 Rv Pro, zodat haar incidentele vordering niet toewijsbaar is.
Proceskosten
2.7.
De incidentele vordering van [eiseres in hoofdzaak & incident] wordt afgewezen, zodat zij heeft te gelden als de in het ongelijk gestelde partij. [eiseres in hoofdzaak & incident] zal daarom in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. De kosten van Lidl worden begroot op € 792,00 (€ 614,00 aan salaris advocaat (1 punt, tarief II) + € 178,00 aan nakosten) plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.

3.De beoordeling in de hoofzaak

3.1.
Door Lidl is nog niet geconcludeerd voor antwoord in de hoofdzaak zodat de rechtbank de zaak op de rol zal plaatsen van 25 februari 2026 voor conclusie van antwoord door Lidl.
3.2.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4.De beslissing

De rechtbank
in het incident
4.1.
wijst de vordering van [eiseres in hoofdzaak & incident] af,
4.2.
veroordeelt [eiseres in hoofdzaak & incident] in de kosten van het incident, aan de zijde van Lidl tot op tot op heden begroot op € 792,00 (€ 614,00 aan salaris advocaat (1 punt, tarief II) +
€ 178,00 aan nakosten), te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiseres in hoofdzaak & incident] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
in de hoofdzaak
4.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 25 februari 2026 voor conclusie van antwoord door Lidl,
4.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.
JV/PB