3.9.Op grond van het voorgaande zal de rechtbank zich onbevoegd verklaren om kennis te nemen van het geschil.
3.10. De Zonnebloem zal in het ongelijk worden gesteld in het bevoegdheidsincident. Daarom zal zij worden veroordeeld in de proceskosten van de hoofdzaak en van het incident.
4. Het vrijwaringsincident
4.1. Voor het geval dat deze rechtbank zou oordelen dat zij bevoegd is om van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen, vordert Avicia bij incident dat de rechtbank haar zal toestaan derde partijen in vrijwaring op te roepen.
4.2. Zoals hiervoor is overwogen, zal de rechtbank zich onbevoegd verklaren om van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen. De voorwaarde waaronder Avicia de incidentele vordering instelt, treedt daarom niet in. De rechtbank zal daarom niet over die incidentele vordering oordelen.
4.3. De voorwaarde waaronder Avicia het vrijwaringsincident heeft opgeworpen, treedt niet in omdat De Zonnebloem Avicia heeft betrokken in een procedure voor deze rechtbank, terwijl deze rechtbank niet bevoegd is. Daarom zal de rechtbank geen oordeel geven over het incident. Omdat geen van beide partijen kan worden beschouwd als in het ongelijk gesteld, moet een proceskostenveroordeling achterwege blijven.
5. De beslissing
in het bevoegdheidsincident
5.1. verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de vordering,
5.2. veroordeelt De Zonnebloem hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van Avicia begroot op € 653,00 aan salaris voor de advocaat (een punt, tarief II),
5.3. verklaart deze veroordeling in de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
5.4. veroordeelt De Zonnebloem hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van Avicia begroot op nihil,
in het voorwaardelijke vrijwaringsincident
5.5. verstaat dat de voorwaarde waaronder Avicia het vrijwaringsincident heeft opgeworpen, niet is ingetreden.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.L. van de Sande en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.