ECLI:NL:RBGEL:2026:1664

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
11983786
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:670 BWArt. 7:671b lid 2 BWArt. 7:623 lid 1 BWArt. 5.10 A sub 3 CAO Sociaal Werk
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontbindingsverzoek werkgever wegens onvoldoende verwijtbaar handelen werknemer

De werknemer is sinds 26 juli 2021 in dienst bij het COA, eerst tijdelijk en vanaf 1 december 2022 voor onbepaalde tijd, als medewerker amv-opvang. Het COA verzocht ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van verwijtbaar handelen, een verstoorde arbeidsverhouding en cumulatiegrond, onder meer wegens schending van de Gedragscode, onjuiste urenregistratie en het ontbreken van een vereiste SKJ-registratie.

De kantonrechter oordeelt dat de werknemer niet heeft gehandeld met de vereiste verwijtbaarheid. De vermeende misleiding bij de sollicitatie is niet bewezen, en het COA heeft zelf onvoldoende toezicht gehouden op het behalen van de SKJ-registratie. Ook de latere gedragingen zijn onvoldoende zwaarwegend om ontbinding te rechtvaardigen. Het ontbindingsverzoek wordt daarom afgewezen.

Daarnaast wordt het COA veroordeeld tot betaling van de onregelmatigheidstoeslag vanaf 15 september 2025, inclusief wettelijke verhoging en rente, en wordt verklaard dat het COA ten onrechte het vitaliteitsbudget en vakantiedagen heeft afgetrokken, wat ongedaan moet worden gemaakt. De proceskosten worden aan het COA opgelegd.

Uitkomst: Het ontbindingsverzoek van het COA wordt afgewezen en het COA wordt veroordeeld tot betaling van onregelmatigheidstoeslag en herstel van onterechte inhoudingen.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer / rekestnummer: 11983786 \ HA VERZ 25-180
Beschikking van 9 februari 2026
in de zaak van
HET BESTUUR VAN HET ZELFSTANDIG BESTUURSORGAAN VAN HET CENTRAAL ORGAAN OPVANG ASIELZOEKERS,
gevestigd te 's-Gravenhage,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: het COA,
gemachtigde: mr. H.J. de Wit (in dienst van het COA),
tegen
[naam verweerder / verzoeker in tegenverzoek],
wonende te [woonplaats] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verweerder / verzoeker in tegenverzoek] ,
gemachtigde: mr. C.M.A. Mertens.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met 21 producties,
- het verweerschrift met tegenverzoeken en 9 producties,
- de aanvullende productie 10 van [verweerder / verzoeker in tegenverzoek] ,
- de aanvullende producties 22 tot en met 24 van het COA.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 januari 2026, waar mevrouw [betrokkene 1] , mevrouw [betrokkene 2] en mevrouw [betrokkene 3] namens het COA, [verweerder / verzoeker in tegenverzoek] en de gemachtigden van partijen aanwezig waren. De gemachtigden hebben het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen, die zijn overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen ter zitting is besproken.
1.3.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[verweerder / verzoeker in tegenverzoek] , geboren [geboortedatum] , is sinds 26 juli 2021 in dienst bij het COA. Eerst op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en sinds 1 december 2022 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De functie van [verweerder / verzoeker in tegenverzoek] is medewerker amv-opvang met een loon van € 4.639,88 bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag, eindejaarsuitkering en een onregelmatigheidsvergoeding. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Sociaal Werk van toepassing (hierna: de cao).
2.2.
Voor zover hier van belang is in de arbeidsovereenkomst het volgende opgenomen:
Artikel 7 – Toepasselijke arbeids- en bedrijfsregels
De medewerker heeft als ambtenaar de verplichtingen die door de wet aan de medewerker zijn opgelegd. Op deze overeenkomst zijn van toepassing de bij de werkgever geldende arbeids- en bedrijfsregels zoals gepubliceerd op het intranet van werkgever. De medewerker verklaart door ondertekeningen van deze overeenkomst kennis te hebben genomen van- en in te stemmen met de geldende arbeids- en bedrijfsregels, zoals deze thans luiden, dan wel zoals deze gedurende de looptijd van deze arbeidsovereenkomst zullen komen te luiden. Het gaat hierbij in ieder geval om de volgend arbeids- en bedrijfsregels:

CAO Sociaal Werk;
(…)
  • COA Gedragscode;
  • COA richtlijnen gebruik Internet, e-mail en Sociale media;
(…)
De medewerker verplicht zich op de hoogte te blijven van de geldende arbeids- en bedrijfsregels en deze na te leven.”
2.3.
In de Gedragscode Integriteit COA (hierna: de Gedragscode) is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
“5.2 Sancties
(…)
Het verrichten van een ambtsmisdrijf of van handelingen die in strijd zijn met onderstaande gedragsregels wordt zo hoog opgenomen, dat in beginsel zal worden overgegaan tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst:

Je hebt geen vriendschappelijke privérelatie met bewoners;
(…)

Je gaat geen financiële en materiële transacties voor privédoeleinden aan met bewoners;
(…)

Je biedt geen opvang of ondersteuning aan bewoners in de privésfeer.”
2.4.
In de COA Gedragsrichtlijnen Sociale Media is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
Don’t

plaats geen berichten die het COA of je omgeving in verlegenheid brengen
(…)
  • spreek niet uit naam van het COA
  • meng je niet in politieke discussies vanuit je functie”
2.5.
In artikel 5.10 A sub 3 van de cao is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:
“A. De werknemer heeft recht op buitengewoon verlof met behoud van salaris bij bepaalde omstandigheden als en voor zover werkverzuim hiervoor onvermijdelijk is tenzij de te verrichten werkzaamheden zich naar het oordeel van de werkgever daartegen verzetten.
Voor de volgende omstandigheden geldt het buitengewoon verlof voor de hieronder genoemde aaneengesloten aantal werkdagen:
(…)
3. Bij overlijden van bloed- of aanverwanten:
(…)
2 dagen bij overlijden van bloed- of aanverwanten in de tweede graad en ten hoogste één dag bij overlijden van bloed- of aanverwanten in de derde of vierde graad.”
2.6.
Per 1 december 2022 is de arbeidsovereenkomst van [verweerder / verzoeker in tegenverzoek] omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De omzetting is schriftelijk vastgelegd op
29 november 2022 en daarbij is bepaald dat alle overige bepalingen in de (eerdere) arbeidsovereenkomst ongewijzigd blijven.
2.7.
Op 19 februari 2024 ontvangt [verweerder / verzoeker in tegenverzoek] een officiële waarschuwing voor het in strijd met de Gedragscode verkopen op afbetaling van een fiets aan een jongere.
2.8.
Op 28 oktober 2024 ontvangt [verweerder / verzoeker in tegenverzoek] een tweede officiële waarschuwing voor het wederom in strijd met de Gedragscode verkopen van een fiets aan een jongere. Daarnaast wordt in deze waarschuwing melding gemaakt van het op 2 oktober 2024 verlaten van de locatie voor een gesprek elders en het ten onrechte schrijven van uren voor dit gesprek, terwijl tijdens het gesprek niet gewerkt is.
2.9.
Op 19 november 2024 ontvangt [verweerder / verzoeker in tegenverzoek] een waarschuwing voor het slapen tijdens een waakdienst op 7 november 2024.
2.10.
Op 11 juli 2025 doet het COA aan [verweerder / verzoeker in tegenverzoek] , vanwege het ontbreken van de voor het uitoefenen van zijn functie vereiste SKJ-registratie, een voorstel voor een passende functie met bijbehorend salaris (medewerker opvang met een loon van € 4.005,45 bruto per maand), waarbij onder meer als voorwaarde is gesteld dat een VSO wordt ondertekend waarin het dienstverband per 7 juli 2026 wordt beëindigd. Dit aanbod is door [verweerder / verzoeker in tegenverzoek] niet geaccepteerd.
2.11.
Op 15 september 2025 wordt [verweerder / verzoeker in tegenverzoek] vrijgesteld van werk in verband met een onderzoek naar vermeend fraudeleus gedrag (het onjuist verantwoorden van de uren op 29 augustus 2025).
2.12.
Op of omstreeks 15 september 2025 ontdekt het COA dat [verweerder / verzoeker in tegenverzoek] op LinkedIn een post heeft geplaatst over de kwestie Israël-Gaza.

3.Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek

3.1.
Het COA verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder / verzoeker in tegenverzoek] te ontbinden, en bij het bepalen van de einddatum rekening te houden met de duur gelegen tussen de ontvangst van het verzoekschrift en de dagtekening van de ontbindingsbeschikking, zonder toekenning van een transitievergoeding en met veroordeling van [verweerder / verzoeker in tegenverzoek] in de proceskosten.
3.2.
Het COA heeft aan het ontbindingsverzoek ten grondslag gelegd dat [verweerder / verzoeker in tegenverzoek] in strijd heeft gehandeld met de Gedragscode door niet integer te handelen. Er is daarom primair sprake van verwijtbaar handelen door [verweerder / verzoeker in tegenverzoek] (de e-grond) en subsidiair van een verstoorde arbeidsverhouding (de g-grond). Meer subsidiair is sprake van de cumulatiegrond (de i-grond). Herplaatsing van [verweerder / verzoeker in tegenverzoek] in een andere passende functie, al dan niet behulp met scholing is niet mogelijk. Nu (primair) sprake is van verwijtbaar handelen komt aan [verweerder / verzoeker in tegenverzoek] geen transitievergoeding toe en dient bij het bepalen van de einddatum van de arbeidsovereenkomst geen rekening te worden gehouden met de voor [verweerder / verzoeker in tegenverzoek] geldende opzegtermijn van twee maanden.
3.3.
[verweerder / verzoeker in tegenverzoek] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. De aan hem gemaakte verwijten zijn (grotendeels) onterecht. Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [verweerder / verzoeker in tegenverzoek] om toekenning van een transitievergoeding, een billijke vergoeding en, in geval van ontbinding op de i-grond, een cumulatievergoeding.
3.4.
[verweerder / verzoeker in tegenverzoek] verzoekt voorts, om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • het COA te veroordelen om aan hem te betalen een bedrag van € 608,07 bruto per maand, zijnde de gemiddelde onregelmatigheidstoeslag over de periode vanaf 15 september 2025 tot het einde van de arbeidsovereenkomst, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente,
  • voor recht te verklaren dat het COA ten onrechte het vitaliteitsbudget en de vakantiedagen van het vakantiesaldo van hem heeft afgetrokken en dat deze aftrek ongedaan dient te worden gemaakt,
  • het COA in de proceskosten te veroordelen.

4.De beoordeling van het verzoek en het tegenverzoek

4.1.
Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.
4.2.
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.
Opzegverbod
4.3.
Voor de beoordeling van het ontbindingsverzoek is vanwege het bepaalde in artikel 7:671b lid 2 BW onderzocht of een opzegverbod als bedoeld in artikel 7:670 BW Pro of enig ander opzegverbod geldt. Dit is niet het geval.
Geen redelijke grond voor ontbinding
4.4.
De kantonrechter oordeelt dat er geen redelijke grond is voor ontbinding. Dat wordt als volgt toegelicht.
4.5.
Het COA legt aan haar ontbindingsverzoek primair verwijtbaar handelen, subsidiair een verstoorde arbeidsverhouding en meer subsidiair de cumulatiegrond ten grondslag. Ter onderbouwing van alle drie de gronden voert het COA dezelfde feiten en omstandigheden aan, hetgeen neerkomt op de stelling dat [verweerder / verzoeker in tegenverzoek] bij herhaling niet integer heeft gehandeld en daarmee ook heeft laten blijken niet te beschikken over lerend vermogen. Dit niet integer handelen bestaat – volgens het COA – uit de volgende gedragingen die, hoewel niet elk afzonderlijk, maar wel in onderlinge samenhang gezien zouden moeten leiden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van [verweerder / verzoeker in tegenverzoek] :
het geven van onjuiste inlichtingen door [verweerder / verzoeker in tegenverzoek] over (afronding van) zijn opleiding(en) tijdens zijn sollicitatie;
het bij herhaling (op afbetaling) verkopen van een fiets aan een jongere;
het op 2 oktober 2024 verlaten van de locatie ten behoeve van een (sollicitatie)gesprek en deze tijd als “gewerkt” schrijven;
het slapen tijdens een waakdienst;
het zaadjes plukken in de moestuin in plaats van aanwezig zijn bij de jongeren (eind augustus 2025);
het nuttigen van het eten dat bestemd is voor de jongeren;
het niet beschikken over de vereiste SKJ-registratie en dat niet proactief melden;
et onjuist registreren van uren op 29 augustus 2025;
een post plaatsen op LinkedIn over de kwestie Israël-Gaza.
4.6.
De gestelde misleiding door [verweerder / verzoeker in tegenverzoek] (sub a) ziet op de sollicitatie voorafgaand aan het sluiten van de arbeidsovereenkomst en bestaat er – naar de kantonrechter begrijpt – in dat [verweerder / verzoeker in tegenverzoek] volgens het COA de suggestie zou hebben gewekt te beschikken over een opleiding op hbo-niveau. [verweerder / verzoeker in tegenverzoek] heeft gemotiveerd betwist dat van misleiding sprake is geweest. Daarbij heeft hij onder meer naar voren gebracht dat het voor het COA op basis van het door hem destijds overgelegde cv van meet af aan duidelijk was dat hij niet over een diploma van een afgeronde hbo-opleiding beschikte, maar een tweetal post-hbo-opleidingstrajecten had gevolgd en met succes had afgesloten en dat hij daarnaast over ruime ervaring beschikt, onder meer opgedaan bij het COA zelf in dezelfde functie en op dezelfde locatie. Het COA heeft hier niet inhoudelijk op gereageerd en heeft ook overigens niet duidelijk gemaakt waarom zij (desondanks) meent dat [verweerder / verzoeker in tegenverzoek] destijds onjuiste inlichtingen zou hebben verstrekt. Dat van misleiding sprake is geweest is daarom niet gebleken.
4.7.
Om bevoegd te zijn de functie van medewerker amv-opvang uit te oefenen diende [verweerder / verzoeker in tegenverzoek] te beschikken over een SKJ-registratie. [verweerder / verzoeker in tegenverzoek] beschikte daar bij aanvang dienstverband niet over en dat was bij het COA bekend. [verweerder / verzoeker in tegenverzoek] is desondanks aangenomen en zijn functie gaan uitoefenen en met hem is (destijds) afgesproken dat hij een zogeheten EVC-traject zou afronden om een SKJ-registratie te verkrijgen. Vast staat dat [verweerder / verzoeker in tegenverzoek] is gestart met het EVC-traject, dat dit traject met medeweten van het COA is verlengd, maar dat [verweerder / verzoeker in tegenverzoek] het traject niet met goed gevolg heeft afgerond. Het COA verwijt [verweerder / verzoeker in tegenverzoek] dat hij niet proactief aan haar heeft gemeld dat hij zijn SKJ-registratie niet heeft behaald (sub g). De kantonrechter kan het COA daarin volgen. Tegelijkertijd wordt vastgesteld dat het COA op dit punt terecht ook de spreekwoordelijke hand in eigen boezem steekt. Het COA heeft immers niet alleen [verweerder / verzoeker in tegenverzoek] in zijn functie laten starten zonder de vereiste bevoegdheid, maar bovendien ook zelf jarenlang niet naar (het behalen van) de registratie geïnformeerd. Ondanks dat er – naar onbetwist is gesteld – twee keer per jaar voortgangsgesprekken werden gevoerd. Pas bij de voorbereiding van een (voortgangs)gesprek van juni 2025 ‘ontdekt’ de leidinggevende van [verweerder / verzoeker in tegenverzoek] in het personeelsdossier dat [verweerder / verzoeker in tegenverzoek] het EVC-traject niet heeft afgerond. Ter zitting heeft het COA verklaard dat het niet informeren te maken had met de explosieve groei van het aantal locaties (van 2 naar 40 locaties) en het aannemen van veel nieuw personeel. Dat kan zo zijn, maar dat is naar het oordeel van de kantonrechter geen goede reden om niet actief te informeren naar en niet op de hoogte te zijn van het niet behalen van een voor de functie van [verweerder / verzoeker in tegenverzoek] vereiste registratie. Het COA heeft door die handelwijze niet bepaald het signaal afgegeven de afronding van het EVC-traject van groot belang te vinden. Het niet actief melden door [verweerder / verzoeker in tegenverzoek] moet dan ook in die context worden bezien. Het COA stelt zelfs dat de SKJ-registratie een voorwaarde is voor het aangaan van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Per 1 december 2022 is [verweerder / verzoeker in tegenverzoek] in dienst op grond van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Ook op dat moment echter heeft het COA geen aandacht gehad voor de vraag of [verweerder / verzoeker in tegenverzoek] in het bezit was van de vereiste registratie.
4.8.
Los van het voorgaande moet worden geconstateerd dat het COA op 11 juli 2025 [verweerder / verzoeker in tegenverzoek] nog een passende functie, inclusief scholing op kosten van het COA, heeft aangeboden. Blijkbaar waren de op dat moment bekende feiten en omstandigheden voor het COA van onvoldoende gewicht om haar ervan te weerhouden dit aanbod te doen. Met andere woorden, waar het COA [verweerder / verzoeker in tegenverzoek] nu in de kern een gebrek aan integriteit verwijt, was daarvan in de visie van het COA op 11 juli 2025 nog geen, of in elk geval in onvoldoende mate sprake. Kennelijk heeft hetgeen na 11 juli 2025 heeft plaatsgevonden c.q. bekend is geworden daarin verandering gebracht.
4.9.
De gedragingen die dateren van na 11 juli 2025 betreffen het zaadjes plukken in de moestuin in plaats van aanwezig zijn bij de jongeren (sub e), de gestelde onjuiste urenregistratie op 29 augustus 2025 (sub h) en de LinkedIn-post (i). Mede gelet op wat in r.o. 4.6 en 4.7 is overwogen met betrekking tot de gestelde gedragingen onder sub a en sub g, zijn de gedragingen die dateren van na 11 juli 2025, ook indien deze onderlinge samenhang en in combinatie met de overige gedragingen worden bezien, van onvoldoende gewicht om tot een ontbinding van de arbeidsovereenkomst te komen op grond van een van de daartoe aangevoerde gronden (maar in de kern: het verwijt van een gebrek aan integriteit). Op onderdelen valt [verweerder / verzoeker in tegenverzoek] wel enig verwijt te maken, maar er is geen sprake van zodanig verwijtbaar handelen of nalaten dat ontbinding om die reden gerechtvaardigd is. Gezien het nog op 11 juli 2025 gedane aanbod is evenmin sprake van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat ontbinding op die grond aan de orde is. Van een voldragen cumulatiegrond is gezien het voorgaande evenmin sprake. De kantonrechter wijst de verzochte ontbinding dan ook af.
4.10.
Gelet op de afwijzing van het ontbindingsverzoek wordt niet toegekomen aan het verzoek van [verweerder / verzoeker in tegenverzoek] tot toekenning van een transitievergoeding, billijke vergoeding en cumulatievergoeding.
Onregelmatigheidstoeslag
4.11.
[verweerder / verzoeker in tegenverzoek] verzoekt op zijn beurt om toekenning van de gemiddelde onregelmatigheidstoeslag over de periode vanaf 15 september 2025 tot het einde van de arbeidsovereenkomst. [verweerder / verzoeker in tegenverzoek] heeft onbetwist gesteld dat hij tot 15 september 2025 gemiddeld maandelijks een onregelmatigheidstoeslag ontving van € 608,07 bruto. De kantonrechter wijst dit verzoek dan ook toe.
4.12.
De wettelijke verhoging over de niet tijdig betaalde onregelmatigheidstoeslag wordt toegewezen. De kantonrechter ziet geen aanleiding de wettelijke verhoging te matigen. Voor zover [verweerder / verzoeker in tegenverzoek] ook de wettelijke verhoging vordert over toekomstige termijnen wordt deze afgewezen, omdat het COA (nog) niet in verzuim is en die termijnen (nog) niet opeisbaar zijn.
4.13.
Ook voor de gevorderde wettelijke rente is verzuim vereist. Op grond van artikel 7:623 lid 1 BW Pro is een werkgever verplicht het in geld naar tijdruimte vastgestelde loon telkens na afloop van het tijdvak waarover het loon op grond van de overeenkomst moet worden berekend, met dien verstande dat het tijdvak voor voldoening niet korter is dan één week en niet langer is dan één maand. Dit brengt met zich dat een werkgever direct na afloop van het tijdvak zonder nadere ingebrekestelling in verzuim is, waardoor het COA vanaf 1 oktober 2025 in verzuim is ten opzichte van de betaling van de onregelmatigheidstoeslag over september 2025 en vanaf 1 november 2025 over de onregelmatigheidstoeslag van oktober 2025. De gevorderde wettelijke rente zal daarom overeenkomstig worden toegewezen.
Afschrijving vitaliteitsbudget en verlof
4.14.
Tot slot verzoekt [verweerder / verzoeker in tegenverzoek] voor recht te verklaren dat het COA ten onrechte het vitaliteitsbudget en de vakantiedagen van zijn vakantiesaldo heeft afgetrokken en dat deze aftrek ongedaan dient te worden gemaakt. Nu het COA hiertegen geen (afzonderlijk) verweer heeft gevoerd, zal deze verzochte verklaring worden toegewezen.
Proceskosten
4.15.
De proceskosten komen voor rekening van het COA, omdat zij zowel in het verzoek als in het tegenverzoek overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verweerder / verzoeker in tegenverzoek] worden begroot op € 1.441,50 (1,5 x € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
op het verzoek
5.1.
wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af,
op het tegenverzoek
5.2.
veroordeelt het COA om aan [verweerder / verzoeker in tegenverzoek] te betalen een bedrag van € 608,07 bruto per maand vanaf 15 september 2025 tot het einde van de arbeidsovereenkomst, te vermeerderen met de wettelijke verhoging over de niet tijdig betaalde onregelmatigheidstoeslag en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid totdat alles is betaald,
5.3.
verklaart voor recht dat het COA ten onrechte het vitaliteitsbudget en de vakantiedagen van het vakantiesaldo van hem heeft afgetrokken en dat deze aftrek ongedaan dient te worden gemaakt,
op het verzoek en op het tegenverzoek
5.4.
veroordeelt het COA in de proceskosten van € 1.441,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als het COA niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad [1] ,
5.6.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. L.J.P. Lambooij en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2026.
44356 \ 53331

Voetnoten

1.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.