De zaak betreft een inzageverzoek van derde-partij in haar adoptiedossier bij de Raad voor de Kinderbescherming. De staatssecretaris heeft dit verzoek deels toegewezen en deels afgewezen, waarna eiseres bezwaar maakte tegen dit besluit. De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid, mede doordat het dossier onvolledig was en de belangenafweging tussen de privacy van eiseres en het recht van derde-partij op afstammingsinformatie niet duidelijk is gemotiveerd.
De rechtbank stelt vast dat ondanks de herroeping van de adoptie in 1992, het adoptiedossier blijft bestaan en dat derde-partij recht heeft op inzage in haar afstammingsinformatie, zoals beschermd door het EVRM en het IVRK. De belangenafweging door de staatssecretaris is echter onvoldoende kenbaar gemaakt, en het lakken van persoonsgegevens is niet adequaat toegepast.
De rechtbank draagt de staatssecretaris op om een nieuw besluit te nemen binnen zes weken, waarbij een zorgvuldige belangenafweging en volledige dossierinventarisatie moeten plaatsvinden. Tevens worden de proceskosten en griffierechten aan eiseres toegekend.