Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:1581

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
459424
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitsluiting inschrijving wegens niet-rechtsgeldige ondertekening UEA bij Europese aanbesteding

Boston Scientific heeft bezwaar gemaakt tegen haar uitsluiting bij een Europese aanbesteding georganiseerd door het Radboud Universitair Medisch Centrum voor levering van medische hulpmiddelen. De inschrijving van Boston werd terzijde gelegd omdat het UEA niet rechtsgeldig was ondertekend: de ondertekening ontbrak van vereiste gegevens en een volmacht was niet bijgevoegd.

Boston stelde dat de ondertekening wel rechtsgeldig was en dat herstel van de onvolkomenheden mogelijk had moeten worden toegestaan. De rechtbank oordeelde dat de uitsluitingsbepaling in de aanbestedingsleidraad een 'zal'-bepaling is, die uitsluiting verplicht stelt bij niet-naleving van de eisen. De digitale ondertekening van het UEA door Boston voldeed niet aan de strikte vormvereisten en was niet gelijkwaardig aan de voorgeschreven ondertekeningswijze.

De rechtbank verwierp het betoog van Boston dat herstel mogelijk had moeten zijn, omdat het niet voldoen aan de strikte vormvoorschriften een fundamenteel gebrek is dat niet voor herstel vatbaar is. Ook de inhoudelijke beoordeling van de inschrijving door Radboud na uitsluiting deed hieraan niet af. De vorderingen van Boston werden afgewezen en zij werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de uitsluiting van Boston wegens niet-rechtsgeldige ondertekening van het UEA en wijst haar vorderingen af.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/459424 / KG ZA 25-413
Vonnis in kort geding van 3 februari 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BOSTON SCIENTIFIC NEDERLAND B.V.,
statutair gevestigd te Maastricht en kantoorhoudende te Kerkrade,
eisende partij,
hierna te noemen: Boston,
advocaten: mrs. P.F.C. Heemskerk en K. Achtioui,
tegen
de stichting
RADBOUD UNIVERSITAIR MEDISCH CENTRUM,
gevestigd te Nijmegen,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Radboud,
advocaten: mrs. T. van Wijk en G.J. van Essen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de akte houdende overlegging producties 1 tot en met 10 van de zijde van Boston
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 3 van de zijde van Radboud
- de akte eisvermeerdering tevens houdende overlegging aanvullende producties 11 tot en met 13 van de zijde van Boston
- de mondelinge behandeling van 13 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitnota van Boston
- de pleitnota van Radboud.
1.2.
Hierna is vonnis bepaald op heden.

2.De feiten

2.1.
Radboud heeft een Europese openbare aanbesteding georganiseerd voor de levering van Drug Eluting Stents (DES), ballonkatheters en guidewires ten behoeve van de afdeling Cardiologie. Uit de Aanbestedingsleidraad volgt dat de opdracht is verdeeld in drie percelen; (i) DES, (ii) ballonkatheters en (iii) guidewires. Uit de Aanbestedingsleidraad volgt dat gunning van de opdracht plaatsvindt op basis van het gunningscriterium ‘economisch meest voordelige inschrijving’, zijnde de beste prijs-kwaliteit verhouding. Inschrijvers kunnen inschrijven op één of meerdere percelen van de opdracht en de percelen worden afzonderlijk van elkaar gegund. De Aanbestedingsleidraad vermeldt verder, voor zover in het kader van dit kort geding relevant, nog het volgende:
‘(…)
1.2.
1.2.
Algemene en procedurele informatie over de aanbesteding
(…)
1.2.4.
1.2.4.
Digitaal aanbieden
(…)
De Ondernemer is zelf verantwoordelijk voor het tijdig en volledig indienen van de digitale inschrijving. Het niet tijdig en/of volledig indienen leidt tot uitsluiting, tenzij er sprake is van een kennelijke omissie (…).
(…)
1.2.6.
Voorschriften betreffende de inhoud van de Inschrijving
(…)
 Daar waar gevraagd wordt om een handtekening dient het betreffende document
rechtsgeldig ondertekendte worden door een daartoe tekenbevoegde perso(o)n(en). Dit betreft een handtekening van een functionaris(sen) die volgens het uittreksel van het beroeps/handelsregister bevoegd is Inschrijver te vertegenwoordigen (c.q. handelt op basis van een volmacht welke wordt meegestuurd met Inschrijving).
 (…)
 Indien een Inschrijver één of meerdere van de hierboven vermelde voorschriften niet opvolgt, kan het UMC de Inschrijver uitsluiten van verdere deelname aan de aanbestedingsprocedure.
 (…)
1.2.10.
Juistheid en volledigheid van de Inschrijving
(…) Indien tijdens de beoordeling van Inschrijving blijkt, dat Inschrijver onjuiste en/of onvolledige informatie heeft verstrekt, kan Inschrijving ongeldig worden verklaard. (…)
1.2.19
Voorbehouden
Voorts behoudt UMC zich het recht voor om:
(…)
 De KO’s te beoordelen en het antwoord te wijzigen in overleg met Inschrijver indien de beantwoording door de Inschrijver onjuist blijkt te zijn/sprake blijkt te zijn van een kennelijke omissie.
 Inschrijving ter zijde te leggen in het geval van een onregelmatige en/of onaanvaardbare Inschrijving;
o Onregelmatige Inschrijvingen zijn in ieder geval Inschrijvingen:
 Die niet voldoen aan de vereisten in de aanbestedingsstukken,
 (…)
(…)
1.3.
Uitsluitingsgronden
In deze vragenlijst zijn de uitsluitingsgronden opgenomen waaraan Inschrijver minimaal dient te voldoen. Indien een Inschrijver niet aan alle gestelde criteria voldoet zal Inschrijving ongeldig worden verklaard en ter zijde worden gelegd. (…)
1.3.1.
Uniform Europees Aanbestedingsdocument (UEA)
Inschrijver dient het formulier “Uniform Europees Aanbestedingsdocument” (UEA) welke aan deze vraag is gekoppeld volledig in te vullen.
Opmerkingen betreffende invullen van het UEA:
(…)
 Deel VI: Hier dient ondertekend te worden door de tekenbevoegde(n) (
LET OPinclusief toevoeging “de heer of mevrouw”, “naam” en “functie”).
(…)
LET OP: De persoon die het UEA ondertekent, dient conform het Handelsregister vertegenwoordigingsbevoegd te zijn!
Indien u handelt op basis van een volmacht dient u deze volmacht, waaruit blijkt dat u bevoegd bent om namens de rechtsgeldig bevoegde persoon de documenten te ondertekenen, bij deze vraag bij te voegen.
U dient de UEA uit te draaien en te (laten) ondertekenen door een daartoe bevoegde, en deze vervolgens in te scannen.
(…)’
2.2.
Boston heeft, naast een aantal overige ondernemers, op perceel 1 en 3 van de opdracht ingeschreven. Het UEA is namens Boston ondertekend door [medewerker Boston] . Deze ondertekening ziet er als volgt uit:
[ Afbeelding verwijderd ter anonimisatie ]
2.3.
Het handelsregister van de Kamer van Koophandel vermeldt ten aanzien van Boston in totaal drie gevolmachtigden, waaronder:
[ Afbeelding verwijderd ter anonimisatie ]
Bij het UEA is namens Boston geen volmacht overgelegd.
2.4.
De “Bijlage: Verklaring aanvaarding hoofdelijke aansprakelijkheid” die in het kader van de inschrijving op de opdracht namens Boston is ingediend, is op de volgende wijze ondertekend:
[ Afbeelding verwijderd ter anonimisatie ]
2.5.
De beoordelingscommissie van het Radboud heeft de ontvangen inschrijvingen op de verschillende percelen van de opdracht vervolgens beoordeeld. Bij brief van
31 oktober 2025 heeft zij haar voorlopige gunningsbeslissing aan Boston kenbaar gemaakt. Deze brief vermeldt voor zover thans van belang het volgende:
‘(…)
Tijdens de beoordelingsprocedure zoals verwoord in de inschrijvingsleidraad is gebleken dat uw organisatie geen rechtsgeldige Inschrijving heeft gedaan en daarom terzijde is gelegd.
De Inschrijving is niet rechtsgeldig omdat:
1. Conform paragraaf 1.3.1. in Mercell dient de UEA ondertekend te zijn door de persoon die conform het Handelsregister vertegenwoordigingsbevoegd is. De UEA is niet ondertekend door een daartoe, blijkens het handelsregister, dan wel een overeenkomstig register van het land van vestiging van de onderneming, vertegenwoordigingsbevoegde.
(…)’
2.6.
Bij brief van 4 november 2025 aan Radboud is namens Boston bezwaar gemaakt tegen de uitsluiting van haar inschrijving en heeft zij verzocht om heroverweging van die beslissing. Deze brief vermeldt voor zover thans van belang het volgende:
‘(…)
De UEA is voorzien van een handtekening
(…)
De UEA is ondertekend door [medewerker Boston] en hij is een statutair bevoegd vertegenwoordiger van Boston Scientific, zoals blijkt uit het Handelsregister (toegevoegd onder 1.3.2. in Mercell).
Daarmee is voldaan aan de vereisten voor een rechtsgeldige ondertekening: de ondertekenaar is identificeerbaar, bevoegd en heeft de wil tot ondertekening ondubbelzinnig tot uiting gebracht. Het document is tijdig en conform de instructies in de aanbestedingsstukken ingediend.
(…)’
2.7.
Tussen partijen is hierover verder gecorrespondeerd tijdens een telefoongesprek dat heeft plaatsgevonden op 3 november 2025 en bij brieven van 7 november 2025,
12 november 2025 en 13 november 2025. Dit heeft er uiteindelijk niet toe geleid dat Radboud is teruggekomen op haar beslissing om de inschrijving van Boston uit te sluiten. Boston is vervolgens binnen de standstill termijn het onderhavige kort geding gestart.
2.8.
Bij brief van 23 december 2025 heeft Radboud onder meer het volgende aan Boston bericht:
‘(…)
Tegen de afwijzingsbeslissing d.d. 31 oktober jl. voor de percelen 1 en 3 in het kader van de Europese aanbesteding DES, ballonkatheters en guidewires is Boston Scientific opgekomen door het aanhangig maken van een kort geding. In de dagvaarding wordt gesuggereerd dat Boston Scientific belang zou hebben omdat bij het wegnemen van de afwijzingsgrond zij voor gunning in aanmerking zou komen. Dat is echter niet het geval. Ter toelichting treft u hieronder de (inhoudelijke) beoordeling van uw inschrijvingen aan.
(…)
Boston Scientific scoort op onderdeel 2 van de Gebruikerstest (Kink resistant shaft) een onvoldoende. Meerdere stuks zijn getest en vertoonden bij inbreng onder lage druk al een kink waardoor zelfs een tweede test niet meer mogelijk (althans onnodig) was. Zoals bepaald in de aanbestedingsdocumenten betekent een onvoldoende een knock-out (ongeldigverklaring). Ook om deze reden kan er dus geen gunning aan Boston plaatsvinden.
(…)’
In de brief staat verder dat een andere inschrijver de inschrijving met de beste prijs-kwaliteitverhouding heeft ingediend op perceel 3, met daarbij een overzicht van de door Boston behaalde scores en die van de winnende inschrijving.
2.9.
Boston heeft Radboud in reactie daarop bij brief van 30 december 2025 gevraagd om een toelichting waarom Radboud eerst op dat moment een nieuwe reden voor ongeldigverklaring van haar inschrijving naar voren bracht. Verder heeft Boston verzocht om toezending van de door de betrokken beoordelaars ingevulde beoordelingsformulieren en een nadere, schriftelijke toelichting op de door Radboud gestelde testbeperking ten aanzien van perceel 1.
2.10.
Radboud heeft daarop bij bericht aan Boston van 5 januari 2026 als volgt gereageerd:
‘(…) Omdat door u in de dagvaarding gesteld wordt dat u de opdracht gegund zou krijgen als uw inschrijving geldig verklaard zou worden, is de inhoudelijke beoordeling van uw inschrijving alsnog met u gedeeld om de onjuistheid van deze stelling op te helderen.
(…)’

3.Het geschil

3.1.
Boston vordert - na vermeerdering van eis - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
primair
I Radboud te gebieden de voorlopige gunningsbeslissing van 31 oktober 2025 voor perceel 1 en perceel 3 binnen 48 uur na het wijzen van dit vonnis in te trekken, onder gelijktijdige bekendmaking van deze beslissing aan alle inschrijvers;
II de inschrijving van Boston met betrekking tot perceel 1 en perceel 3 geldig te verklaren;
III Radboud, voor zover zij de opdracht nog wenst te gunnen, te gebieden de opdracht met betrekking tot perceel 1 te gunnen aan Boston;
IV Radboud, voor zover zij de opdracht nog wenst te gunnen, te gebieden de inschrijving van Boston met betrekking tot perceel 3 volledig te laten beoordelen door een nieuwe beoordelingscommissie, conform de in de aanbestedingsstukken beschreven procedure;
subsidiair
V Radboud te gebieden de voorlopige gunningsbeslissing van 31 oktober 2025 voor perceel 1 en perceel 3 binnen 48 uur na het wijzen van dit vonnis in te trekken, onder gelijktijdige bekendmaking van deze beslissing aan alle inschrijvers;
VI Radboud, voor zover zij de opdracht nog wenst te gunnen, te gebieden Boston toe te staan de inschrijving op perceel 1 en perceel 3 te herstellen door het UEA te printen, te ondertekenen en in te scannen, met inbegrip van de toevoegingen “de heer of mevrouw”, “naam” en “functie”, en het UEA, inclusief de volmacht, opnieuw te uploaden;
VII Radboud, voor zover zij de opdracht nog wenst te gunnen, te gebieden de opdracht met betrekking tot perceel 1 te gunnen aan Boston;
VIII Radboud, voor zover zij de opdracht nog wenst te gunnen, te gebieden over te gaan tot een beoordeling van de inschrijving van Boston op perceel 3 door een nieuwe beoordelingscommissie, conform de in de aanbestedingsstukken beschreven procedure;
meer subsidiair
IX Radboud te gebieden de voorlopige gunningsbeslissing van 31 oktober 2025
voor perceel 1 en perceel 3 binnen 48 uur na het wijzen van dit vonnis in te trekken, onder
gelijktijdige bekendmaking van deze beslissing aan alle inschrijvers;
X Radboud, voor zover zij de opdracht nog wenst te gunnen, te gebieden Boston
toe te staan de inschrijving op perceel 1 en perceel 3 te herstellen door het UEA te
printen, te ondertekenen en in te scannen, met inbegrip van de toevoegingen ''de heer
of mevrouw'', ''naam'' en ''functie'', en het UEA, inclusief de volmacht, opnieuw te
uploaden;
XI Radboud, voor zover zij de opdracht nog wenst te gunnen, te gebieden over te
gaan tot een beoordeling van de inschrijving van Boston op perceel 1 en perceel 3
door een nieuwe beoordelingscommissie, conform de in de aanbestedingsstukken
beschreven procedure;
uiterst subsidiair
XII Radboud te gebieden de voorlopige gunningsbeslissing van 31 oktober 2025
voor perceel 1 en perceel 3 binnen 48 uur na het wijzen van dit vonnis in te trekken, onder
gelijktijdige bekendmaking van deze beslissing aan alle inschrijvers;
XIII Radboud te gebieden over te gaan tot een herbeoordeling van de inschrijvingen door een nieuwe beoordelingscommissie, dan wel Radboud te gebieden om de aanbestedingsprocedure te staken en deze in te trekken en, voor zover zij de opdracht nog wenst te gunnen, over te gaan tot een heraanbesteding;
XIV voor zover de vorderingen van Boston worden afgewezen, Radboud te
veroordelen in een tegemoetkoming van de kosten van juridische bijstand van € 10.000,00;
in alle gevallen
XV een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag, met een maximum van € 1.000.000,00 dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag dat Radboud geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen;
XVI Radboud te veroordelen in de proces- en nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
Radboud voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van Boston in de proceskosten.
3.3.
Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover voor de beoordeling van dit geschil van belang, worden ingegaan.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
De spoedeisendheid van de vorderingen vloeit voldoende voort uit de aard daarvan.
4.2.
Boston vordert in deze procedure primair Radboud te gebieden de voorlopige gunningsbeslissing van 31 oktober 2025 voor wat betreft de percelen 1 en 3 in te trekken en haar inschrijvingen op deze twee percelen geldig te verklaren, waarna perceel 1 aan haar kan worden gegund en haar inschrijving op perceel 3 door een nieuwe beoordelingscommissie volledig kan worden beoordeeld alvorens tot gunning wordt overgegaan. Boston legt aan deze vorderingen ten grondslag dat Radboud haar inschrijving op perceel 1 en perceel 3 ten onrechte ongeldig heeft verklaard. Volgens Boston is het UEA weliswaar niet conform de voorschriften uit de Aanbestedingsleidraad ondertekend, maar wel op een gelijkwaardige en daarmee rechtsgeldige wijze. Voor zover Radboud daar anders over denkt, stelt Boston subsidiair dat het niet voldoen aan vormvoorschriften niet met directe uitsluiting is gesanctioneerd en Radboud haar de gelegenheid had moeten bieden de geringe materiële onvolkomenheden in haar inschrijving te herstellen.
4.3.
Radboud voert verweer en voert in dat verband aan dat Boston belangrijke inschrijvingsvoorschriften heeft geschonden die zien op het vaststellen van de rechtsgeldigheid van de inschrijving, zodat haar inschrijving terecht terzijde is gelegd. Radboud meent dat Boston een professionele partij is en dat van haar als behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver mag worden verwacht dat zij kennisneemt van de eisen die Radboud aan het indienen van een inschrijving stelt, en die ook in acht neemt. Door dat niet te doen, is Boston op grond van het bepaalde in paragraaf 1.3. en 1.3.1. van de Aanbestedingsleidraad terecht uitgesloten en kan zij zich daartegen in dit kort geding niet met succes verzetten.
4.4.
Voornoemde standpunten van partijen doen allereerst de vraag rijzen op welke wijze de uitsluitbepaling als opgenomen in subparagraaf 1.3.1. van de Aanbestedingsleidraad dient te worden uitgelegd. Of een inschrijver die het UEA niet op de voorgeschreven, althans rechtsgeldige wijze ondertekent
kanof
zalworden uitgesloten, is een vraag van uitleg die aan de hand van de zogenaamde CAO-norm dient te worden beantwoord. Deze norm houdt in dat een bepaling naar objectieve maatstaven moet worden uitgelegd, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst, van doorslaggevende betekenis zijn. Het komt daarbij aan op wat de normaal oplettende en goed geïnformeerde inschrijver in deze aanbestedingsprocedure daaruit heeft mogen begrijpen. Indien deze toets uitwijst dat ieder van deze inschrijvers de eis hetzelfde heeft moeten begrijpen, is de conclusie dat de eis niet voor tweeërlei uitleg vatbaar is en van die uitleg moet worden uitgegaan.
4.5.
De Aanbestedingsleidraad is ingedeeld in verschillende hoofdstukken. Paragraaf 1.2. van de Aanbestedingsleidraad bevat algemene en procedurele informatie over de aanbesteding. In een aantal subparagrafen is bepaald dat Radboud de inschrijver
kanuitsluiten, indien de inschrijving niet aan de in die specifieke subparagrafen genoemde eisen voldoet. In paragraaf 1.3. van de Aanbestedingsleidraad zijn vervolgens de uitsluitingsgronden opgenomen. In deze paragraaf is bepaald dat indien een inschrijver niet aan alle gestelde criteria voldoet, de inschrijving ongeldig
zalworden verklaard en terzijde zal worden gelegd. In subparagraaf 1.3.1. van de Aanbestedingsleidraad zijn de eisen ten aanzien van het UEA geformuleerd. Hieruit volgt dat (i) het UEA dient te worden ondertekend door de tekenbevoegde(n) inclusief toevoeging “de heer of mevrouw”, “naam” en “functie”, (ii) de persoon die het UEA ondertekent conform het Handelsregister vertegenwoordigingsbevoegd dient te zijn, (iii) indien wordt gehandeld op basis van een volmacht, de volmacht waaruit blijkt dat de persoon bevoegd is om namens de rechtsgeldig bevoegde persoon de documenten te ondertekenen, bijgevoegd dient te zijn en (iv) het UEA dient te worden uitgedraaid, ondertekend door een daartoe bevoegde en vervolgens dient te worden ingescand.
4.6.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat subparagraaf 1.3.1. kwalificeert als een zogenaamde “zal”-bepaling en niet als “kan”-bepaling. De bepalingen waarop Boston zich beroept ter onderbouwing van haar standpunt dat Radboud de bevoegdheid heeft om inschrijvingen terzijde te kunnen leggen, zonder dat zij daartoe zonder meer gehouden is, staan alle in paragraaf 1.2. van de Aanbestedingsleidraad (het betreft de subparagrafen 1.2.6, 1.2.10 en 1.2.19). Hiervoor is al opgemerkt dat paragraaf 1.2. ziet op algemene en procedurele informatie inzake de voorliggende aanbesteding. Paragaaf 1.3. is in die zin een nadere uitwerking van de algemeenheden en richt zich specifiek op de geldende uitsluitingsgronden. In die paragaaf is vastgelegd dat Radboud inschrijvers die niet aan de eisen voldoen, zal uitsluiten. Dat was voor iedere behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver duidelijk, althans had duidelijk moeten zijn, zodat van die uitleg in de verdere beoordeling zal worden uitgegaan.
4.7.
Daarmee ligt de vraag voor of Radboud terecht heeft geconcludeerd dat de inschrijving van Boston niet aan de vereisten als vermeld in paragraaf 1.3.1. voldoet en dus terzijde moest worden gelegd. Vaststaat dat het UEA namens Boston is ondertekend door “ [medewerker Boston] ”, zonder vermelding van “de heer of mevrouw”, “naam” en “functie”. Vaststaat eveneens dat de volmacht op basis waarvan is ondertekend, niet bij het UEA is gevoegd en dat uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel enkel blijkt dat [medewerker Boston] een beperkte volmacht heeft. Daarmee zijn partijen het erover eens dat Boston niet naar de letter aan de in subparagraaf 1.3.1. gestelde inschrijvingseisen heeft voldaan. Boston meent echter dat zij alsnog rechtsgeldig heeft ondertekend. Ten aanzien van de vertegenwoordigingsbevoegdheid stelt Boston zich op het standpunt dat uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat [medewerker Boston] statutair bevoegd vertegenwoordiger was van Boston en die informatie had Radboud zelf bij de Kamer van Koophandel kunnen en ook moeten opvragen. Nu de volmacht waaruit de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [medewerker Boston] blijkt bovendien bij brief van
12 november 2025 alsnog aan Radboud is overgelegd, kon over het bestaan daarvan geen misverstand bestaan, aldus Boston.
4.8.
Anders dan Boston stelt, komt in het handelsregister van de Kamer van Koophandel enkel de naam
[medewerker Boston]voor, waarbij slechts staat vermeld dat hij een beperkte volmacht heeft. Uit deze informatie volgt niet dat
[medewerker Boston]op dat moment (statutair of zelfstandig) vertegenwoordigingsbevoegd was om namens Boston het UEA te ondertekenen. Zelfs als Radboud was gehouden het handelsregister zelf te raadplegen, dan was daarmee de benodigde informatie niet bekend geworden. Dat de volmacht waaruit die informatie volgens Boston wel blijkt op een later moment, te weten 12 november 2025, alsnog is overgelegd, brengt geen verandering in de omstandigheid dat aan dit vereiste op het moment van inschrijving niet was voldaan.
4.9.
Hoewel Boston moet worden nagegeven dat de gegevens betreffende het geslacht, de naam en de functie van [medewerker Boston] op zichzelf niet bij de ondertekening zijn genoemd maar wel direct uit de inhoud van het UEA en de Verklaring aanvaarding hoofdelijke aansprakelijkheid kunnen worden afgeleid, blijft overeind dat zij door het weglaten van deze gegevens formeel gezien niet aan dit vereiste heeft voldaan. Ditzelfde geldt ten slotte ook voor het derde vereiste waaraan in het kader van de ondertekening van de UEA moest worden voldaan. Boston heeft immers erkend dat zij het UEA niet heeft uitgedraaid, ondertekend en ingescand voor verzending. In plaats daarvan is het UEA namens Boston op een digitale wijze ondertekend. Dat de namens Boston geplaatste handtekening gelijkwaardig is aan de door Radboud voorgeschreven ondertekeningswijze en daarmee rechtsgeldig, zodat Radboud deze alternatieve wijze van ondertekenen daarom (ook) zou moeten accepteren, acht de voorzieningenrechter niet, althans onvoldoende aannemelijk geworden. Radboud heeft in dat verband toegelicht dat zij niet, zoals Boston stelt, enkel een digitaal gekwalificeerde handtekening als gelijkwaardig accepteert, maar dat aan de wijze van digitale ondertekening wel een bepaalde waarde moet kunnen worden toegekend. Radboud heeft in het kader van de onderhavige kort gedingprocedure voldoende aannemelijk gemaakt dat de handtekening die namens Boston onder het UEA is geplaatst daaraan niet voldoet. Op dit moment moet het ervoor worden gehouden dat de ondertekening van het UEA door [medewerker Boston] bestaat uit zijn getypte naam, die op enigerlei wijze onder het document is ‘geplakt’. Geconstateerd moet worden dat die ondertekening in ieder geval verschilt van de wijze waarop de Verklaring aanvaarding hoofdelijke aansprakelijkheid namens [medewerker Boston] is ondertekend. Enige mogelijkheid tot verificatie van deze wijze van ondertekening van het UEA ontbreekt. Daarom kan, zoals Radboud terecht aanvoert, niet worden geverifieerd dat het UEA werkelijk door [medewerker Boston] als vertegenwoordigingsbevoegde van Boston is ondertekend. Dit leidt tot het voorshandse oordeel dat de digitale ondertekening van het UEA zoals Boston die heeft vormgegeven niet gelijkwaardig is aan de eis die Radboud op dit onderdeel aan de wijze van ondertekening van het UEA heeft gesteld en door Radboud had moeten worden geaccepteerd.
4.10.
Bij deze stand van zaken kan de primaire grondslag van de vorderingen van Boston niet tot toewijzing daarvan leiden. Daarmee wordt toegekomen aan de subsidiaire vordering en grondslag en ligt de vraag voor of Radboud aan Boston al dan niet de mogelijkheid had moeten bieden om het gebrek in de (ondertekening van haar) inschrijving te herstellen. Volgens Boston luidt het antwoord daarop bevestigend en is de uitsluiting van haar inschrijving disproportioneel en derhalve onrechtmatig. Boston stelt dat het onder omstandigheden kan worden toegestaan dat gegevens in een aanbesteding worden aangevuld of verduidelijkt, met name wanneer het gaat om een klaarblijkelijke eenvoudige precisering van een materiële fout, mits dit niet neerkomt op het indienen van een nieuwe of gewijzigde inschrijving. De materiële onvolkomenheden die in haar inschrijving zijn geslopen, zijn beperkt en lenen zich in de ogen van Boston voor eenvoudig herstel. Daartoe had zij dan ook in de gelegenheid moeten worden gesteld. Dat is ook zo, indien de aanbestedingsstukken voorschrijven dat bepaalde informatie op straffe van uitsluiting moet worden overgelegd. Boston stelt dat met inachtneming van het zorgvuldigheidsbeginsel en binnen de grenzen van de aanbestedingsrechtelijke beginselen van gelijkheid en transparantie, een aanbestedende dienst gehouden kan zijn een herstel- of aanvulmogelijkheid van een niet volledig ingevuld UEA te bieden en het uitblijven daarvan neerkomt op excessief formalisme.
4.11.
Dat Radboud zich daaraan in dit concrete geval schuldig maakt, acht de voorzieningenrechter echter niet aannemelijk. Voor een aanbestedende dienst bestaat geen verplichting tot het bieden van een herstelmogelijkheid. Er is alleen sprake van een bevoegdheid om herstel toe te staan [1] . Die bevoegdheid gaat echter niet zover dat ook een herstelmogelijkheid mag worden geboden voor stukken die op straffe van uitsluiting moeten worden verstrekt [2] . Anders dan Boston meent, levert de niet op de juiste wijze ingediende inschrijving in dit geval een fundamenteel gebrek op, waarop uitsluiting volgt en dat zich niet leent voor herstel. Het niet voldoen aan de concreet door Radboud gestelde vormvoorschriften voor inschrijving, zoals vetgedrukt in hoofdletters en voorzien van uitroeptekens verwoord in sub paragraaf 1.3.1. van de Aanbestedingsleidraad, welke voorschriften bovendien duidelijk en niet voor tweeërlei uitleg vatbaar zijn, leidt - zoals hiervoor reeds overwogen - tot terzijde legging van de inschrijving van Boston en terechte uitsluiting van de aanbestedingsprocedure. Het in dit stadium van die procedure bieden van een herstelmogelijkheid aan Boston op deze onderdelen zou in strijd zijn met het transparantiebeginsel en leiden tot ongelijke behandeling van de betrokken inschrijvers, hetgeen niet is toegestaan.
4.12.
Dit alles leidt tot het voorshandse oordeel dat de inschrijving van Boston op goede gronden terzijde is gelegd. Gevolg daarvan is dat ook deze grondslag niet tot toewijzing van de subsidiair en meer subsidiaire vorderingen van Boston kan leiden, die strekken tot een gebod voor Radboud de voorlopige gunningsbeslissing in te trekken, Boston haar inschrijving te laten herstellen en de inschrijving op perceel 3, althans perceel 1 en 3, opnieuw te laten beoordelen. Deze vorderingen zullen dan ook worden afgewezen.
4.13.
Gelet op hetgeen hiervoor reeds is overwogen, bestaat evenmin grond voor een gebod voor Radboud over te gaan tot een herbeoordeling van de inschrijvingen door een nieuwe beoordelingscommissie, dan wel de aanbestedingsprocedure te staken en in te trekken waarna, voor zover Radboud de opdracht nog wenst te gunnen, kan worden overgegaan tot heraanbesteding. Ook de uiterst subsidiaire vorderingen strekkende daartoe zullen daarom worden afgewezen.
4.14.
Uit het voorgaande vloeit voort dat Radboud niet (langer) gehouden was de inschrijving van Boston inhoudelijk te beoordelen. Dat Radboud er naar aanleiding van de inleidende dagvaarding van Boston voor heeft gekozen om in het kader van haar verweer in het onderhavige kort geding alsnog naar de inhoud van de inschrijving van Boston te kijken en haar beoordeling/bevindingen bij brief van 23 december 2025 met Boston te delen, maakt dat niet anders. De stelling van Boston dat in die brief sprake is van nieuwe, niet eerder aangevoerde gronden ter onderbouwing van de ongeldigverklaring van de inschrijving van Boston wordt niet gevolgd. Met deze brief heeft Radboud willen aantonen dat Boston ook op grond van een inhoudelijke beoordeling niet voor gunning van de opdrachten in aanmerking zou zijn gekomen. Boston is het niet eens met die beoordeling, maar dat is niet meer van belang. De inschrijving van Boston is op voorhand uitgesloten en de wijze waarop een onverplicht uitgevoerde latere beoordeling op inhoud is verricht en de uitkomst daarvan kan daarom geen gevolgen hebben voor de uitkomst van dit kort geding. De stelling dat Boston recht heeft op een bedrag van € 10.000,00 aan kosten voor juridische bijstand, omdat Radboud onzorgvuldig jegens haar zou hebben gehandeld door het inhoudelijke beoordelingsproces niet uit te voeren overeenkomstig de geldende aanbestedingsstukken, kan dan ook niet worden gevolgd. De daartoe strekkende vordering zal daarom worden afgewezen.
4.15.
Nu de hoofdvorderingen worden afgewezen, zal ook de nevenvordering ten aanzien van de dwangsommen worden afgewezen.
4.16.
Boston is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Radboud worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.101,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van Boston af,
5.2.
veroordeelt Boston in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Boston niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. K. van Vlimmeren-van Ommen en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.H.J. Krijnen op 3 februari 2026.

Voetnoten

1.HvJ EU 29 maart 2012, C-599/10, ECLI:EU:C:2012:191 (SAG)
2.HvJ EU 10 oktober 2013, C-336/12, ECLI:EU:C:2013:647 (Manova)