ECLI:NL:RBGEL:2026:1711

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
26/348
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 130 Wegenverkeerswet 1994Art. 134 Wegenverkeerswet 1994Art. 27 Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011Paragraaf 8.8 Regeling eisen geschiktheid 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen ongeldigverklaring rijbewijs wegens drugsmisbruik

Verzoekster is op 18 november 2024 staande gehouden wegens rijden onder invloed van cannabis met een THC-gehalte van 16 microgram per liter bloed, ruim boven de wettelijke grens van 3 microgram. Het CBR heeft daarop een lichamelijk en psychiatrisch onderzoek opgelegd, waarbij twee psychiaters onafhankelijk de diagnose drugsmisbruik stelden en onderrapportage constateerden.

Verzoekster maakte bezwaar tegen het besluit van het CBR om haar rijbewijs ongeldig te verklaren en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 29 januari 2026, maar wees het af omdat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft.

De rechter oordeelde dat het CBR terecht is uitgegaan van de rapporten van de psychiaters, die voldoende gemotiveerd en navolgbaar zijn. Het betoog van verzoekster dat het hoge THC-gehalte door huidgebruik van THC-olie zou zijn veroorzaakt, werd niet aannemelijk geacht. Ook het belang van verzoekster bij het rijbewijs voor werk en familieondersteuning kon het strikte wettelijke kader niet doorbreken.

De uitspraak heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank niet in een bodemprocedure. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het rijbewijs van verzoekster blijft ongeldig verklaard wegens drugsmisbruik.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/348

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[verzoekster], uit [plaats], verzoekster
en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen

(gemachtigde: P.A. Leerentveld).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van het CBR dat het rijbewijs van verzoekster ongeldig is. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij heeft bezwaar gemaakt en verzoekt om een voorlopige voorziening te treffen. Daartoe voert zij een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 7 januari 2026 heeft het CBR bepaald dat het rijbewijs van verzoekster ongeldig blijft
.Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster en de gemachtigde van het CBR. Na afloop van de zitting is het onderzoek gesloten.
2.2. Verzoekster heeft na sluiting van het onderzoek aanvullende stukken ingediend. De voorzieningenrechter ziet in deze stukken geen reden het onderzoek te heropenen en zal deze stukken niet bij de beoordeling betrekken.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Totstandkoming van het besluit
3. Verzoekster is op 18 november 2024 staande gehouden als bestuurder van een voertuig, omdat de politie zag dat zij de politieauto met hoge snelheid passeerde op de rotonde [locatie] in [plaats]. Bij het openen van de auto roken de verbalisanten een wietlucht. Daarom hebben de verbalisanten bij verzoekster een speekseltest afgenomen. Deze test gaf een indicatie voor de stof cannabis. Daarop is verzoekster aangehouden en is op het politiebureau bij haar een bloedtest afgenomen. Het aangetroffen gehalte THC bedroeg 16 microgram per liter bloed. De grenswaarde voor cannabis is 3 microgram THC per liter bloed. De politie heeft daarvan mededeling gedaan aan het CBR. [1]
3.1.
Het CBR heeft verzoekster vervolgens een lichamelijk en psychiatrisch onderzoek naar haar drugsgebruik opgelegd. Op 11 juni 2025, gewijzigd 19 augustus 2025, heeft de keurend psychiater de diagnose “drugsmisbruik in de zin der wet” vastgesteld. De psychiater stelt dat er aanwijzingen zijn voor drugsmisbruik en tolerantie voor THC. Bovendien zijn er aanwijzingen voor onderrapportage van cannabis gebruik in verband met de discrepantie tussen de beschreven tolerantie enerzijds en de algemene drugsanamnese anderzijds. Bij het opgegeven gebruik is een dergelijke tolerantie onwaarschijnlijk. Ten tweede vertoont de gevonden THC-concentratie een opvallende discrepantie met het betrekkelijk normale gebruikspatroon dat betrokkene claimt. Binnen een dergelijk gebruikspatroon is het niet aannemelijk dat zo ver wordt doorschoten als in deze casus. Verzoekster lijkt na 19 november 2024 met het drugsmisbruik te zijn gestopt, zo concludeert de psychiater.
3.2.
Verzoekster heeft een tweede onderzoek aangevraagd. Op 18 oktober 2025 heeft de tweede keurend psychiater geconcludeerd dat ten tijde van de aanhouding op 18 november sprake was van een “stoornis in cannabisgebruik licht” en dat de diagnose “cannabismisbruik in de zin der wet” kan worden gesteld. Het laboratoriumonderzoek laat drugsgebruik zien. Het is niet aannemelijk dat het drugsmisbruik sinds de aanhouding op 18 november 2024 is gestopt.
Aan deze conclusie heeft hij de volgende feiten ten grondslag gelegd:
• Betrokkene is eerder onderzocht in het kader van de vorderingsprocedure in 2020. Desondanks is betrokkene wederom aangehouden wegens het rijden onder invloed.
• Betrokkene had in het jaar voorafgaande aan de laatste aanhouding het rijbewijs nodig voor het werk in de zorg en als koerier. Door herhaaldelijk te rijden onder invloed riskeerde betrokkene aldus problemen met betrekking tot het werk.
• Betrokkene geeft aan in de twee maanden voorafgaande aan de aanhouding gemiddeld om de dag cannabis te hebben gebruikt. In de week voor de aanhouding gebruikte zij dagelijks.
• Is het gebruik meer dan 2 joints per week, dan is dit een zeer sterke aanwijzing voor cannabismisbruik. Als men dus minder dan 2 joints per week rookt(e) en niet onder invloed van cannabis reed, en ook zichzelf en/of anderen niet in problemen bracht door het cannabisgebruik, bestaat er geen aanwijzing voor cannabismisbruik. Als betrokkene onder invloed van cannabis in het verkeer is aangehouden of vertelt te hebben gereden dan wordt dit gezien als aanwijzing voor cannabismisbruik, ook al geeft men aan minder dan 2 joints per week te hebben gerookt. Uit bovenstaande volgt dat dit gebruik als cannabismisbruik moet worden gezien. Dit gebruik wordt als riskant voor de verkeersveiligheid beschouwd.
• Betrokkene geeft aan vaker onder invloed van drugs te hebben gereden in het jaar voorafgaande aan de aanhouding, in vergelijkbare omstandigheden als de dag van de laatste aanhouding.
• Betrokkene heeft een verhoogde THCCOOH-waarde van 9.7 ug/1 welke niet kan worden verklaard het anamnestisch gebruik zoals door betrokkene is aangegeven. Betrokkene vertelt geen cannabis meer te gebruiken. Er is derhalve sprake van onderrapportage van het cannabis gebruik. De verklaring van betrokkene is niet afdoende om deze hoge waarde te verklaren.
• Er was onvoldoende besef van de gevaren van rijden onder invloed. Ondanks eerdere aanhouding en eerdere vorderingsprocedure is betrokkene opnieuw aangehouden wegens rijden onder invloed van cannabis. Daarnaast geeft zij aan dat het soms is voorgekomen dat zij onder invloed heeft gereden, in vergelijkbare omstandigheden als de dag van de aanhouding
3.3. Gelet op de medische en psychiatrische onderzoeken heeft het CBR met het bestreden besluit vastgesteld dat verzoekster niet geschikt is om te rijden en besloten dat het rijbewijs van verzoekster ongeldig blijft.
4. De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat uit het bestreden besluit volgt dat het rijbewijs ongeldig blijft. Dit impliceert dat het rijbewijs eerder ongeldig is verklaard. Dat blijkt evenwel niet uit de overgelegde stukken. Op de zitting heeft de gemachtigde van het CBR verklaard dat het rijbewijs met het bestreden besluit ongeldig is verklaard en dat de ongeldig verklaring is ingegaan op 14 januari 2025. Omdat uit het overgelegde dossier niet blijkt dat het rijbewijs eerder ongeldig is verklaard zal de voorzieningenrechter er bij de beoordeling vanuit gaan dat het bestreden besluit de ongeldigverklaring van het rijbewijs betreft. In de te nemen beslissing op bezwaar zal het CBR wel beter moeten omschrijven wat het bestreden besluit inhoudt.
5
.Uit de wet- en regelgeving volgt dat het CBR een rijbewijs ongeldig verklaart als uit het onderzoek naar de rijgeschiktheid blijkt dat verzoekster niet voldoet aan de eisen voor het besturen van een motorvoertuig. In dit geval is door twee artsen en psychiaters in afzonderlijke rapporten geconcludeerd dat er voldoende aanwijzingen zijn om bij verzoekster de diagnose drugsmisbruik te stellen. Volgens de wet- en regelgeving is verzoekster dan niet geschikt om te rijden en moet het rijbewijs ongeldig worden verklaard. [2]
5.1.
Het CBR baseert zich op de conclusies van de arts en psychiater in het rapport van 11 juni 2025, gewijzigd 19 augustus 2025, en van de arts en psychiater in het rapport van 18 oktober 2025. Het is vaste rechtspraak dat het CBR mag afgaan op dergelijke rapporten, nadat is nagegaan of de rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Als er concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van de rapporten, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren zijn gebracht, mag het CBR hier niet zonder nadere motivering op afgaan. Zo nodig kan het CBR de adviseur een reactie vragen op wat de belanghebbende over het advies heeft aangevoerd. [3]
5.2.
De voorzieningenrechter overweegt dat de conclusie van de psychiaters, mede gelet op de in paragraaf 8.8 van de bijlage bij de Regeling eisen geschiktheid 2000 genoemde strenge opstelling, navolgbaar is. De psychiaters hebben afdoende gemotiveerd waarom er sprake is van drugsmisbruik en onderrapportage en de rapporten maken duidelijk welke aanwijzingen er zijn voor deze conclusie.
5.3.
Dat, zoals verzoekster betoogt, de hoge THC-uitslag in haar bloed veroorzaakt is door het gebruik van THC-olie op de huid, is – wat daar ook van zij – niet voldoende aannemelijk gemaakt. Bovendien doet het er niet aan af dat verzoekster met een zeer hoog THC-gehalte in haar bloed aan het verkeer heeft deelgenomen en daar naar eigen zeggen geen effect van heeft ondervonden. De conclusie van de psychiaters dat sprake is van drugsmisbruik en onderrapportage kan de voorzieningenrechter dan ook volgen.
Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het CBR de rapporten van de psychiaters aan het ongeldig verklaren van verzoeksters rijbewijs ten grondslag mogen leggen. Uit dit onderzoek blijkt afdoende dat sprake is drugsmisbruik en onderrapportage. Dat betekent dat verzoekster niet geschikt is om te rijden en moet het rijbewijs ongeldig worden verklaard.
5.4.
Verzoekster heeft betoogd dat zij haar rijbewijs nodig heeft voor haar werk en voor het ondersteunen van haar familie. Gelet op het strikte juridische kader dat in de Wegenverkeerswet 1994 en aanverwante regelingen is opgenomen [4] , heeft het CBR geen ruimte om de belangen van verzoekster mee te wegen. Het betoog slaagt daarom niet. Pas als het aannemelijk of aantoonbaar is dat verzoekster is gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring - op basis van een specialistisch rapport geschikt – geschikt kan worden geacht. Gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid moet de keurend arts zich hierbij streng opstellen. [5]

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is geen reden. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dan ook af. Dat betekent dat het rijbewijs van verzoekster ongeldig blijft. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.M.H.Y. Snoeren-Bos, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994
2.Artikel 134, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 27, aanhef en onder b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 en paragraaf 8.8 van de Regeling eisen geschiktheid 2000.
3.Zie bijvoorbeeld ABRvS 9 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1201.
4.Zie hiervoor voetnoot 2.
5.Dit volgt uit paragraaf 8.8. van de Bijlage bij de Regeling eisen geschiktheid 2000.