ECLI:NL:RBGEL:2026:1568

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
11877866
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:267 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering medehuurschap wegens onvoldoende hoofdverblijfstermijn

De zaak betreft een vordering van eiser 1 en eiser 2 om eiser 2 als medehuurder te erkennen van een standplaats met woonwagen, verhuurd door Veluwonen. De kern van het geschil is of eiser 2 ten minste twee jaar zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft gehad en of sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.

Eiser 2 was sinds 2017 hoofdhuurder van een andere standplaats en heeft zich pas in januari 2020 ingeschreven op het adres van het gehuurde. Veluwonen stelde dat eiser 2 ondanks inschrijving elders zijn hoofdverblijf had, wat niet voldoende is weerlegd door eisers. De rechtbank concludeerde dat eiser 2 niet eerder dan 31 mei 2024 zijn hoofdverblijf in het gehuurde had, waardoor de vereiste termijn van twee jaar niet is voltooid.

De rechtbank hoefde daardoor niet te oordelen over de duurzame gemeenschappelijke huishouding. De vordering werd afgewezen en eisers werden hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank gaf aan dat een nieuw verzoek na 30 mei 2026 mogelijk is, mits voldoende bewijs wordt geleverd over de gemeenschappelijke huishouding en kostenverdeling.

Uitkomst: De vordering tot medehuurschap wordt afgewezen omdat eiser 2 niet minimaal twee jaar hoofdverblijf had in het gehuurde.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Apeldoorn
Zaaknummer: 11877866 \ CV EXPL 25-2816
Vonnis van 25 februari 2026
in de zaak van

1.[naam eiser 1] ,

te [woonplaats] ,
2.
[naam eiser 2],
te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna afzonderlijk te noemen [eiser 1] en [eiser 2] en gezamenlijk te noemen [eisers] (in vrouwelijk enkelvoud),
gemachtigde: mr. B.J.H.L. Brouwer,
procederend krachtens twee toevoegingen met kenmerk 2GY4017 en kenmerk 2HA5598,
tegen
WONINGSTICHTING VELUWONEN,
te Eerbeek,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Veluwonen,
gemachtigde: mr. M.J. Seijbel.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 12 november 2025,
- de mondelinge behandeling van 26 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 18 mei 2006 is tussen [eiser 1] en Veluwonen een huurovereenkomst tot stand gekomen op grond waarvan Veluwonen de standplaats met berging aan [adres] te [plaatsnaam] (hierna: het gehuurde) aan [eiser 1] verhuurt. Op de standplaats staat een woonwagen die in eigendom toebehoort aan [eiser 1] .
2.2.
Veluwonen verhuurde per 1 augustus 2017 aan [eiser 2] de standplaats aan de [adres] te [plaatsnaam] .
2.3.
[eiser 2] heeft zich per 7 januari 2020 ingeschreven op het adres van het gehuurde.
2.4.
Op 26 oktober 2023 heeft [eiser 2] de huur van de standplaats aan de [adres] te [plaatsnaam] opgezegd. Op verzoek van [eiser 2] is de huurovereenkomst uiteindelijk doorgelopen tot en met 31 mei 2024.
2.5.
De gemachtigde van [eisers] heeft Veluwonen tweemaal (in 2023 en in 2025) verzocht om [eiser 2] als medehuurder van de standplaats te accepteren. Veluwonen heeft deze verzoeken afgewezen.

3.Het geschil

3.1.
[eisers] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zal bepalen dat [eiser 2] met betrekking tot de standplaats [adres] te [plaatsnaam] met ingang van een door de kantonrechter te bepalen datum medehuurder zal zijn in de zin van artikel 7:267 lid 1 BW Pro.
3.2.
Woningstichting Veluwonen voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren hoofdelijke veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure, daaronder de nakosten begrepen.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of [eiser 2] voortaan als medehuurder van het gehuurde moet worden aangemerkt.
4.2.
[eisers] baseert haar vordering op artikel 7:267 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). In het eerste lid van dit artikel is, kort gezegd, bepaald dat de huurder en beoogd medehuurder die in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft, de rechter gezamenlijk kunnen verzoeken dat zal worden bepaald dat de beoogd medehuurder zal worden aangemerkt als medehuurder indien de verhuurder niet heeft ingestemd met een eerder daartoe strekkend verzoek.
4.3.
In artikel 7:267 lid 3 BW Pro zijn situaties genoemd waarin een vordering tot toekenning van het medehuurderschap door de rechter moeten worden afgewezen. Eén van die situaties is de situatie waarin de beoogde medehuurder niet tenminste twee jaar in de betreffende woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft.
4.4.
Partijen verschillen van mening over de vraag of [eiser 2] gedurende tenminste twee jaar zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft en ook over de vraag of sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.
4.5.
De stelplicht en bewijslast van de stellingen dat [eiser 2] gedurende tenminste twee jaar zijn hoofdverblijf op het adres van het gehuurde heeft en dat [eisers] een duurzame gemeenschappelijke huishouding voert, rusten op [eisers] omdat zij zich op de rechtsgevolgen van die stelling beroept. [eisers] heeft daartoe een uittreksel uit het GBA overgelegd waaruit blijkt dat [eiser 2] zich per 7 januari 2020 heeft ingeschreven op het adres van het gehuurde. Hoewel deze inschrijving een vermoeden oplevert dat [eiser 2] zijn woonplaats per 7 januari 2020 heeft verplaatst naar het adres van het gehuurde, heeft Veluwonen voldoende feiten naar voren gebracht om aan te nemen dat [eiser 2] ondanks die inschrijving op dat moment elders zijn hoofdverblijf had. Als onweersproken staat namelijk vast dat [eiser 2] in de periode van 1 augustus 2017 tot 31 mei 2024 hoofdhuurder was van een eigen standplaats ( [adres] te [plaatsnaam] ). [eisers] heeft in dit verband gesteld dat in 2020 een familielid in de woonwagen is gaan wonen maar dat de huurovereenkomst wel op naam van [eiser 2] is blijven staan. Zij heeft die stelling echter, hoewel dat op haar weg had gelegen, niet onderbouwd. Daardoor is de (veronder)stelling van Veluwonen dat [eiser 2] zijn hoofdverblijf tot mei 2024 elders had niet voldoende weerlegd. Niet gebleken is dan ook dat [eiser 2] sinds 2020 niet meer in zijn eigen woonwagen zijn hoofdverblijf had.
4.6.
[eisers] heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat hij gedurende tenminste twee jaar zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft, nog enkele bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat [eiser 2] vanaf 31 mei 2023 de huur van het gehuurde betaalt. Hieruit kan echter niet worden afgeleid dat [eiser 2] zijn hoofdverblijf ook daadwerkelijk op het adres van het gehuurde heeft. Het is immers niet ongebruikelijk dat uitwonende meerderjarige kinderen af en toe betalingen voor hun ouders doen.
4.7.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet kan worden aangenomen dat [eiser 2] eerder dan op 31 mei 2024 zijn hoofdverblijf had in het gehuurde. Uitgaande van deze ingangsdatum is de in artikel 7:267 BW Pro genoemde termijn van twee jaar nog niet voltooid. De vordering van [eisers] moet daarom op grond van artikel 7:267 lid 3 BW Pro aanhef en sub a BW worden afgewezen. Aan de beantwoording van de vraag of sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding wordt dan niet meer toegekomen.
4.8.
[eiser 2] mag uiteraard, zolang [eiser 1] het gehuurde huurt en zij het goed vindt, bij haar blijven wonen maar voor het toekennen van de positie van medehuurder is het op dit moment nog te vroeg. Aan [eisers] wordt meegegeven dat als zij na
30 mei 2026 een nieuw verzoek indient om [eiser 2] de positie van medehuurder te verschaffen, zij – voor het aannemen van de voorwaarde dat sprake is van een gemeenschappelijke huishouding – onder meer voldoende inzicht moet verschaffen in de totale kosten van de huishouding en de mate waarin daarin door [eiser 1] en [eiser 2] wordt bijgedragen.
4.9.
[eisers] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Veluwonen worden vastgesteld en begroot op:
- salaris gemachtigde
80,00
(2 punten × € 40,00)
- nakosten
119,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
199,00
4.10.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat zowel [eiser 1] als [eiser 2] kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vordering van [eisers] af,
5.2.
veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten van € 199,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Engelbert-Clarenbeek en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.
lt