AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Minister onterecht weigert ontheffing voor dividenduitkeringen van gesanctioneerde Sberbank
Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het verzoek van eiser om toestemming voor het ontvangen van dividendbetalingen van PAO Sberbank, een entiteit die op de sanctielijst van de EU staat. De minister van Financiën had dit verzoek afgewezen op grond van de EU Verordening 269/2014, die bevriezing van tegoeden en economische middelen van gesanctioneerde personen en entiteiten voorschrijft.
De rechtbank oordeelt dat de tegoeden van eiser bij Sberbank inderdaad bevroren zijn, omdat deze onder zeggenschap van een gesanctioneerde entiteit staan. De rechtbank stelt vast dat voor het vrijgeven van deze tegoeden ontheffing vereist is op grond van artikel 6 vanPro de verordening. De minister had deze ontheffing ten onrechte geweigerd, omdat aan alle voorwaarden van artikel 6 wasPro voldaan: de betaling was verschuldigd door een gesanctioneerde entiteit, de verplichting bestond vóór opname op de sanctielijst, en er was geen strijdigheid met het verbod op beschikbaarstelling van tegoeden.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen waarin de gevraagde ontheffing wordt verleend. Tevens moet de minister het betaalde griffierecht aan eiser vergoeden. De uitspraak benadrukt de autonome en uniforme uitleg van de EU-verordening en bevestigt dat dividenduitkeringen onder de uitzonderingen van de sanctieregelgeving vallen.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit van de minister en draagt op tot verlening van ontheffing voor dividenduitkeringen van Sberbank.
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/1419
uitspraak van de meervoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats], eiser
en
de minister van Financiën
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de beslissing op eisers verzoek om toestemming voor het ontvangen van dividendbetalingen van PAO Sberbank. De minister heeft deze toestemming niet verleend en eiser is het niet eens met deze beslissing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de beslissing van de minister.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de ontheffing niet had mogen weigeren. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3 met het beoordelingskader gevolgd door de vaststelling van de omvang van het geding. Daarna gaat de rechtbank onder 5 in op de vraag of er sprake is van een bevroren tegoed, onder 6 op de vraag of eiser ontheffing nodig heeft en onder 7 op de vraag of de minister die ontheffing had moeten verlenen. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Eiser heeft de minister verzocht om op grond van artikel 6, eerste lid, van Verordening (EU) 269/2014 (verordening) toestemming te verlenen voor het ontvangen van dividendbetalingen van PAO Sberbank (Sberbank). Zijn verzoek ziet op alle toekomstige en historische dividendbetalingen door Sberbank.
2.1.
Met het besluit van 25 april 2024 heeft de minister het verzoek om ontheffing afgewezen omdat niet is voldaan aan de voorwaarden voor ontheffing onder artikel 6, eerste lid, van de verordening. Met de beslissing op bezwaar van 30 mei 2025 is de minister bij deze afwijzing gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de minister vergezeld door [persoon A].
Beoordeling door de rechtbank
Beoordelingskader
3. De verordening is tot stand gekomen in reactie op de schending van de Oekraïense soevereiniteit en territoriale integriteit door de Russische Federatie en trad in werking op 17 maart 2014. De verordening strekt mede tot bevriezing van de tegoeden en economische middelen van bepaalde personen die verantwoordelijk zijn voor acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen, en van natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen die daarbij betrokken zijn. [1] De verordening verbiedt daarbij het beschikbaar stellen van tegoeden en economische middelen aan dergelijke personen, entiteiten en lichamen. Met deze beperkende maatregelen wordt beoogd druk uit te oefenen op de Russische autoriteiten, zodat een einde komt aan hun acties en beleidsmaatregelen die Oekraïne destabiliseren. [2]
3.1.
De verordening moet uniform en autonoom worden uitgelegd. De betekenis van gebezigde begrippen in deze verordening kan niet afhankelijk zijn van de uitleg van nationaal recht. [3] Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) moet bij de uitlegging van een bepaling van Unierecht niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan deze bepaling deel uitmaakt en, in voorkomend geval, de ontstaansgeschiedenis ervan. [4]
3.2.
Het bevriezingsgebod is geregeld in artikel 2, eerste lid, van de verordening. Dit artikellid bepaalt dat alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan, eigendom zijn, in het bezit zijn of onder zeggenschap staan van alle in bijlage I vermelde natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen, of met hen verbonden natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen, worden bevroren. Het beschikbaarstellingsverbod is geregeld in artikel 2, tweede lid, van de verordening. Dit artikellid bepaalt dat er geen tegoeden of economische middelen, rechtstreeks of onrechtstreeks, ter beschikking worden gesteld aan of ten behoeve van de in de lijst in bijlage I vermelde natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen, of met hen verbonden natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen.
3.3.
Artikel 6 vanPro de verordening bepaalt dat in afwijking van artikel 2 enPro mits een betaling verschuldigd is door een persoon, entiteit of lichaam die in bijlage I staat vermeld er onder voorwaarden toestemming kan worden gegeven om bepaalde bevroren tegoeden vrij te geven. Dit kan als er vóór opname in bijlage I een contractuele of andere verplichting bestond waarvoor een betaling verschuldigd is door een persoon of entiteit uit bijlage I. De bevoegde autoriteit moet vaststellen dat de vrijgave voor die betaling is en dat deze betaling niet in strijd is met het verbod uit artikel 2, tweede lid van de verordening. Daarnaast moet de lidstaat die toestemming geeft, dit melden aan de andere lidstaten en de Europese Commissie.
3.4.
Artikel 7, tweede lid, van de verordening bepaalt dat artikel 2, tweede lid, van de verordening, niet van toepassing is op de bijboeking op bevroren rekeningen van interesten of andere inkomsten op die rekeningen, betalingen op grond van contracten, overeenkomsten of verplichtingen die zijn gesloten of ontstaan vóór de datum waarop de in artikel 2 bedoeldePro natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen werden opgenomen in bijlage I, of betalingen die verschuldigd zijn uit hoofde van rechterlijke, administratieve of arbitragebesluiten die in een lidstaat zijn uitgesproken of in de betrokken lidstaat uitvoerbaar zijn, mits deze interesten, andere inkomsten overeenkomstig artikel 2, eerste lid van de verordening, worden bevroren.
3.5.
Artikel 17 vanPro de verordening bepaalt het toepassingsbereik. De verordening is, voor zover in deze zaak relevant, van toepassing voor alle personen die zich binnen of buiten de Europese Unie bevinden, zolang zij onderdaan zijn van een lidstaat.
Omvang van het geschil
4. Vaststaat dat de Sberbank en de NSD op de lijst in bijlage I van de verordening staan. Op de zitting is vastgesteld dat het geschil zich beperkt tot de jaren 2022 en 2023. In geschil is de vraag of er in 2022 bij de dividendbetaling door Sberbank op een rekening van eiser bij Sberbank sprake is van een bevroren tegoed. [5] Als er sprake is van een bevroren tegoed is de vraag of de minister hiervoor een ontheffing had moeten verlenen op grond van artikel 6 vanPro de verordening.
Is er sprake van een bevroren tegoed?
5. Eiser betoogt dat er geen sprake is van bevroren tegoeden omdat het gaat om een vordering van eiser op Sberbank, een economisch middel dat hem toebehoort en niet Sberbank. Volgens eiser leidt de interpretatie van de minister er toe dat Sberbank juist profiteert en dat Sberbank tegoeden van eiser moet blokkeren in plaats van eiser tegoeden die Sberbank toebehoren. Volgens eiser is er geen sprake van dividenduitkeringen die als bevroren moeten worden beschouwd.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Het bevriezen van tegoeden op grond van de verordening is een restrictieve maatregel (sanctie). Als uitgangspunt geldt dat restrictieve maatregelen op een zodanige wijze moeten worden opgelegd dat zij het grootst mogelijke effect hebben op degene wiens gedrag dient te worden beïnvloed. [6] Het is niet het gedrag van eiser dat dient te worden beïnvloed, maar het gedrag van de Sberbank. Het tegoed van eiser bij de Sberbank is een tegoed dat aan eiser toebehoort, maar onder zeggenschap staat van een in bijlage I vermelde entiteit, namelijk de Sberbank. In artikel 2, eerste lid van de verordening is onder andere bepaald dat alle tegoeden die onder zeggenschap staan van een in bijlage I vermelde entiteit worden bevroren. Omdat de verordening van toepassing is voor alle personen die zich binnen of buiten de Europese Unie bevinden en onderdaan zijn van een lidstaat is de verordening van toepassing op eiser. Eiser is dus gehouden het tegoed dat op zijn rekening staat of op zijn rekening bij de Sberbank komt als bevroren te beschouwen.
Heeft eiser ontheffing nodig om het bevroren tegoed vrij te geven?
6. Eiser betoogt dat zijn ontheffingsverzoek had moeten leiden tot een positieve weigering. Volgens eiser staan de Europese sancties op geen enkele wijze dividendbetalingen door gesanctioneerde Russische entiteiten in de weg. Eiser verwijst als onderbouwing van zijn standpunt naar de nummers 19, 20 en 21 van de door de Europese Commissie gepubliceerde geconsolideerde FAQ over de implementatie van de verordening.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiser bedoelt met een positieve weigering een weigering van de ontheffing omdat deze niet nodig is. De rechtbank heeft onder 5.1 vastgesteld dat de tegoeden van eiser bij Sberbank bevroren zijn. Dit betekent dat op grond van artikel 6 vanPro de verordening voor vrijgave van deze bevroren tegoeden ontheffing van de minister is vereist. De stelling van eiser dat het ontheffingsverzoek had moeten leiden tot een positieve weigering volgt de rechtbank dan ook niet.
Had de minister ontheffing moeten verlenen?
7. Eiser stelt zich op het standpunt dat, als het standpunt van de minister klopt ten aanzien van de bevriezingsplicht, de minister ontheffing had moeten verlenen voor het vrijgeven van de tegoeden en overboeking ervan naar andere financiële instellingen zonder dat de tegoeden opnieuw bevroren zouden worden. Volgens eiser is dan immers aan de voorwaarden van artikel 6 vanPro de verordening voldaan. Daarnaast betoogt eiser dat artikel 6 vanPro de verordening is bedoeld om de bevroren tegoeden, die gesanctioneerde entiteiten aanhouden bij EU-entiteiten, vrij te geven als de tegoeden ingezet moeten worden voor een betaling op grond van een overeenkomst van vóór de datum van plaatsing op de sanctielijst.
7.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat niet wordt voldaan aan de tweede en derde voorwaarden van artikel 6 vanPro de verordening. Voor wat betreft de tweede voorwaarde stelt de minister zich op het standpunt dat de type-C-rekening voor het moment van sanctionering van de Sberbank nog niet was geopend noch dat de originele contractuele bepaling, namelijk de voorwaarden zoals opgenomen bij de uitgifte van aandelen of certificaten door Sberbank, niet inhouden dat dit slechts kan plaatsvinden op een bankrekening bij Sberbank. Het vereiste dat de dividenduitkering op deze rekening en geen andere moet plaatsvinden, is dan ook geen onderdeel van de oorspronkelijke rechtsverhouding die vóór sanctionering van Sberbank is ontstaan. Voor wat betreft de derde voorwaarde stelt de minister zich op het standpunt dat het voor een EU-burger verboden is om actief aan een gesanctioneerde Russische entiteit tegoeden beschikbaar te stellen (ook als dit zeer tijdelijk is), omdat dit in strijd is met artikel 2, tweede lid van de verordening. Eiser heeft volgens de minister beschikbaar gesteld aan een gesanctioneerde partij bij de dividenduitkering over 2022 op de type-C rekening bij Sberbank en bij de dividenduitkering over 2023 die via de NSD verliep. De minister bevestigt dat er voor Sberbank zelf geen verplichting bestaat om zich te houden aan de verordening.
7.2.
Deze beroepsgrond slaagt. Aan de voorwaarden van artikel 6 isPro namelijk voldaan. Artikel 6 vanPro de verordening kent drie voorwaarden.
7.2.1.
De eerste voorwaarde houdt in dat een betaling verschuldigd is door een in bijlage I vermelde natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam. Niet in geschil is dat aan deze voorwaarde wordt voldaan.
7.2.2.
De tweede voorwaarde houdt in dat de verschuldigde betaling is ontstaan op grond van een contract of overeenkomst gesloten of op grond van een verplichting die voor betrokkene is ontstaan vóór de datum waarop de betrokken natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of lichaam in bijlage I werd opgenomen. De minister heeft op de zitting toegelicht dat er in de overeenkomst niet staat dat deze betaling moet worden uitgekeerd op een type-C rekening van Sberbank. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een betaling die voortvloeit uit een rechtsverhouding van vóór de sanctionering van de Sberbank. Dat die betaling vervolgens heeft plaatsgevonden op een type-C rekening maakt dit niet anders omdat is gebleken dat deze type-C rekening is ontstaan buiten eiser om. Dit betekent dat wordt voldaan aan de tweede voorwaarde.
7.2.3.
De derde voorwaarde houdt in dat er geen strijdigheid mag zijn met artikel 2, tweede lid, van de verordening. De rechtbank ziet, in tegenstelling tot de minister, deze strijdigheid van de betalingen met artikel 2, tweede lid, van de verordening niet. De verordening bepaalt namelijk in artikel 7, tweede lid, van de verordening uitdrukkelijk dat de uitbetaling van dividenden wordt beschouwd als een uitzondering op het verbod om aan deze persoon tegoeden beschikbaar te stellen. [7] De minister kan eiser dus niet tegenwerpen dat er strijd is met artikel 2, tweede lid, van de verordening omdat in artikel 7 vanPro de verordening juist is bepaald dat dit artikel niet van toepassing is op de bijboeking op bevroren rekeningen van dividenden op die rekeningen. Omdat er aan alle drie de voorwaarden van artikel 6 vanPro de verordening wordt voldaan komt de rechtbank tot het oordeel dat de minister ten onrechte heeft geweigerd om aan eiser een ontheffing te verlenen.
Overige gronden
8. Omdat de meest verstrekkende beroepsgrond van eiser slaagt, is het beroep al om die reden gegrond. De rechtbank ziet daarom af van bespreking van de overige beroepsgronden.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank concludeert namelijk dat het bestreden besluit niet is gebaseerd op een juiste wettelijke grondslag. De minister moet een nieuw besluit nemen waarin hij de gevraagde ontheffing aan eiser verleent. Daarbij moet hij beoordelen of en op welke wijze hij gebruik maakt van zijn bevoegdheid om voorwaarden aan deze ontheffing te stellen.
9.1.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet de minister aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden. Van voor vergoeding in aanmerking te komen proceskosten is de rechtbank niet gebleken.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 194 aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzitter, en mr. S.A. van Hoof en mr. J.A.M. van Heijningen, leden, in aanwezigheid van mr. C.M.J.C. Rooding, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Zoals blijkt uit punt 4 van de considerans bij de verordening.
2.Zie ook Gerecht EU 30 november 2016, ECLI:EU:T:2016:689 (Rotenberg/Raad van de Europese Unie), punt 176.
3.Vergelijk HvJEU 6 oktober 2021, ECLI:EU:C:2021:799 (Consorzio Italian Management), punt 45.
4.HvJEU 18 oktober 2022, ECLI:EU:C:2022:800 (IG Metall), punt 31.
5.Deze vraag geldt ook voor 2023 waarin de NSD als gesanctioneerde partij betrokken is in de betaalketen. Omdat de rechtsvraag en het antwoord voor beide jaren hetzelfde is wordt in het vervolg van de uitspraak enkel ingegaan op het jaar 2022. Hetzelfde geldt echter ook voor 2023.
6.Raad van de Europese Unie, Fundamentele beginselen voor het gebruik van restrictieve maatregelen (sancties) 7 juni 2004, 10198/1/04 REV 1, onder 6.
7.Vergelijk Conclusie AG HvJEU 25 september 2025, ECLI:EU:C:2025:732, punt 57.