ECLI:NL:RBGEL:2026:1652

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
05/254790-24
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 310 SrOpiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs medeplegen en aanwezigheid drugs bij productie MDMA

De rechtbank Gelderland behandelde de zaak tegen een 62-jarige man die werd verdacht van medeplegen en medeplichtigheid aan de productie van MDMA en het aanwezig hebben van drugs in een woning in Doetinchem. De officier van justitie vorderde een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf, terwijl de verdediging vrijspraak bepleitte.

Tijdens het onderzoek werd een doorzoeking verricht in de woning van de vriendin van verdachte, waar op zolder een tabletteermachine en materialen voor de productie van MDMA werden aangetroffen. Verdachte verbleef regelmatig in deze woning en had geprobeerd de machine te repareren. Uit het dossier bleek echter onvoldoende bewijs dat verdachte wist waar de machine voor diende of dat hij opzettelijk betrokken was bij de productie van drugs.

De rechtbank nam ook tapgesprekken in overweging, maar ondanks het belang daarvan voor de bewijsvoering, achtte zij het bewijs onvoldoende om opzet of kennis van verdachte aan te tonen. De aanwezigheid van pillen nabij de machine tijdens de doorzoeking kon niet worden gekoppeld aan het moment dat verdachte op zolder was. De rechtbank concludeerde dat medeplegen of medeplichtigheid niet bewezen kon worden en dat er onvoldoende bewijs was dat verdachte wist van de drugs in de woning of dat deze in zijn machtssfeer waren.

Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van medeplegen en kennis van drugsproductie.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05.254790.24
Datum uitspraak : 3 maart 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1964 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres 1] ,
Raadsvrouw: mr. D. Kisteman, advocaat in Amsterdam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting
van 17 februari 2026.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 januari 2023 tot en met 2 februari 2023 in de gemeente Doetinchem en/of elders in Nederland
(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen,
(telkens) opzettelijk heeft/hebben verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd en/of aanwezig heeft/hebben gehad
(een) (aanzienlijke) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende MDMA en/of metamfetamine en/of amfetamine zijnde MDMA en/of metamfetamine en/of amfetamine (telkens) een middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I , althans (een) (aanzienlijke) hoeveelhe(i)d(en) van (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte 1] op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 januari 2023 tot en met 2 februari 2023 in de gemeente Doetinchem en/of elders in Nederland
(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen,
(telkens) opzettelijk heeft/hebben verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd
en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd en/of aanwezig heeft/hebben gehad
(een) (aanzienlijke) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende MDMA en/of metamfetamine en/of amfetamine, zijnde MDMA en/of metamfetamine en/of amfetamine (telkens) een middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I , althans (een) (aanzienlijke) hoeveelhe(i)d(en) van (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I
tot en/of bij het plegen van dit misdrijf hij, verdachte in of omstreeks voornoemde periode in de gemeente Doetinchem en/of elders in Nederland
opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest
door toen daar (telkens) opzettelijk een of meer grondstoffen en/of hulpstoffen en/of een of meer andere goederen (benodigd voor de productie en verwerking van die MDMA en/of metamfetamine en/of amfetamine) te kopen en/of te vervoeren en/of een zogenaamde tabletteer machine te repareren en/of in werking te stellen en/of te houden voor die [medeverdachte 1] ;

2.De standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden en heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 60 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden, met een proeftijd van 2 jaren.
De verdediging heeft voor vrijspraak gepleit.

3.Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Op 3 februari 2023 vond een doorzoeking plaats aan de [adres 2] in [plaats] . De bewoonster van dat adres, [naam] , betreft de vriendin van verdachte. Verdachte verbleef zodoende regelmatig in die woning. Boven op de overloop trof de politie een dichte deur zonder deurklink aan. Verbalisanten vroegen waar de klink was en verdachte leidde de verbalisanten naar de badkamer, waar de klink werd gevonden.
Op de zolder werd een ruimte gevonden met daarin een tabletteermachine. Daarnaast werden er kleurstoffen, tabletten en hulpmiddelen aangetroffen. Inbeslaggenomen materiaal uit de woning is getest en bleek MDMA te bevatten. De rechtbank heeft gezien dat [medeverdachte 1] (de zoon van [naam] ) op 4 juli 2024 door deze rechtbank veroordeeld is voor – onder andere – het vervaardigen van MDMA.
Verdachte ontkent iedere vorm van betrokkenheid bij het tenlastegelegde.
In het dossier bevinden zich meerdere tapgesprekken. De verdediging heeft aangevoerd dat de tapgesprekken die zijn opgenomen tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (medeverdachte, tevens vriendin van [medeverdachte 1] ) en tussen [medeverdachte 1] en [naam] niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden. De verdediging heeft [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] namelijk niet kunnen ondervragen nu zij zich op hun verschoningsrecht beriepen. Nu het belang van deze tapgesprekken voor de bewijsvoering groot is, is gebruik van die gesprekken in strijd met het recht op een eerlijk proces.
De rechtbank zal dit verweer onbesproken laten, nu zij zelfs alle bewijsmiddelen, inclusief bedoelde tapgesprekken, tezamen beziend, van oordeel is dat verdachte dient te worden vrijgesproken.
Het staat vast dat verdachte aanwezig is geweest in de woning waar de MDMA werd bewerkt, dat hij op zolder is geweest en dat hij daar eenmaal heeft geprobeerd de machine die daar stond te repareren. Het staat vast dat de machine op zolder een tabletteermachine betrof en dat daarmee XTC-pillen werden vervaardigd. Verdachte verklaart dat hij niet wist waar de machine voor diende. Uit het dossier zijn geen omstandigheden gebleken op grond waarvan kan worden vastgesteld dat verdachte wist waar de machine voor gebruikt werd, of dat hij dat had moeten weten. De officier van justitie heeft verwezen naar het feit dat op het moment van de doorzoeking pillen op de grond in de nabijheid van de machine lagen maar uit het dossier blijkt niet of dat op het moment dat verdachte op zolder was ook het geval was. Uit de verklaring van [naam] volgt dat [medeverdachte 1] op zolder zou werken aan epoxy-meubelen en daar (ook) kleurstoffen en machines voor gebruikte.
In de tapgesprekken wordt ook besproken dat verdachte ‘aan het werk was’. Echter, wat dat werken inhield of waar dat werken uit bestond is niet duidelijk geworden.
De rechtbank kan wel vaststellen dat verdachte [medeverdachte 1] soms geholpen heeft met dingen, zoals het repareren van de machine en het doen van boodschappen, maar de rechtbank kan niet vaststellen dat, voor zover die klusjes al verband hielden met drugsproductie gericht waren, het opzet van verdachte ook op de medewerking aan die productie gericht was. Medeplegen van of medeplichtigheid aan het produceren van drugs kan dan ook niet worden bewezen.
Tevens is er onvoldoende bewijs dat verdachte weet had van de aanwezigheid van de drugs in de woning van [naam] of dat die drugs zich in zijn machtssfeer bevonden. Ook dit onderdeel van de tenlastelegging kan dan ook niet worden bewezen.
Concluderend zal de rechtbank verdachte vrijspreken van al het tenlastegelegde.

4.De beslissing

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. W.S. Lucassen (voorzitter), mr. C.H. van Breevoort-de Bruin en mr. G.L.C. van den Bosch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.A. Dams, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 februari 2026.
Mr. G.L.C. van den Bosch is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.