ECLI:NL:RBGEL:2026:1582

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
11936388
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArtikel 15 Algemene voorwaarden financiële lease (Huurkoop)Artikel 43 Algemene voorwaarden financiële lease (Huurkoop)Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke ontbinding huurkoopovereenkomst auto wegens onbetaalde leasetermijnen

Partijen sloten op 31 juli 2023 een huurkoopovereenkomst voor een Mercedes-Benz C 350 E met een looptijd van 60 maanden en maandelijkse leasetermijnen van € 375,85. De algemene voorwaarden financiële lease (huurkoop) zijn van toepassing, waaronder bepalingen over vervroegde opeisbaarheid bij betalingsachterstand.

De gedaagde liet de leasetermijnen van oktober 2023 tot en met juni 2024 onbetaald, wat leidde tot een achterstand van € 3.382,65. De eiser ontbond de overeenkomst buitengerechtelijk op 28 mei 2025 en nam de auto in, die vervolgens werd verkocht voor € 11.200,00.

De eiser vordert onder meer een verklaring voor recht van ontbinding, betaling van achterstallige leasetermijnen, toekomstige leasetermijnen als schadevergoeding, incassokosten en contractuele rente. De gedaagde betwist onder meer dat hij de overeenkomst zakelijk is aangegaan en de verschuldigdheid van toekomstige leasetermijnen.

De rechtbank oordeelt dat de gedaagde de overeenkomst zakelijk is aangegaan, dat de ontbinding rechtsgeldig is en dat de gedaagde de achterstallige en toekomstige leasetermijnen verschuldigd is. De gevorderde innamekosten worden deels toegewezen, de verkoopopbrengst wordt in mindering gebracht, en de contractuele rente en redelijke incassokosten worden toegewezen. De proceskosten worden aan de gedaagde opgelegd.

Uitkomst: De huurkoopovereenkomst is ontbonden en de gedaagde is veroordeeld tot betaling van achterstallige en toekomstige leasetermijnen, rente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Apeldoorn
Zaaknummer: 11936388 \ CV EXPL 25-3432
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van
[naam eisend bedrijf] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. J. Jonk,
tegen
[naam gedaagde], handelend onder de naam
[naam gedaagd bedrijf],
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 5 november 2025,
- de voorafgaand aan de mondelinge behandeling door mr. J. Jonk overgelegde aanvullende producties,
- de mondelinge behandeling van 7 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 31 juli 2023 hebben partijen een huurkoopovereenkomst gesloten met betrekking tot een Mercedes-Benz C 350 E met kenteken [kentekennummer] (hierna: de auto) met een looptijd van 60 maanden. De totale leaseprijs bedraagt € 22.551,00 en de maandelijkse leasetermijnen bedragen € 375,85.
2.2.
Op de overeenkomst zijn de Algemene voorwaarden financiële lease (Huurkoop) versie 01-12-2021 (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing. In de algemene voorwaarden is onder meer het volgende bepaald:
“(…)
Betalingen
(…)
15.Indien de Eindgebruiker in gebreke blijft met de tijdige betaling van een Leasetermijn, dan wel enig ander door hem uit hoofde van de Overeenkomst en/of deze algemene voorwaarde verschuldigd bedrag, zal hij hierover een vertragingsrente verschuldigd zijn gelijk aan 1,5 % per maand of de geldende wettelijke rente indien die hoger mocht zijn dan voormeld percentage, te rekenen vanaf de vervaldag tot en met de dag der betaling, waarbij een gedeelte van een maand voor een gehele maand wordt gerekend.
(…)
Vervroegde opeisbaarheid
43.Indien de Eindgebruiker een op hem rustende verplichting jegens de Leasemaatschappij niet of niet tijdig nakomt, (…) dan is de Leasemaatschappij gerechtigd het nog niet betaalde deel van de Leaseprijs, na de Eindgebruiker in geval van de niet of niet tijdige nakoming van een (betalings)verplichting eerst schriftelijk in gebreke te hebben gesteld, onmiddellijk vervroegd op te eisen. Door de vervroegde opeising van de Leaseprijs eindigt de Overeenkomst en is de Eindgebruiker niet langer gerechtigd het Object te gebruiken en zal de Leasemaatschappij het Object onmiddellijk tot zich kunnen nemen. (…)”
2.3.
[gedaagde] heeft de leasetermijnen over de maanden oktober 2023 tot en met juni 2024 ondanks herhaalde aanmaning onbetaald gelaten. Daardoor is een betalingsachterstand van € 3.382,65 ontstaan.
2.4.
Op 28 mei 2025 is de huurkoopovereenkomst tussen partijen buitengerechtelijk ontbonden. Op dezelfde dag heeft [eiser] de auto ingenomen. [eiser] heeft de auto vervolgens verkocht voor een bedrag van € 11.200,00.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. voor recht zal verklaren dat de leaseovereenkomst is ontbonden,
2. [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 12.500,00, vermeerderd met de contractuele rente van 1,5% per maand, althans de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag van volledige betaling,
alsmede [gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] ondanks herhaalde aanmaning een achterstand heeft laten ontstaan in de betaling van de leasetermijnen. Dit vormt op grond van artikel 43 van Pro de Algemene Voorwaarden reden voor ontbinding. Het bedrag aan achterstallige leasetermijnen bedraagt in totaal € 3.382,65. [gedaagde] is voorts een bedrag van € 955,90 aan inname- en takelkosten en een schadevergoeding van € 18.416,65 verschuldigd. Dit laatste bedrag is gelijk aan het bedrag van het totaal van de leasetermijnen dat [gedaagde] bij het in stand blijven van de overeenkomst gehouden zou zijn geweest te betalen. [gedaagde] is verder buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd. Deze kosten bedragen primair € 1.155,52 en subsidiair € 890,55. Op grond van artikel 15 van Pro de algemene voorwaarden is [gedaagde] tevens een contractuele rente van 1,5% per maand verschuldigd. De contractuele rente tot en met 8 oktober 2025 bedraagt € 239,95. [eiser] heeft de auto verkocht en de verkoopopbrengst bedraagt € 11.200,00. Dit bedrag strekt in mindering op het door [gedaagde] te betalen bedrag. Met inachtneming van het voorgaande bedraagt de vordering in totaal € 12.950,67 + p.m. [eiser] maximeert haar vordering op € 12.500,00 en ziet af van het meerdere.
3.3.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot gedeeltelijke afwijzing van de vorderingen van [eiser] .
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Partijen verschillen allereerst van mening over de vraag of [gedaagde] de huurkoopovereenkomst in de uitoefening van zijn bedrijf is aangegaan. [gedaagde] heeft dit betwist. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de auto voornamelijk privé wilde gebruiken en dat [eiser] daarvan op de hoogte was. Dit verweer kan [gedaagde] niet baten. Uit de door [gedaagde] ondertekende huurkoopovereenkomst is namelijk in de tenaamstelling en in de ondertekening uitdrukkelijk vermeld dat [gedaagde] handelt onder de naam van zijn eenmanszaak. [gedaagde] heeft onvoldoende concrete en onderbouwde feiten en omstandigheden naar voren gebracht die kunnen meebrengen dat hij bij het aangaan van de huurkoopovereenkomst – in tegenstelling tot hetgeen uit de huurkoopovereenkomst blijkt – toch als consument handelde. Dat hij niet die intentie had en dat de tenaamstelling alleen om fiscale redenen zo gedaan zou zijn, is niet onderbouwd. Overigens zou die stelling juist onderbouwen dat bewust gekozen is voor een zakelijke aankoop. Uitgangspunt is daarom dat [gedaagde] de huurkoopovereenkomst in de uitoefening van zijn bedrijf is aangegaan. Het gevolg hiervan is dat in dit geval de consumentbeschermende bepalingen niet van toepassing zijn.
Verklaring voor recht
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat de huurkoopovereenkomst buitengerechtelijk is ontbonden. De in dit verband gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen. Opgemerkt wordt dat het kennelijk een gedeeltelijke ontbinding betreft, namelijk alleen voor het nog na te komen deel.
Onbetaalde leasetermijnen
4.3.
[gedaagde] betwist niet dat hij gerekend tot en met juni 2024 een achterstand van € 3.382,65 heeft laten ontstaan in de betaling van de maandelijkse leasetermijnen en dat hij dit bedrag aan [eiser] is verschuldigd. De gevorderde betaling van dit bedrag is dan ook toewijsbaar.
Schadevergoeding
4.4.
[gedaagde] is zijn verplichtingen jegens [eiser] niet nagekomen omdat hij, ondanks herhaalde aanmaning, een achterstand in de betaling van de leasetermijnen heeft laten ontstaan. [eiser] is daarom op grond van artikel 43 van Pro de huurkoopovereenkomst gerechtigd het nog niet betaalde deel van de leaseprijs (de toekomstige leasetermijnen) onmiddellijk vervroegd op te eisen. Dat is in dit geval een bedrag van in totaal € 18.416,65. [gedaagde] betwist de verschuldigdheid van dit bedrag. Hij voert daartoe aan dat partijen mondeling zijn overeengekomen dat [gedaagde] alleen de leasetermijnen zou moeten betalen tot de datum waarop de auto zou worden verkocht. Gelet op de betwisting van deze stelling door [eiser] , lag het op de weg van [gedaagde] om het bestaan van de door hem gestelde afspraak te onderbouwen. Deze onderbouwing ontbreekt. Niet gebleken is dan ook dat partijen in afwijking van artikel 43 van Pro de huurkoopovereenkomst zijn overeengekomen dat [gedaagde] geen toekomstige leasetermijnen is verschuldigd. Het verweer van [gedaagde] faalt dus. De gevorderde schadevergoeding ter hoogte van € 18.416,65 is op grond van artikel 43 van Pro de huurkoopovereenkomst toewijsbaar.
Inname- en takelkosten
4.5.
[eiser] stelt dat zij kosten heeft moeten maken voor het begeleiden van de inname van de auto, het afslepen van de auto door een erkend bergingsbedrijf en voor de opslag van de auto. Volgens [eiser] bedragen die kosten in totaal € 955,90. [gedaagde] is deze kosten op grond van artikel 43 van Pro de algemene voorwaarden verschuldigd, aldus [eiser] .
4.6.
[gedaagde] erkent dat partijen zijn overeengekomen dat hij € 200,00 is verschuldigd voor het aftakelen van de auto. Dit onderdeel van de vordering is dan ook toewijsbaar.
De overige gevorderde inname- en takelkosten ter hoogte van € 755,90 zullen worden afgewezen. Uit artikel 43 van Pro de algemene voorwaarden, waar [eiser] dit onderdeel van de vordering expliciet op baseert, kan namelijk niet worden afgeleid dat zij recht heeft op een vergoeding. De grondslag voor toewijzing van dit onderdeel van de vordering ontbreekt dus.
Tussenconclusie
4.7.
Het voorgaande leidt tot de tussenconclusie dat de hoofdsom toewijsbaar is tot een bedrag van € 21.999,30 (€ 3.382,65 + € 18.416,65 + € 200,00). Op dit bedrag strekt de verkoopopbrengst van de auto in mindering. [eiser] stelt dat die opbrengst € 11.200,00 bedraagt. [gedaagde] betwist de hoogte van deze verkoopopbrengst op zichzelf niet maar stelt zich op het standpunt, althans zo wordt zijn verweer begrepen, dat dit bedrag hoger had moeten zijn. [gedaagde] voert daartoe allereerst aan dat partijen zijn overeengekomen dat [eiser] de auto alleen mocht verkopen als [gedaagde] akkoord zou gaan met de verkoopwaarde van de auto maar dat [eiser] de auto vervolgens zonder instemming van [gedaagde] heeft verkocht. Gelet op de betwisting van deze stelling door [eiser] , lag het op de weg van [gedaagde] om het bestaan van de door hem gestelde afspraak te onderbouwen. [gedaagde] heeft dat niet gedaan. Niet gebleken is dan ook dat [eiser] eerst toestemming aan [gedaagde] had moeten vragen om de auto te verkopen voor het bedrag van € 11.200,00.
4.8.
[gedaagde] heeft voorts nog aangevoerd dat hij de hoogte van de verkoopopbrengst niet redelijk vindt. Volgens [gedaagde] was de auto meer waard dan dit bedrag. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, wordt [gedaagde] hierin niet gevolgd. Uit het door [eiser] overgelegde taxatierapport van 11 juni 2024 van BCA Autoveiling B.V. Expertise blijkt namelijk dat waarde van de auto is getaxeerd op een bedrag van € 10.500,00. [gedaagde] heeft, hoewel dat op zijn weg had gelegen, niet gemotiveerd aangevoerd waarom in het licht van dit taxatierapport een opbrengst van € 11.200,00 voor de auto niet redelijk zou zijn. Uitgangspunt is dan ook dat een verkoopwaarde van € 11.200,00 redelijk is en dat dit bedrag op de hoofdsom in mindering strekt.
Toewijsbare hoofdsom
4.9.
Met inachtneming van het voorgaande zal de gevorderde hoofdsom worden toegewezen tot een bedrag van € 10.799,30 (€ 21.999,30 -/- € 11.200,00).
Contractuele rente
4.10.
Omdat [gedaagde] diverse in rekening gebrachte leasetermijnen niet heeft betaald, is hij op grond van artikel 15 van Pro de algemene voorwaarden een contractuele rente van 1,5% per maand verschuldigd over de hoofdsom. De gevorderde verschenen contractuele rente van € 239,95, berekend tot en met 8 oktober 2025, zal daarom worden toegewezen. De nog lopende contractuele rente zal ook worden toegewezen, met dien verstande dat de gevorderde rente over de al berekende rente niet toewijsbaar is omdat voor toewijzing daarvan geen grondslag is gesteld of gebleken.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.11.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Dit doet zij primair op grond van haar algemene voorwaarden en subsidiair op grond van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Partijen zijn een vergoeding overeengekomen die van de wettelijke regeling afwijkt. Omdat [gedaagde] heeft gehandeld in de uitoefening van een bedrijf, mag van de wettelijke regeling worden afgeweken. De hoogte van de vordering moet wel worden getoetst aan het Besluit omdat deze vergoedingen redelijk worden geacht
.De vordering van € 1.155,52 als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief van € 882,99 bij € 10.799,30 aan hoofdsom en [eiser] heeft niet gesteld dat die hogere kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. Daarom wordt een bedrag van € 882,99 aan buitengerechtelijke kosten exclusief btw toegewezen. Hierover is de gevorderde wettelijke rente toewijsbaar.
Proceskosten
4.12.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden vastgesteld en begroot op:
- kosten van de dagvaarding
120,78
- griffierecht
543,00
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.671,78

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verklaart voor recht dat de huurkoopovereenkomst met betrekking tot Mercedes-Benz type C 350 E met kenteken [kentekennummer] is ontbonden,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 10.799,30 aan hoofdsom, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 1,5% per maand over dit bedrag met ingang van 14 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 239,95 aan verschenen contractuele rente,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 882,99 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 14 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.671,78, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Engelbert-Clarenbeek en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.
lt