ECLI:NL:RBGEL:2026:1566

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
AWB-25_2706
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 4:5 AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 6a Wwm
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar innemen wapenverloven en erkenning

Eiser, woonachtig in het buitenland, was in het bezit van wapenverloven en een erkenning die geldig waren tot respectievelijk 30 september 2024 en 30 september 2027. Door persoonlijke omstandigheden kon hij niet tijdig zijn wapenverloven verlengen. Een vriend probeerde namens hem de verlengingsaanvraag in te dienen, maar dit werd geweigerd omdat de aanvraag persoonlijk moest worden gedaan. Eiser diende uiteindelijk op 23 oktober 2024 zelf een verlengingsaanvraag in, maar dit was te laat. De korpschef nam daarop de wapenverloven en erkenning in zonder een formeel besluit te nemen.

Eiser maakte bezwaar tegen het innemen van de documenten zonder besluit, maar de korpschef verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk omdat het innemen een feitelijke handeling was en geen besluit in de zin van de Awb. Eiser stelde dat de vriend op 13 september 2024 een verlengingsaanvraag had ingediend en dat hij op grond van artikel 4:5 Awb Pro in de gelegenheid had moeten worden gesteld om de aanvraag aan te vullen. De rechtbank oordeelde echter dat de vriend geen belanghebbende was en geen aanvraag kon indienen namens eiser, zodat er geen aanvraag was gedaan op die datum.

De rechtbank erkende dat eiser op 23 oktober 2024 een mondelinge aanvraag had ingediend waarop de korpschef had moeten beslissen, maar dat eiser het verkeerde rechtsmiddel had gekozen door bezwaar te maken tegen het niet nemen van een besluit. Hierdoor kon dit niet worden beoordeeld. Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wegens kosten en tijdverlies werd afgewezen omdat er geen onrechtmatig besluit was genomen.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/2706

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. R.J.F. van den Wijngaard),
en

de korpschef van politie

(gemachtigden: mr. S. Schiphorst en P.R. Barendrecht).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen het besluit tot niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar tegen het zonder het nemen van een besluit innemen van de wapenverloven en de erkenning van eiser. Eiser is het niet eens met dit besluit en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de korpschef het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank beoordeelt ook het verzoek van eiser om schadevergoeding.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de korpschef het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Op 23 oktober 2024 heeft de korpschef de wapenverloven en de erkenning van eiser ingenomen. Op 6 februari 2025 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het zonder het nemen van een besluit innemen van de wapenverloven en de erkenning van eiser. Met het bestreden besluit van 6 mei 2025 heeft de korpschef het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
3.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De korpschef heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.2.
De rechtbank heeft het beroep op 23 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (digitaal), de gemachtigde van eiser (digitaal), en de gemachtigden van de korpschef.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Eiser was in het bezit van de wapenverloven met de verlofnummers [nummer 1], [nummer 2] en [nummer 3], en van de erkenning met erkenningsnummer [nummer 4]. De verloven waren geldig tot en met 30 september 2024. De erkenning is geldig tot en met 30 september 2027.
4.1.
Eiser is woonachtig in het buitenland en was wegens persoonlijke omstandigheden niet in de gelegenheid om naar Nederland te reizen voor het tijdig verlengen van de onder 4 genoemde wapenverloven. Op 13 september 2024 heeft een vriend en oud-collega van eiser (de heer [persoon A]) geprobeerd om de verlofdocumenten van eiser voor verlenging aan te bieden aan de korpschef. Een medewerker van de afdeling korpscheftaken van de politie in Apeldoorn heeft dit geweigerd, omdat eiser de verlengingsaanvraag in persoon moest indienen.
4.2.
Op 23 oktober 2024 is eiser in persoon verschenen bij de afdeling korpscheftaken van de politie in Apeldoorn om zijn wapenverloven te verlengen. Tijdens deze afspraak is eiser meegedeeld dat zijn verloven niet meer konden worden verlengd, omdat de daarvoor geldende termijn was verstreken. De wapenverloven en de erkenning zijn vervolgens ingenomen.
4.3.
Op 6 februari 2025 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het zonder het nemen van een besluit innemen van de wapenverloven en de erkenning.
4.4.
Met het bestreden besluit van 6 mei 2025 heeft de korpschef het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. De korpschef heeft hieraan ten grondslag gelegd dat een verlofhouder uiterlijk twee weken voor de datum waarop de geldigheid van het verlof afloopt, het verlof in persoon ter verlenging moet aanbieden aan de korpschef. Eiser heeft dit pas op 23 oktober 2024, en dus niet tijdig, gedaan. Dit betekent dat de geldigheid van de verloven van rechtswege is verlopen. Het innemen van de documenten op 23 oktober 2024 was een feitelijke handeling en geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor wat betreft de erkenning heeft de korpschef aangegeven dat deze nog geldig is, dat het document daarom niet had mogen worden ingenomen en dat dit document aan eiser zal worden geretourneerd.
Heeft de korpschef het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard?
Het toetsingskader
5. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
In het derde lid van dit artikel is bepaald dat onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen.
5.1.
Op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen als de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.
5.2.
In artikel 6:2 van Pro de Awb is bepaald dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit worden gelijkgesteld:
de schriftelijke weigering een besluit te nemen, en
het niet tijdig nemen van een besluit.
5.3.
In artikel 6:12, tweede lid van de Awb is bepaald dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend zodra:
het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en
twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
5.4.
Op grond van artikel 6a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet wapens en munitie (Wwm) worden ontheffingen, erkenningen en verloven slechts verleend als de aanvraag door de aanvrager in persoon is gedaan, onder overlegging van een geldig identiteitsbewijs.
5.5.
Op grond van artikel 28, tweede lid, van de Wwm wordt een verlof verleend als:
een redelijk belang de verlening van het verlof vordert;
de aanvrager geen gevaar voor zichzelf, de openbare orde of veiligheid kan vormen;
de aanvrager tenminste de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt, behoudens afwijking voor leden van een schietvereniging.
Op grond van het vierde lid van dit artikel heeft een verlof een geldigheid van ten hoogste een jaar en kan deze worden verlengd als aan de vereisten voor de verlening daarvan nog wordt voldaan.
5.6.
Op grond van artikel 34, eerste lid, van de Wwm staat tegen beschikkingen van de korpschef genomen krachtens deze wet administratief beroep open bij de minister van Justitie en Veiligheid.
5.7.
Uit paragraaf A1.4.4.1 van de Circulaire wapens en munitie 2019 (Circulaire) volgt dat voor de verlenging van een verlof geen aanvraagformulier hoeft te worden ingevuld tenzij ten aanzien van de persoon van de aanvrager of ten aanzien van zijn omstandigheden zodanige wijzigingen hebben plaatsgevonden dat het indienen van een nieuw aanvraagformulier onontbeerlijk is. De aanvraag van de verlenging van een verlof kan dus eventueel ook mondeling worden gedaan onder gelijktijdige overlegging van alle gegevens die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de verlengingsaanvraag.
5.7.1.
In paragraaf B2.4.8 van de Circulaire is bepaald dat de verlofhouder uiterlijk twee weken voor de datum waarop de geldigheid van het verlof afloopt, het verlof ter verlenging dient aan te bieden aan de korpschef.
Het standpunt van eiser
6. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het zonder het nemen van een besluit innemen van de wapenverloven en de erkenning. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat hij met dit bezwaar ook heeft beoogd om een rechtsmiddel in te stellen tegen het niet beslissen op de verzoeken tot verlenging van de wapenverloven van 13 september 2024 en 23 oktober 2024. Volgens eiser heeft [persoon A] op 13 september 2024 namens hem een verlengingsaanvraag ingediend. Als deze aanvraag onvolledig was omdat eiser in persoon moest verschijnen, had eiser op grond van artikel 4:5 van Pro de Awb in de gelegenheid moeten worden gesteld om de aanvraag aan te vullen. Vervolgens had de korpschef op de aanvraag moeten beslissen. Eiser verwijst in dit verband naar een uitspraak van de rechtbank Limburg van 17 januari 2025. [1] Daarnaast heeft eiser op 23 oktober 2024 een verlengingsaanvraag in persoon ingediend. Gelet op de situatie van overmacht en de omstandigheid dat eiser pogingen heeft ondernomen om zijn verlengingsaanvraag tijdig in te dienen – hij heeft geprobeerd om te verzoeken om uitstel en om de aanvraag door een vriend te laten indienen – had de korpschef een uitzondering moeten maken op het beleid dat een aanvraag tot verlenging buiten de daarvoor gestelde termijn niet mogelijk is.
Het bezwaar tegen het niet beslissen op de verzoeken tot verlenging van de wapenverloven
7. De rechtbank is van oordeel dat [persoon A] op 13 september 2024 geen aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb heeft ingediend. [persoon A] is namelijk geen belanghebbende bij een besluit over het al dan niet verlengen van de wapenverloven van eiser. Ook was het voor [persoon A] niet mogelijk om namens eiser een verlengingsaanvraag indienen. Zoals ook staat vermeld onder 5.4, moet op grond van artikel 6a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwm een dergelijke aanvraag immers door de aanvrager in persoon worden gedaan. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat wel een aanvraag was ingediend, maar dat deze nog niet aan alle indieningsvereisten voldeed en daarom niet volledig was. In de zaak die leidde tot de door eiser genoemde uitspraak van de rechtbank Limburg van 17 januari 2025 was naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een vergelijkbare situatie. In die zaak had de betreffende eiser de korpschef namelijk zelf verzocht om een besluit te nemen. In dit geval is het verzoek van 13 september 2024 niet door eiser gedaan, maar door [persoon A]. Dit verschil maakt dat in die zaak sprake was een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb (zij het een onvolledige aanvraag omdat deze per e-mail was gedaan en niet in persoon) en in het geval van eiser niet.
7.1.
De rechtbank is vervolgens van oordeel dat eiser op 23 oktober 2024 mondeling een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb heeft ingediend. De korpschef heeft dit op de zitting ook erkend. Dit betekent dat de korpschef op deze aanvraag een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb had moeten nemen en dat hij dit ten onrechte niet heeft gedaan. Tegen het niet nemen van een besluit kan echter geen bezwaar worden gemaakt. Om een rechtsmiddel te kunnen aanwenden, had eiser de korpschef kunnen verzoeken om schriftelijk te weigeren om een besluit te nemen. Zoals ook staat vermeld onder 5.2, wordt op grond van artikel 6:2 van Pro de Awb een dergelijke schriftelijke weigering namelijk gelijkgesteld met een besluit in de zin van de Awb. Eiser had de korpschef ook in gebreke kunnen stellen en vervolgens, bij het alsnog uitblijven van een besluit op zijn aanvraag, op grond van de artikelen 6:2 en 6:12 van de Awb beroep bij de rechtbank kunnen instellen tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Nu eiser niet het juiste rechtsmiddel heeft aangewend tegen het niet nemen van een besluit, kan hetgeen eiser in dit verband heeft aangevoerd – wat daar ook van zij – in deze procedure niet worden beoordeeld.
Het bezwaar tegen het zonder het nemen van een besluit innemen van de wapenverloven
8. De rechtbank is met de korpschef van oordeel dat het alleen innemen van de documenten een feitelijke handeling is en dat hiertegen geen bezwaar kan worden gemaakt.
Conclusie
9. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de korpschef het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
9.1.
Ten overvloede merkt de rechtbank het volgende op. Op de zitting heeft eiser uitvoerig toegelicht dat hij al veertig jaar in het bezit is van de wapenverloven en de erkenning, dat er nooit eerder problemen zijn geweest, dat hij heel erg zijn best heeft gedaan om de wapenverloven tijdig te verlengen en dat hij zich niet goed behandeld voelt door de korpschef. De rechtbank vindt dit begrijpelijk en begrijpt ook dat deze uitspraak een voor eiser onbevredigende uitkomst heeft. De rechtbank is echter gebonden aan de procedurele regels zoals neergelegd in de Awb en kan daar niet van afwijken. Hoewel op de zitting is gebleken dat het opnieuw aanvragen van de wapenverloven ongunstiger is dan het verlengen van eerder verleende wapenverloven omdat de voorwaarden waaronder de verloven worden verleend strenger zijn geworden, geeft de rechtbank eiser toch in overweging om de wapenverloven opnieuw aan te vragen.
Het verzoek om schadevergoeding
10. Eiser verzoekt om vergoeding van de door hem geleden schade. Hij heeft namelijk kosten gemaakt voor het onderbrengen van de wapens en munitie bij een wapenhandelaar en er is tijd onttrokken aan zijn onderneming.
10.1.
De bestuursrechter is op grond van artikel 8:88 van Pro de Awb bevoegd om op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van – voor zover hier van belang – een onrechtmatig besluit.
10.2.
De rechtbank heeft onder 9 geoordeeld dat de korpschef het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dit betekent dat geen sprake is van een onrechtmatig besluit. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding daarom af.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dit beteken dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. De rechtbank wijst verder het verzoek om schadevergoeding af. Eiser krijgt het griffierecht niet terug.
11.1.
Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat hij recht heeft op een proceskostenvergoeding omdat de korpschef in het bestreden besluit heeft erkend dat de erkenning nog geldig is, dat dit document ten onrechte is ingenomen en dat het aan eiser moet worden geretourneerd. De rechtbank overweegt in dit verband dat eiser weliswaar niet in het bezit was/is van het fysieke document, maar dat hem de erkenning juridisch nooit is ontnomen. Het teruggeven van het document is, net als het innemen, enkel een feitelijke handeling.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep ongegrond;
 wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van
mr. I.H. Verzijl-Stoop, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.