ECLI:NL:RBGEL:2026:1654

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
ARN 24_5449
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 273f SrArt. 47 SrArt. 197a SrArt. 197b SrArt. 197c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag Verklaring Omtrent het Gedrag voor taxiondernemersvergunning

Eiser heeft op 19 december 2023 een aanvraag ingediend voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) met het doel een ondernemersvergunning in de taxibranche te verkrijgen. De staatssecretaris heeft deze aanvraag afgewezen op basis van eerdere justitiële contacten en een onherroepelijke veroordeling in België wegens ernstige strafbare feiten, waaronder mensenhandel.

De rechtbank heeft het beroep van eiser op 18 februari 2026 behandeld en beoordeelt of de staatssecretaris terecht heeft geoordeeld dat het belang van de samenleving bij het beperken van risico’s zwaarder weegt dan het belang van eiser bij het verkrijgen van de VOG. De rechtbank stelt vast dat aan het objectieve criterium voor weigering is voldaan en dat de staatssecretaris het subjectieve criterium zorgvuldig heeft toegepast.

Eiser voerde aan dat de beslissing onvoldoende gemotiveerd was, dat er sprake is van continue screening in de taxibranche en dat persoonlijke omstandigheden en verbetering van zijn situatie meegewogen moesten worden. De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris deze belangen voldoende heeft meegewogen en dat het belang van de samenleving prevaleert gezien de ernst van de feiten en het recente justitiële contact.

De rechtbank wijst erop dat eiser in de toekomst opnieuw een aanvraag kan doen indien hij langdurig aantoont geen justitiële contacten meer te hebben. Het beroep wordt ongegrond verklaard, en eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de VOG-aanvraag wordt ongegrond verklaard en de afwijzing blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/5449

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. P.A.J. van Putten),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

(gemachtigde: mr. M.J.W. van den Kieboom).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag om afgifte van een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van de beperking van de risico’s voor de samenleving zwaarder weegt dan het belang van eiser bij de afgifte van de gevraagde VOG. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 19 december 2023 een aanvraag ingediend voor een VOG voor het verkrijgen van een ondernemersvergunning in de Taxibranche. De staatssecretaris heeft deze aanvraag beoordeeld en eiser met de brief van 17 januari 2024 op de hoogte gesteld van het voornemen om hem geen VOG te geven. Eiser heeft op het voornemen gereageerd. De staatssecretaris heeft met het besluit van 8 februari 2024 de aanvraag afgewezen. Met de beslissing op bezwaar van 1 juli 2024 is de staatssecretaris bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris. De gemachtigde van eiser is waargenomen door mr. L.F.M. Meles.

Beoordeling door de rechtbank

Hoe is de staatssecretaris tot zijn besluit gekomen?
3. Eiser heeft een VOG aangevraagd met als doel het verkrijgen van de ondernemersvergunning bij KIWA Register B.V. Daarbij is het screeningsprofiel ’70 Taxibranche; ondernemersvergunning’ aangegeven.
3.1.
De staatssecretaris heeft beoordeeld of er een risico is voor de samenleving, als eiser in aanraking is geweest met justitie en het strafbare feit herhaalt. Hij kijkt daarbij naar het tijdsverloop, hoe vaak eiser te maken had met justitie en waarvoor, hoe hoog de straf was en waarom eiser een VOG wil. De staatssecretaris hanteert daarbij een terugkijktermijn van 5 jaar. Omdat eiser in de gevangenis zat of onder toezicht van justitie stond in de periode van 4 mei 2018 tot en met 19 juli 2018 en van 29 november 2022 tot en met 31 mei 2023, is de terugkijktermijn verlengd met 8 maanden en 13 dagen. De staatssecretaris is bij zijn besluit uitgegaan van de volgende strafbare feiten.
- Van 16 maart 2021 tot en met 28 april 2022 is eiser volgens registratie in het JDS met politie/justitie in aanraking gekomen wegens:
o feit 1: het medeplegen van mensenhandel (artikel 273f, eerste lid, ahf/sub 1⁰, 4⁰, 6⁰ en derde lid, ahf/sub 1⁰ juncto artikel 47, eerste lid ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht);
o feit 2: het toegang verschaffen aan ongewenste vreemdelingen (artikel 197 a, eerste en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht);
o feit 3: het toegang verschaffen aan ongewenste vreemdelingen (artikel 197 a, tweede en vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht);
o feit 4: een ongewenste vreemdeling arbeid laten verrichten (artikel 197b en c, van het Wetboek van Strafrecht). Deze zaak staat nog open.
- Op 22 juni 2022 is eiser in België veroordeeld wegens "sécurité sociale des travailleurs salariés : declaration immédiate de l'emploi", "infraction en matiére d’occupation de travailleurs de nationalité étrangére", " sécurité sociale des travailleurs salariés : cotisations patronales : infraction en matiére de déclaration", "infraction en matiére de rémunération des travailleurs : cession de rémunération" en mensenhandel tot een gevangenisstraf van 2 jaren, € 12.000 boete subsidiair 3 maanden gevangenisstraf, 5 jaren verbod om een bepaald recht of een bepaalde functie uit te oefenen en confiscatie. Deze uitspraak is inmiddels onherroepelijk geworden.
3.2.
De staatssecretaris is van mening dat er een risico voor de samenleving bestaat als aan eiser een VOG wordt afgegeven. Als taxiondernemer stuurt eiser mensen aan, beslist hij over offertes, onderhandelt hij en beslist hij over contracten. Verder verkoopt, koopt en beheert hij spullen en diensten. Hiervoor heeft eiser contact met verschillenden personen, bijvoorbeeld klanten, werknemers, of bedrijven en organisaties waarmee eiser onderhandelt of een contract heeft. Eiser is vaker in aanraking gekomen met justitie wegens mensenhandel. Volgens de staatssecretaris bestaat het risico dat eiser als taxiondernemer zijn bevoegdheden gebruikt om illegale arbeidskrachten in te huren, te gebruiken of misbruiken. Daarnaast is er volgens de staatssecretaris het risico dat de onderneming wordt gebruikt om mensen illegaal te smokkelen.
Wat is het toetsingskader?
4. Wanneer de aanvrager van een VOG in de justitiële documentatie voorkomt, wordt de aanvraag beoordeeld aan de hand van een objectief en een subjectief criterium. Met het objectieve criterium wordt beoordeeld of de aangetroffen justitiële gegevens binnen de geldende terugkijktermijn, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie, taak, dan wel bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd. In beginsel wordt de afgifte van de VOG geweigerd als voldaan wordt aan het objectieve criterium. [1] Bij het subjectieve criterium wordt beoordeeld of het belang van de aanvrager zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het eerder genoemde risico voor de samenleving. Als dat zo is, wordt de VOG afgegeven, ook al wordt voldaan aan het objectieve criterium. Bij de toepassing van het subjectieve criterium worden als relevante omstandigheden betrokken de wijze waarop de strafzaak is afgedaan, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten. Bij de beoordeling van een aanvraag om afgifte van een VOG worden door de staatssecretaris de criteria gehanteerd die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2024 (de beleidsregels), zoals deze golden ten tijde van het bestreden besluit.
Het objectieve criterium
5. Tussen partijen is niet in geschil dat op zichzelf aan het objectieve criterium wordt voldaan. Wel heeft eiser op de zitting de kanttekening geplaatst dat hij het niet met alle verdenkingen eens is en dat hij zich ook niet kan vinden in de veroordeling in hoger beroep in België.
5.1.
Dit betekent dat de staatssecretaris in beginsel de VOG mocht weigeren. Dit is alleen anders als het belang van eiser zwaarder weegt dan het belang van de samenleving. Op de vraag of dit zo is gaat de rechtbank hieronder in.
Het subjectieve criterium
6. Eiser betoogt dat de belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen. Daarbij stelt hij dat de beslissing op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd omdat niet duidelijk is waarom kennis is genomen van
allejustitiële gegevens van eiser. Ook is niet meegewogen dat er in de taxibranche sprake is van ‘continue screening’. Daarnaast betoogt eiser dat er is gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel omdat de opgelegde straf in België is meegewogen, terwijl de staatssecretaris zelf aangeeft dat de hoogte van de straf geen schatting kan bieden over de ernst van de feiten naar Nederlandse maatstaven. Tot slot voert eiser persoonlijke omstandigheden aan: eiser heeft een moeilijke periode achter de rug waarin hij verschillende problemen had, hij wil nu zijn leven beteren en zijn schulden aflossen. Eiser stelt dat hij een vaste partner en drie (stief)kinderen heeft voor wie zijn werkzaamheden als taxichauffeur de enige inkomstenbron is. Het afwijzen van de VOG lijkt nu op een sanctie, terwijl juist het afgeven van de VOG ertoe zal leiden dat eiser in staat wordt gesteld zijn leven anders in te richten en het risico op herhaling van strafbare feiten te verminderen. Hij heeft dan namelijk een manier om in het levensonderhoud te voorzien, kan zijn gezin onderhouden en heeft fulltime werk wat hij met plezier doet.
6.1.
De beroepsgrond van eiser slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris de belangen van eiser in voldoende mate heeft meegewogen in zijn beoordeling. De staatssecretaris heeft voldoende gemotiveerd waarom hij deze belangen minder zwaar laat wegen dan het belang van de beperking van de risico’s voor de samenleving. De staatssecretaris heeft daarbij uitgelegd waarom er kennis is genomen van alle justitiële gegevens, ook als die buiten de terugkijktermijn zijn gelegen. Dit gebeurt op basis van paragraaf 3.1.1. van de beleidsregels. Daarin is opgenomen dat, áls er binnen de terugkijktermijn voor de aanvraag relevante justitiële gegevens worden gevonden, bij het beoordelen van de aanvraag ook naar andere relevante justitiële gegevens wordt gekeken die ouder zijn dan die terugkijktermijn. Daarmee ontstaat een beter beeld over het verleden van een aanvrager. Ook het feit dat binnen de taxibranche in de regel een continue screening plaatsvindt, heeft de staatssecretaris bij de beoordeling betrokken. De staatssecretaris stelt daarbij terecht dat de screening in de taxibranche, voor zover die al even consequent plaatsvindt, een ander doel heeft dan de afgifte van een VOG. Bij de afgifte van de VOG wordt beoordeeld of op voorhand beletselen bestaan om een persoon in een bepaald werkgebied werkzaam te laten zijn of een bepaalde functie te laten bekleden. De staatssecretaris hoefde in de continue screening dan ook geen aanleiding te zien om toch een VOG af te geven. Verder geldt dat de staatssecretaris niet onzorgvuldig heeft gehandeld door de opgelegde straf in België bij zijn beoordeling mee te wegen. Het betreft namelijk, ook naar Nederlandse maatstaven, een veroordeling voor een ernstig delict.
6.2.
De staatssecretaris heeft tot slot meegewogen dat eiser stelt zijn leven te hebben gebeterd. De staatssecretaris stelt echter terecht dat eiser nog een weg heeft te gaan en ook na zijn aanvraag nog in aanraking is gekomen met justitie. Uit de justitiële documentatie van eiser volgt namelijk dat hij ook na zijn aanvraag nog is veroordeeld dan wel wordt verdacht van het plegen van meerdere strafbare feiten. Ondanks zijn intenties, zal eiser voor een langere periode moeten laten zien dat hij daadwerkelijk een bestaan kan opbouwen zonder hernieuwde contacten met justitie. De rechtbank begrijpt dat hij het beste wil voor zijn gezin. De staatssecretaris stelt zich echter in redelijkheid op het standpunt dat dit belang, in het licht van de eerdere veroordelingen en het belang van de samenleving, niet zwaarwegend genoeg is. Eiser kan bovendien ook werken aan een stabiel en schuldenvrij bestaan door ander werk te doen, waarvoor geen VOG is benodigd. Daarbij doet hij er verstandig aan elk justitieel contact in de toekomst te vermijden.
6.3.
De rechtbank wijst erop dat het voorgaande niet betekent dat eiser nooit een VOG zal kunnen krijgen. Als eiser gedurende een langere periode laat zien dat hij niet meer met justitie in aanraking komt, kan hij een nieuwe aanvraag doen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van
mr. C.M.J.C. Rooding, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie paragraaf 3.1.3. Het objectieve criterium van de beleidsregels.