ECLI:NL:RBGEL:2026:1657

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
05/265546-25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 302 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor opzettelijke zware mishandeling door aanrijding fietser met auto

Op 16 februari 2025 reed de verdachte op de Koerbergseweg te Heerde met haar auto toen zij een fietser opzettelijk aanreed, wat leidde tot zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer, waaronder botbreuken en een interne bloeding.

De rechtbank baseerde haar oordeel op verklaringen van getuigen, waaronder de zoon van het slachtoffer die de aanrijding zag gebeuren, en forensisch onderzoek dat de schade aan de auto en fiets bevestigde. Verdachte gaf aanvankelijk toe de fietser opzettelijk te hebben aangereden, maar ontkende dit later.

De rechtbank achtte de eerste verklaring van verdachte en het bewijs overtuigend en veroordeelde haar voor zware mishandeling. Zij legde een gevangenisstraf van 12 maanden op, waarvan 4 voorwaardelijk, en een rijontzegging van 24 maanden. Tevens werd een schadevergoeding van €5.000,- aan het slachtoffer toegewezen met wettelijke rente en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, en 24 maanden rijontzegging wegens opzettelijke zware mishandeling door aanrijding van een fietser.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05.265546.25
Datum uitspraak : 3 maart 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1974 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] ,
Raadsvrouw: mr. P.C. Borkhuis, advocaat in Deventer.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op of omstreeks 16 februari 2025 te Heerde
aan een ander, te weten [slachtoffer]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel te weten
- een of meerdere botbreuken en/of
- een interne (buik)bloeding
heeft toegebracht, door
als bestuurder van een auto naar rechts te sturen terwijl die [slachtoffer] daar fietste
waardoor zij, verdachte, tegen die [slachtoffer] is gebotst ten gevolge waarvan die [slachtoffer] ten val is gekomen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 16 februari 2025 te Heerde als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto Dacia Duster [kenteken] ), daarmede rijdende over de weg, Koerbergseweg zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
- een of meerdere voor haar rijdende fietsers (gevaarlijk) heeft ingehaald
- tijdens het inhalen van een of meerdere fietsers (te) dicht achter en/of naast een van die fietsers heeft gereden en/of onvoldoende ruimte heeft overgelaten tussen haar en de fietser (te weten [slachtoffer] ) en/of
- met haar motorrijtuig de fiets van die [slachtoffer] tijdens het inhalen is gebotst, waardoor die fietser ten val is gekomen
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor, een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meerdere botbreuken en/of een interne (buik)bloeding, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit refereert zij zich, met dien verstande dat verdachte ten aanzien van het onderdeel ‘roekeloos, zeer, althans aanmerkelijk’ dient te worden vrijgesproken.
Beoordeling door de rechtbank
De aanrijding
Aangever verklaart dat hij op 16 februari 2025 met zijn zoon aan het mountainbiken was over de Koerbergseweg in Heerde. Zij reden achter elkaar. Hij zag uit tegenovergestelde richting een auto naderen die achter twee fietssters reed. Hij zag hoe het voertuig plots naar links ging en de fietssters wilde inhalen, op het moment dat hij zelf nog maar twee meter van de fietssters was verwijderd. De auto kwam bij de inhaalactie tot aan de rand van het asfalt met de berm. Aangever werd de berm in gedrukt en raakte uit balans. Hij raakte daarbij met zijn linker elleboog de linkerbuitenspiegel van het voertuig.
Toen hij omkeek zag hij dat het voertuig was gestopt. De bestuurster was uitgestapt en keek naar haar voertuig en de linker spiegel. Hij hoorde hoe het voertuig toen met spinnende wielen wegreed. Toen aangever weer keek zag hij het voertuig stilstaan in een parkeerhaven. De bestuurster maakte een gepikeerde indruk op hem. Aangever en zijn zoon fietsten door en bleven daarbij achter elkaar rijden, met een volgafstand van drie meter.
Zijn zoon riep toen plots: "die komt terug". Aangever hoorde het voertuig aan komen razen. Hij hoorde hoge toeren. Hij voelde hoe het voertuig hem plots van achteren aanreed. Hij zag dat de rechter spiegel van de auto daarbij afbrak. Het voertuig minderde geen vaart en reed weg. Aangever werd gelanceerd. [2]
Van de gebeurtenissen zijn drie getuigen. Dat zijn de zoon van aangever en de twee fietssters. Van deze drie getuigen heeft alleen de zoon van aangever de daadwerkelijke aanrijding zien gebeuren.
De zoon van aangever, getuige [getuige 1] , was met zijn vader aan het mountainbiken. Hij zag uit tegenovergestelde richting een auto aankomen en twee fietssters. De auto wilde ertussendoor en minderde geen vaart. Getuige dacht: dat gaat net goed. Hij zag de achterband van zijn vader in de berm komen en zijn vader moest corrigeren. Getuige hoorde dat de auto geraakt werd. Getuige keek achterom en zag dat de bestuurster van de auto stopte en uitstapte. Toen zag hij haar weer instappen en keren. Hij zei tegen zijn vader dat de auto terugkwam. Hij reed op dat moment achter zijn vader. Hij zag dat het voertuig snelheid maakte en geen vaart minderde. Hij gokt dat het voertuig 50 a 60 km/uur reed. Hij zag dat het voertuig met een bocht om hem heen ging en opzettelijk instuurde op zijn vader. Hij zag dat zijn vader geramd werd. [3]
Getuige [getuige 2] fietste met haar vriendin, achter elkaar. Aan de overkant zag ze twee mountainbikers fietsen. Een auto passeerde getuige en haar vriendin. Ze dacht: dit gaat nog maar net goed, omdat het zo krap was op de weg. Ze hoorde een harde klap. Ze zag dat de auto hard in de remmen ging. Ze hoorde het geluid van een schakelende koppeling en vervolgens een hoog toerental en zag dat de auto met een flinke snelheid achteruit ging. Getuige schoot snel het fietspad op. De auto passeerde een inham en stopte daar. De bestuurster stapte boos de auto uit, gooide de deur dicht en ze begon gelijk te vloeken. Ze kwam agressief op getuige over. Ze maakte armgebaren. [4]
Getuige [getuige 3] verklaart overeenstemmend met haar vriendin, getuige [getuige 2] , en voegt hieraan nog toe dat de vrouw ontzettend boos keek en een verwarde indruk maakte. Getuige voelde zich niet veilig bij de situatie. Getuige riep toen nog: “wij hebben niets gedaan” en zij zijn daarna doorgefietst. [5]
Na de aanrijding
Getuige [getuige 4] , de zoon van verdachte, verklaart dat hij op 16 februari 2025 bij zijn opa thuis was. Hij zag dat zijn moeder aan kwam rijden. Hij zag dat zijn moeder overstuur was en hard moest huilen. Hij hoorde haar schreeuwen dat zij een fietser had aangereden en dat zij niet wist wat zij nu moest doen. Zijn moeder vertelde hem dat een fietser van rechts aan kwam en tegen haar spiegel had gezeten. Verder kon hij geen wijs worden uit haar verhaal omdat zij zo overstuur was. Getuige is vervolgens naar de Koerbergseweg gereden. Zijn moeder zei hem dat het daar gebeurd was. [6]
De ter plaatse op de Koerbergseweg aanwezige verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] zagen getuige [getuige 4] aan komen rijden en ze hoorden dat hij zei dat zijn moeder het ongeval had veroorzaakt. [getuige 4] verwees hen naar het huis van zijn opa en zij gingen erheen. Daar troffen zij verdachte. Ze vroegen aan verdachte waarom zij niet gestopt was. Zij hoorden verdachte zeggen: “Ja wat de fietsers deden was niet normaal. Zij trapten tegen mijn auto aan.” Vervolgens verduidelijkte zij: “Ik kwam vanuit het bospad en ik wilde twee mountainbikers inhalen. Ik reed op een gegeven moment naast ze, en ze wilden met een bocht om mijn auto heen. Ik zag dat ze tegen mijn auto aan trapten. Ik was zo boos. Op een gegeven moment heb ik de auto omgedraaid en ik heb ze toen van de sokken af gereden.” Verbalisant [verbalisant] vroeg verdachte wat zij precies bedoelde met ‘van de sokken afrijden’, waarop verdachte antwoordde: “Ja ik heb ze aangereden.” [verbalisant] vroeg toen aan verdachte of zij de mountainbikers met opzet had aangereden. Verdachte antwoordde: “Ja, ik was zo boos en ze hebben zomaar op mijn auto getrapt. Dat vond ik niet normaal ja.”
Verbalisanten zagen dat de rechterspiegel van de auto ontbrak. Verdachte reageerde dat de fietsers die eraf hadden getrapt. Verdachte is toen op heterdaad aangehouden. [7]
Onderzoek
FO Verkeer heeft een onderzoek ingesteld naar de aanrijding. Op basis van sporen en schades op de voertuigen hebben zij vast gesteld dat het rechter voorwiel van de auto, terwijl het wiel draaide, in contact was geweest met de fiets, die linksachter ter hoogte van de achteras, was geraakt. De rechtervoorbumper, aan de onderzijde, was in contact was geweest met de linkeronderzijde, van de staande achtervork van de fiets. Het fietszadel van de fiets had met zijn linkerzijde contact had gemaakt met de bovenzijde van het rechtervoorscherm van de door verdachte bereden Dacia Duster. [8]
Letsel
Aangever heeft een bekkenbreuk en een breuk aan zijn heiligbeen opgelopen, alsmede een interne bloeding in zijn buik. Daarnaast had hij bloeduitstortingen, schaafwonden, blauwe plekken, een blauw oog en gekneusde ribben. [9]
Tijdens de terechtzitting heeft aangever gesproken over welke impact het ongeval een jaar later nog op hem heeft. Nog steeds ervaart hij elke dag, zowel mentaal als fysiek, last. Hij heeft elke week behandeling voor PTSS, fysiotherapie, fysiosport en bezoekt nog steeds het ziekenhuis. Fysiek heeft hij nog alle dagen rugpijn en zijn rechterbeen loopt niet goed mee. Daarnaast beschrijft aangever hoe zijn hoofd sinds de aanrijding een warboel is. Zijn korte geheugen is slecht, hij is moe en snel kwaad en heeft geen beleving of emotie meer. [10]
Uit de medische stukken die door de aangever zijn aangeleverd in het kader van de door hem verzochte schadevergoeding blijkt dat de medische eindsituatie nog niet bereikt is en dat het de vraag is in hoeverre er nog verbetering optreedt. [11]
Naar het oordeel van de rechtbank is het letsel van aangever te classificeren als zeer zwaar lichamelijk letsel. Aangever heeft ingrijpende breuken opgelopen en is nu, een jaar na de aanrijding, nog steeds bezig met zijn herstel, als dat er al ooit volledig zal komen.
Verklaring verdachte
In de politieverhoren na de aanrijding en ook tijdens de zitting heeft verdachte ontkend dat zij aangever opzettelijk heeft aangereden of dat zij dat verklaard zou hebben. Zij verklaart dat zij verhaal wilde gaan halen en daarom achter de mountainbikers aangereden is. Zij verklaart dat ze op dat moment in de derde versnelling reed, en dat dat betekent dat zij net boven de 50 kilometer per uur moet hebben gereden. Het was haar bedoeling om de fietsers in te halen, haar auto ervoor te zetten en het gesprek aan te gaan. De mountainbikers fietsten breed naast elkaar. Tijdens de inhaalactie is zij per ongeluk met het deel van haar auto boven de koplamp tegen het stuur van aangever aangekomen, waardoor hij kwam te vallen. Bij deze botsing brak de spiegel van de auto af.
Verdachte verklaart dat zij op dat moment boos was omdat zij dacht dat de fietser tegen haar auto had geslagen, en dat het wel kan dat zij gemopperd heeft. Verdachte verklaart dat haar gezondheidssituatie en het feit dat zij het afgelopen jaar veel heeft meegemaakt, kunnen hebben bijgedragen aan haar boosheid op dat moment. [12]
Overwegingen van de rechtbank
De rechtbank ziet zich ten eerste voor de vraag gesteld welke verklaring van verdachte geloofwaardig en betrouwbaar is. De rechtbank acht de eerste verklaring van verdachte, meteen afgelegd na de aanrijding, het meest betrouwbaar.
De verdediging stelt dat verdachte nooit gezegd heeft dat zij opzet had op de aanrijding en dat de verbalisanten een fout moeten hebben gemaakt bij het opmaken van het proces-verbaal. De rechtbank ziet daarvoor geen aanwijzingen. Het proces-verbaal is ambtsedig opgemaakt door twee verbalisanten die op dat moment nog niet met aangever of diens zoon hadden gesproken en dus nog weinig context hadden ten aanzien van de aanrijding. Zij hebben de bekennende verklaring van verdachte meermaals gecontroleerd door aan haar verduidelijking en bevestiging te vragen en hebben ook dat uitgebreid geverbaliseerd. De rechtbank heeft kort gezegd geen enkele reden om te twijfelen aan de inhoud van het proces-verbaal van aanhouding. De verklaring is bovendien zeer kort na de aanrijding afgelegd, wat bijdraagt aan de geloofwaardigheid. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat er geen enkele reden voor verdachte geweest is tijdens dat eerste politiecontact om opzet te bekennen als dat niet het geval was. Andersom heeft zij er uiteraard wel belang bij om het opzet te ontkennen en is het in die zin niet onbegrijpelijk dat haar latere verklaringen op dat punt anders luiden.
Dat verdachte aangever opzettelijk heeft aangereden past ook binnen de overige bewijsmiddelen. Ten eerste past die verklaring bij de verklaring van de zoon van aangever, getuige [getuige 1] . Hij verklaart dat hij verdachte bewust om hem heen zag rijden en zijn vader zag aanrijden. Zowel getuige [slachtoffer] , als aangever zelf verklaren dat zij achter elkaar reden. De verklaring van verdachte sluit hier niet bij aan. Zij stelt immers dat zij zo breed naast elkaar fietsten dat zij daardoor per ongeluk het stuur raakte bij de inhaalactie. Ten tweede: dat verdachte woedend en overstuur was blijkt uit alle afgelegde getuigenverklaringen. Ondanks dat zij geen schade aantrof aan de spiegel die geraakt was door de fietser, liepen haar emoties hoog op. Uit de verklaringen blijkt dat zij vloekte, boos keek, armbewegingen maakte, agressief overkwam en met spinnende wielen en een hoog toerental wegreed. Getuigen [getuige 2] en [getuige 3] waren zelfs zo geschrokken van het initiële incident en voelden zich zodanig onveilig bij het gedrag van verdachte, dat zij overwogen de politie te bellen, zelfs zonder dat zij getuigen waren van de (tweede) aanrijding met aangever. [13] Ten derde reed verdachte met 50 kilometer per uur op de aangever af, wat de rechtbank in de gegeven omstandigheden als een hoge snelheid bestempelt. [14] De Koerbergseweg is immers een (deels ongeasfalteerde) bosweg, die meerdere getuigen bestempelen als smal. Verdachte had kort voor de aanrijding zelf ondervonden dat inhaalacties op de weg gevaarlijk konden zijn. Deze snelheid past dan ook niet bij de verklaring van verdachte dat zij twee breed rijdende fietsers wilde inhalen en daarvoor zelfs half de berm in ging.
Ook de door FO Verkeer gemaakte schade-inpassing ziet de rechtbank als ondersteunend bewijs. Daaruit blijkt namelijk dat de fiets van aangever geraakt is ter hoogte van de achteras. Dit sluit beter aan bij een opzettelijke aanrijding. De rechtbank overweegt dat wanneer een auto per ongeluk een fietser aantikt, dat veelal bij het stuur zal gebeuren. Dat deel steekt immers uit. Verdachte heeft ook verklaard dat zij de fietser bij zijn stuur raakte.FO verkeer heeft echter geen schade aangetroffen aan het stuur van de fiets die te koppelen was aan het incident. [15] Nu blijkt dat de fietser ter hoogte van de achteras is geraakt, ontkracht dat de (latere) verklaring van verdachte.
Hoewel verdachte verklaart dat zij na de aanrijding is weggereden uit schrik, past het wegrijden ook goed bij een opzettelijke aanrijding.
Nu de rechtbank bewezen acht dat verdachte met opzet is ingereden op aangever, overweegt de rechtbank dat verdachte daarbij ook minstens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Verdachte reed in een auto en reed hard, naar eigen zeggen minstens 50 kilometer per uur. Aangever zat op de fiets en was daarmee een kwetsbare verkeersdeelnemer. Het is een feit van algemene bekendheid dat wanneer men een fietser (zeker met die snelheid) aanrijdt, dat kan leiden tot zwaar lichamelijk letsel. Verdachte heeft die kans aanvaard door op hem in te rijden. Zij heeft daarbij haar auto als ware deze een wapen ingezet.
Concluderend acht de rechtbank bewezen dat verdachte aangever zwaar heeft mishandeld door met haar auto opzettelijk op hem in te rijden.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
zij op
of omstreeks16 februari 2025 te Heerde
aan een ander, te weten [slachtoffer]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel te weten
-
een ofmeerdere botbreuken en
/of
- een interne (buik)bloeding
heeft toegebracht, door
als bestuurder van een auto naar rechts te sturen terwijl die [slachtoffer] daar fietste
waardoor zij, verdachte, tegen die [slachtoffer] is gebotst ten gevolge waarvan die [slachtoffer] ten val is gekomen;
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
Zware mishandeling

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast eist de officier van justitie een ontzegging van de rijbevoegdheid van 5 jaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Zij verzoekt de rechtbank om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen maar in plaats daarvan een taakstraf.
Ten aanzien van de geëiste ontzegging van de rijbevoegdheid pleit de verdediging ervoor om die slechts geclausuleerd op te leggen zodat zij wel naar haar werk mag rijden en naar medische afspraken in Utrecht of elders in het land.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling van een fietser. Verdachte heeft - nadat de fietser bij het passeren de linker buitenspiegel van verdachtes auto had geraakt – haar auto gekeerd, is achter die fietser aangereden en is met haar auto daadwerkelijk tegen diens fiets aangereden, ten gevolge waarvan de fietser op de grond is gevallen. Vervolgens is verdachte doorgereden.
Verdachtes gedrag - wat daarvan de reden ook geweest moge zijn - laat zich niet anders kwalificeren dan als impulsief, gevaarlijk en buiten alle proporties. Zij heeft haar auto gehanteerd als wapen tegen een kwetsbare verkeersdeelnemer. De gevolgen daarvan zijn zeer ernstig gebleken voor het slachtoffer. Nu, een jaar later, is hij nog steeds niet volledig hersteld en heeft hij nog elke dag met de gevolgen van het ongeval te maken. Niet duidelijk is of hij volledig zal gaan herstellen. Slachtoffer [slachtoffer] heeft de impact van het voorval treffend verwoord in zijn slachtofferverklaring op de zitting. De rechtbank rekent de verdachte haar gedrag zwaar aan.
Verdachte heeft tijdens de terechtzitting meermaals spijt betuigd en haar excuses aangeboden en probeert al sinds lange tijd om via de politie, reclassering en Perspectief herstelbemiddeling een bemiddelend gesprek met slachtoffer te organiseren. Hoewel slachtoffer dit tot nu toe heeft afgehouden, neemt de rechtbank dit initiatief wel in positieve zin mee.
De rechtbank heeft kennis genomen van een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 16 januari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.
De reclassering schrijft in haar rapport van 6 februari 2026 dat zij risico’s zien ten aanzien van het psychosociaal functioneren en de houding van verdachte. Er zijn vermoedens van een licht verstandelijke beperking, hetgeen passend is bij impulsief gedrag en een gebrekkige zelfbeheersing. Vanwege haar kwetsbare gezondheid ervaart verdachte de nodige draaglast. Op andere leefgebieden zien zij geen problemen. De reclassering acht toezicht of andere bijzondere voorwaarden niet nodig en schat het risico op herhaling in als laag. De reclassering ziet geen noemenswaardige negatieve consequenties voor het opleggen van een gevangenisstraf, anders dan de algemene nadelen. Verdachte is ook in staat een taakstraf of financiële sanctie te voldoen.
De rechtbank benoemt tevens de kwetsbare gezondheidssituatie van verdachte. Bij haar is lymfeklierkanker geconstateerd. Ze is geopereerd en behandeld en heeft een prothese in haar wang. Verdachte verklaarde ter terechtzitting dat de artsen niet hebben gezegd dat zij niet meer beter zal worden, maar dat zij op dit moment niets anders kunnen doen dan controleren of de kanker gaat groeien of niet. Ze moet voor die controles en voor verdere behandeling (een reconstructie van het gezicht) regelmatig naar het UMC Utrecht. Hiervoor heeft zij ook haar rijbewijs nodig.
Daar bovenop komt nog dat de afgelopen periode voor verdachte ook op andere vlakken emotioneel zeer zwaar is geweest. De rechtbank acht het zeer wel mogelijk dat dat – zoals verdachte zelf ook verklaart – heeft bijgedragen aan haar emotionele reactie en handelen op 16 februari 2025.
Hoewel de rechtbank acht slaat op de gezondheidssituatie van verdachte, is de rechtbank van oordeel dat de aard en ernst van het door haar gepleegde feit geen andere mogelijkheid laat dan aan haar een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Het opleggen van enkel een taakstraf en/of een voorwaardelijke gevangenisstraf zou geen recht doen aan het feit en het leed dat daarmee is veroorzaakt.
Noodzakelijke medische behandelingen zullen ook in detentie uitgevoerd kunnen worden. Desondanks ziet de rechtbank dat gelet op de persoon van de verdachte een gevangenisstraf bij haar harder aan zal komen dan bij een gemiddeld persoon. De rechtbank zal daarom kiezen voor een gevangenisstraf die iets lager is dan de geëiste straf.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, passend en geboden.
De rechtbank zal aan verdachte ook een ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten waarom die zou moeten worden geclausuleerd. Verdachte heeft verklaard dat zij binnen 20 minuten met het openbaar vervoer bij haar werk kan zijn. De keren dat zij naar Utrecht moet voor controles of behandelingen zal zij daarvoor alternatief vervoer moeten zoeken. De geëiste 5 jaar acht de rechtbank wel van te lange duur en zij legt al met al een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op voor de duur van 2 jaar.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met het feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 5.000,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. De afhandeling van de schade loopt reeds via de verzekering en er zijn al uitkeringen gedaan.
Overweging van de rechtbank
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
  • verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,
  • de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,
  • de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of
  • de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen meerdere van de hiervoor genoemde categorieën van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek valt.
Door het feit heeft de benadeelde immers lichamelijk letsel opgelopen en tevens is de benadeelde op andere wijze in de persoon aangetast. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij de volledige vordering tot smartengeld van € 5.000,- toewijzen. Hoewel de verzekering reeds een aantal uitkeringen heeft gedaan, staat dit niet in de weg van de benadeelde partij om smartengeld te vorderen in het strafproces, en staat dit ook de rechtbank niet in de weg om die vordering toe te wijzen. Het toegewezen bedrag zal verrekend kunnen worden met het uiteindelijke uit te keren bedrag door de verzekering.
Verdachte is vanaf 16 februari 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
  • 14a, 14b, 14c, 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht;
  • 179a Wegenverkeerswet 1994.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden;
 bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 4 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
 ontzegt verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 24 maanden;
  • veroordeelt verdachte in verband met het feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 5.000,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 februari 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 5.000,- aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 februari 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 50 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, (voorzitter), mr. J.S.W. Lucassen en mr. G.L.C. van den Bosch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.A. Dams, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 maart 2026.
Mr. G.L.C. van den Bosch is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025072561, gesloten op 18 augustus 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van aangifte, p. 31-33.
3.Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 55-56.
4.Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 63-64.
5.Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 68-69.
6.Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 60-61.
7.Proces-verbaal van aanhouding verdachte, p. 13-14.
8.Rapport FO Verkeer, p. 87.
9.Forensisch geneeskundige letselbeschrijving, p. 40-43; Proces-verbaal van aangifte, p. 33.
10.Slachtofferverklaring ter terechtzitting.
11.Medisch advies (p. 9 van de toelichting verzoekschrift); Medische informatie (p. 11 van de toelichting verzoekschrift); Tussentijdse evaluatie behandeling (p. 16 van de toelichting verzoekschrift).
12.Verklaring van verdachte tijdens de terechtzitting.
13.Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 64.
14.Verklaring van verdachte ter terechtzitting.
15.Rapport FO Verkeer, p. 87.