ECLI:NL:RBGEL:2026:1674

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
C/05/453706 / HA ZA 25-267
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 125 GemeentewetArt. 5:10 lid 2 AwbArt. 5:32 AwbArt. 5:33 AwbArt. 5:37 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot stopzetting handhavend optreden Omgevingsdienst

Eiser verblijft met zijn gezin in een recreatiewoning op een recreatiepark en wordt door de Omgevingsdienst handhavend benaderd vanwege vermeende overtredingen van het bestemmingsplan, waaronder permanent verblijf, bouw van een schuur en bedrijfsmatige activiteiten. Eiser vordert dat de Omgevingsdienst stopt met het handhavend optreden omdat dit volgens hem belaging oplevert.

De rechtbank stelt vast dat de Omgevingsdienst handelt op grond van mandaat van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede en bevoegd is bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen te nemen, waaronder het opleggen van lasten onder dwangsom en invordering daarvan. Eiser heeft bewust geen gebruik gemaakt van bestuursrechtelijke rechtsmiddelen en probeert via de civiele rechter het handhavend optreden te blokkeren.

De rechtbank oordeelt dat er geen juridische grond bestaat om de Omgevingsdienst te verbieden haar wettelijke taken uit te oefenen. Ook de wijze van uitvoering van de taken door de Omgevingsdienst geeft geen aanleiding tot het gevraagde gebod. Concrete voorbeelden van eiser, zoals het gebruik van een drone, het tussen deur en kozijn schuiven van een brief en een geluidsopname, zijn onvoldoende onderbouwd of rechtvaardigen geen verbod. De vordering wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering af en veroordeelt eiser in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/453706 / HA ZA 25-267
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van
[naam eiser],
te [woonplaats] , gemeente [gemeentenaam] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. M.C. Franken-Schoemaker,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
OMGEVINGSDIENST DE VALLEI,
te Ede,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de Omgevingsdienst,
advocaat: mr. T.L.M. van der Weijden.

1.De zaak in het kort

1.1.
[eiser] verblijft met zijn gezin – al dan niet permanent – in een woning op een recreatiepark in [woonplaats] . De Omgevingsdienst heeft, als uitvoeringsorganisatie van de gemeente Ede, handhavend opgetreden tegen [eiser] , omdat [eiser] tegen de regels in permanent in de recreatiewoning zou verblijven, bij de recreatiewoning een schuur heeft gebouwd en vanuit die schuur bedrijfsmatige activiteiten zou verrichten. [eiser] vordert, kort gezegd, dat de Omgevingsdienst stopt met dit handhavend optreden omdat het volgens hem belaging oplevert.
1.2.
De rechtbank oordeelt dat er geen juridische basis bestaat om de Omgevingsdienst te gebieden te stoppen met de uitoefening van zijn taken. De manier waarop de Omgevingsdienst die taken uitoefent, is evenmin aanleiding om het gevraagde gebod op te leggen. De rechtbank wijst de vordering van [eiser] daarom af.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 17 september 2025,
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 23 januari 2026.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
[eiser] verblijft met zijn gezin – al dan niet permanent – in een woning op een recreatiepark in [woonplaats] .
3.2.
De Omgevingsdienst treedt op als uitvoeringsorganisatie van de gemeente Ede. Zij voert de wettelijke taak van de gemeente Ede uit om de naleving van bestemmingsplannen/omgevingsplannen en landelijke regelgeving te controleren en handhaven.
3.3.
Op 24 februari 2015 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede (hierna: het college) daartoe het zogenoemde “Mandaatbesluit gemeente Ede voor Omgevingsdienst de Vallei” vastgesteld (onderdeel van productie 12 van [eiser] ).
Op grond van artikel 2 van Pro dit besluit heeft het college aan (de directeur van) de Omgevingsdienst de bevoegdheid gemandateerd om beslissingen te nemen en stukken te ondertekenen met betrekking tot de bevoegdheden die zijn omschreven in de bijlage bij het besluit en tot het verrichten van alle handelingen die nodig zijn voor de voorbereiding, bekendmaking en uitvoering van een door hem krachtens mandaat te nemen of genomen beslissing.
Op grond van artikel 5 van Pro het besluit kan de directeur van de Omgevingsdienst ondermandaat verlenen aan de binnen de Omgevingsdienst werkzame medewerkers met een leidinggevende functie, daaronder begrepen degene aan wie een coördinerende taak is toebedeeld. Voor een aantal in de bijlage bij het besluit genoemde bevoegdheden kan de directeur van de Omgevingsdienst ook aan andere ambtenaren van de Omgevingsdienst een ondermandaat verlenen.
3.4.
Op 5 december 2017 heeft de directeur van de Omgevingsdienst het zogenoemde “Ondermandaatbesluit Omgevingsdienst De Vallei Ede” vastgesteld (onderdeel van productie 12 van [eiser] ). Op grond van dit ondermandaatbesluit is aan de managers van de teams ‘Vergunningen’, ‘Handhaving & Toezicht’ en ‘Juridisch Advies’ en aan ambtenaren van de Omgevingsdienst mandaat, volmacht en machtiging verleend voor het nemen van beschikkingen en het verrichten van handelingen als genoemd in – kort gezegd – de bijlage bij het mandaatbesluit.
3.5.
De gemeente Ede heeft bestuursrechtelijk handhavend opgetreden tegen [eiser] , omdat hij in strijd met de regels permanent in de recreatiewoning zou verblijven, achter de recreatiewoning een schuur van ruim 80 m² heeft gebouwd en daarin bedrijfsmatige activiteiten zou verrichten. De bouw en aanwezigheid van de schuur en het daarin ontplooien van bedrijfsmatige activiteiten zijn volgens de gemeente Ede in strijd met het geldende bestemmingsplan. In het kader van dit handhavend optreden heeft de gemeente Ede meerdere bestuursrechtelijke besluiten genomen. Zij heeft aan [eiser] lasten onder dwangsom aangekondigd en opgelegd, invorderingsbesluiten genomen over de verbeurde dwangsommen en is – toen betaling van de verbeurde dwangsommen ook na verschillende aanmaningen uitbleef – overgegaan tot invordering bij dwangbevel.
3.6.
Ambtenaren van de Omgevingsdienst hebben de afgelopen jaren geregeld brieven met (de bovengenoemde) bestuursrechtelijke besluiten en toelichtingen op controles afgegeven of achtergelaten bij de recreatiewoning van [eiser] .
3.7.
Bij e-mail van 3 augustus 2023 (productie 4 van de Omgevingsdienst) heeft de gemeente Ede, en bij e-mail van 19 maart 2024 (onderdeel productie 12 van [eiser] ) heeft de Omgevingsdienst, aan [eiser] uiteengezet dat en op grond van welke bepalingen uit de Gemeentewet en de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zij bevoegd zijn om handhavend tegen hem op te treden.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert “omdat de bevoegdheid niet blijkt, gedaagde te gebieden de belaging, met inbegrip van alle executiehandelingen jegens Eiser en zijn geliefden te staken en gestaakt te houden onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor elke overtreding van deze last”. Daarnaast vordert [eiser] veroordeling van de Omgevingsdienst in de proceskosten, “een bedrag aan buitengerechtelijke kosten en salaris gemachtigde daaronder begrepen”.
4.2.
De Omgevingsdienst voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de werkelijke proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.3.
De rechtbank zal hierna nader ingaan op de stellingen van partijen, voor zover voor de beoordeling van belang.

5.De beoordeling

Het toepasselijke bestuursrechtelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 125 van Pro de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd om een last onder bestuursdwang op te leggen. Een last onder bestuursdwang houdt kort gezegd in dat een overtreding geheel of gedeeltelijk moet worden hersteld en dat het bestuursorgaan de overtreding zelf – op kosten van de overtreder – gaat herstellen als de overtreder dit niet of niet binnen de daarvoor gestelde termijn doet. Het gemeentebestuur is ieder bevoegd orgaan van de gemeente, waaronder het college van burgemeester en wethouders. De Omgevingsdienst handelt in mandaat, oftewel in naam en onder verantwoordelijkheid van het college.
5.2.
Op grond van artikel 5:32 van Pro de Awb kan het college als bevoegd bestuursorgaan in plaats van een last onder bestuursdwang een last onder dwangsom opleggen. Een last onder dwangsom heeft als doel om een overtreding geheel of gedeeltelijk te herstellen of de (herhaling van de) overtreding te voorkomen. Herstelt of voorkomt de overtreder de overtreding niet binnen de daarvoor gestelde termijn, dan verbeurt hij de dwangsom.
Het college heeft gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid en aan [eiser] een last onder dwangsom opgelegd om de overtredingen van artikel 2.1 lid 1 onder a en c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht te beëindigen en beëindigd te houden. [eiser] moest de schuur verwijderen en zijn bedrijfsmatige activiteiten staken. Dat heeft [eiser] niet gedaan. Daardoor heeft hij dwangsommen verbeurd.
5.3.
Op grond van artikel 5:33 Awb Pro moet een dwangsom worden betaald binnen zes weken nadat zij van rechtswege is verbeurd.
5.4.
Volgens artikel 5:37 Awb Pro moet het college, voorafgaand aan het aanmanen tot betaling van de dwangsom, een beschikking nemen over het invorderen van de dwangsom. Het college heeft ten aanzien van [eiser] invorderingsbesluiten genomen.
5.5.
De invorderingsbesluiten hebben er niet toe geleid dat [eiser] de verbeurde dwangsommen heeft betaald. Betaling bleef ook uit nadat aanmaningen waren verstuurd. Daarop is het college overgegaan tot invordering bij dwangbevel. Deze bevoegdheid heeft het college op grond van artikel 5:10 lid 2 Awb Pro.
5.6.
Het is niet aan de civiele rechter om deze besluiten te toetsen. Het gaat namelijk om besluiten, waartegen bestuursrechtelijke rechtsbescherming open staat of heeft gestaan.
De vordering van [eiser] is niet toewijsbaar
5.7.
Tegen de achtergrond van het hierboven weergegeven bestuursrechtelijk kader luidt het oordeel van de rechtbank dat de vordering van [eiser] moet worden afgewezen. Zij overweegt daartoe het volgende.
5.8.
[eiser] heeft er bewust voor gekozen geen (of nauwelijks) gebruik te maken van de bestuursrechtelijke rechtsmiddelen – bezwaar- en beroepsprocedures – die hem tegen het uit bestuursrechtelijke besluiten voortvloeiende handhavend optreden door de Omgevingsdienst ter beschikking staan, omdat hij daarin geen vertrouwen heeft en het bestuursrecht in de ogen van [eiser] “ondergeschikt is aan het civiele recht”.
De gevolgen van die keuze moeten voor zijn rekening blijven. De vordering van [eiser] strekt er in feite toe dat de Omgevingsdienst ermee ophoudt hem te bezoeken, controles bij hem uit te voeren, brieven naar hem te sturen en dergelijke. De Omgevingsdienst verricht deze handelingen echter in het kader van zijn bestuursrechtelijke taken, die door de gemeente Ede – anders dan [eiser] betoogt – rechtsgeldig aan hem zijn gemandateerd (zie hierboven 3.3 en 3.4). De vordering van [eiser] strekt in feite dus tot het blokkeren van de wettelijke taken en bevoegdheden van een overheidsorgaan. Daarvoor bestaat geen juridische basis. Dat de Omgevingsdienst in het kader van zijn toezichthoudende en handhavende taken [eiser] bezoekt voor controles en brieven naar hem stuurt of die bij hem bezorgt, is op zichzelf niet onrechtmatig en levert dus evenmin belaging op.
5.9.
Ook de manier waarop de Omgevingsdienst zijn taken uitvoert, geeft naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om het gevraagde verbod toe te wijzen. [eiser] heeft in dit verband drie concrete voorbeelden genoemd.
Ten eerste heeft de Omgevingsdienst volgens [eiser] een drone boven zijn tuin laten vliegen. De Omgevingsdienst heeft tijdens de mondelinge behandeling gemotiveerd betwist dat de Omgevingsdienst over drones beschikt en dat hij die bij de uitvoering van zijn taken gebruikt. Tegenover deze gemotiveerde betwisting heeft [eiser] zijn stelling onvoldoende onderbouwd.
Ten tweede heeft de Omgevingsdienst [eiser] een brief tussen de buitendeur en het kozijn van de recreatiewoning geschoven, waardoor volgens [eiser] de deur beschadigd is geraakt. Het schuiven van een brief tussen de deur en het kozijn rechtvaardigt niet het opleggen van het gevraagde gebod, mede gelet op het feit dat bij de recreatiewoning geen brievenbus aanwezig is en de echtgenote van [eiser] heeft geweigerd de brief aan te nemen. De Omgevingsdienst heeft gemotiveerd toegelicht dat de toezichthouders de echtgenote van [eiser] toch in de gelegenheid wilden stellen om kennis te nemen van de reden van de controle en daarom de brief tussen de deur en het kozijn hebben geschoven. De vraag of daarbij al dan niet schade is ontstaan aan de deur ligt voor in de afzonderlijke procedure bij de kantonrechter; de handelsrechter zal daarover geen uitspraak doen.
Ten derde beroept [eiser] zich op een geluidsopname die bij het afleveren van de hiervoor genoemde brief zou zijn gemaakt en waarop te horen zou zijn dat een ambtenaar van de Omgevingsdienst tegen zijn collega zegt: “Je breekt gewoon de hele deur eruit, gek”. Indien al sprake zou zijn van onzorgvuldig handelen door de ambtenaren van de Omgevingsdienst op dat moment, dan rechtvaardigt dat nog niet het verstrekkende gebod dat [eiser] met zijn vordering in deze procedure wil bereiken. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de Omgevingsdienst de melding van [eiser] over de deur serieus heeft genomen en aan diens gemachtigde per e-mail heeft gevraagd een webformulier in te vullen zodat de schademelding in behandeling kan worden genomen, maar dat (de gemachtigde van) [eiser] daarop heeft laten weten dat hij van die mogelijkheid geen gebruik zal maken. De gevolgen van die keuze moeten voor rekening van [eiser] blijven. De vraag of schade is ontstaan waarvoor de Omgevingsdienst aansprakelijk is, ligt zoals eerder overwogen, bij de kantonrechter voor. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling ook nog aangevoerd dat ambtenaren van de Omgevingsdienst bij hem voor de deur hebben gestaan en hebben gezegd: “Doe de deur open, anders beuken we hem in”. De rechtbank gaat hieraan voorbij, omdat [eiser] dit pas op de zitting voor het eerst heeft aangevoerd en daarbij niet heeft onderbouwd wanneer dit voorval zou hebben plaatsgevonden.
5.10.
Het voorgaande leidt - ook in samenhang bezien - tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] .
5.11.
[eiser] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De Omgevingsdienst wil dat de rechtbank [eiser] veroordeelt tot vergoeding van de werkelijke proceskosten. De Omgevingsdienst heeft zijn werkelijke proceskosten echter niet onderbouwd. De rechtbank zal de proceskosten daarom begroten aan de hand van de gebruikelijke staffel. Daarbij zal de rechtbank voor de conclusie van antwoord niet zoals gebruikelijk een heel salarispunt toekennen, maar een half punt, omdat de conclusie van antwoord is opgesteld voordat de zaak (deels) werd verwezen van de kantonrechter naar de handelsrechter. Voor de mondelinge behandeling wordt een punt toegekend.
Met inachtneming van het voorgaande begroot de rechtbank de proceskosten van de Omgevingsdienst op:
- griffierecht
714,00
- salaris advocaat
979,50
(1,5 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.882,50
5.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.882,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van der Mei en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.
JE/MM