Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:1715

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
C/05/447344
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 6:163 BWArt. 2:298 BWArt. 4 Brussel I-bis Verordening (nr. 1215/2012)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schadevordering wegens onzorgvuldig Bibob-advies zonder causaal verband

De zaak betreft een civiele procedure waarin eiser, voormalig bestuurder en advocaat van een stichting, schadevergoeding vordert van een registeraccountant die als adviseur een integriteitsonderzoek (Wet Bibob) uitvoerde voor de provincie Zuid-Holland.

Eiser verwijt de adviseur onzorgvuldig handelen door fouten in het Bibob-rapport en het schenden van de hoorplicht. De rechtbank stelt vast dat de adviseur fouten heeft gemaakt en onzorgvuldig heeft gehandeld, onder meer door het niet vooraf delen van het rapport met eiser en het maken van rekenfouten die ook door de tuchtrechter zijn vastgesteld.

Desondanks ontbreekt het causaal verband tussen deze fouten en de door eiser gevorderde schadevergoeding. De subsidie was al ingetrokken en de intrekking werd ondanks correcties gehandhaafd. Ook de kosten van rechtsbijstand worden niet toegewezen omdat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat deze vermeden hadden kunnen worden zonder de fouten.

De rechtbank wijst de vorderingen af en veroordeelt eiser in de proceskosten. Het vonnis is gewezen door mr. S.A.L. van de Sande en uitgesproken op 18 februari 2026.

Uitkomst: De rechtbank wijst de schadevordering af wegens ontbreken van causaal verband tussen onzorgvuldig handelen en schade.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/447344 / HA ZA 25-53
Vonnis van 18 februari 2026
in de zaak van
[naam eiser],
wonende te [woonplaats] , [land] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. D.A. Beck,
tegen
[naam gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaten: mrs. M.J.G. Boender-Lamers en P. Dhingra.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 9 juli 2025
- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 10 november 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De zaak in het kort

2.1.
[eiser] verwijt accountant [gedaagde] dat hij, als adviseur in een integriteitsonderzoek van de provincie Zuid-Holland, fouten heeft gemaakt. Deze fouten zijn deels ook door de tuchtrechter vastgesteld. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] in deze fouten volhard en is hij [eiser] vervolgens ook elders verdacht gaan (laten) maken. [eiser] beschouwt dit handelen als een onrechtmatige persoonlijke kruistocht tegen hem en wil dat de rechtbank bepaalt dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de kosten van de procedures die [eiser] heeft moeten voeren om een en ander recht te zetten. De rechtbank oordeelt dat daarvoor geen grond bestaat. De meeste verwijten houden geen stand. Voor zover de verwijten wel terecht zijn, is de schade daarvan geen gevolg. De vorderingen van [eiser] zullen daarom worden afgewezen. De rechtbank legt dit hierna uit.

3.De feiten

3.1.
[eiser] is advocaat en was bestuurder van de stichting Monumentenstichting Kasteel Oud-Wassenaar (MKOW), de eigenaar van dat kasteel.
3.2.
Op 20 december 2011 heeft [eiser]
pro seeen overeenkomst met MKOW gesloten op grond waarvan hij een recht op koop van het kasteel verkreeg voor de WOZ-waarde, verhoogd met € 20.000,00.
3.3.
Op 25 augustus 2016 hebben Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland (GS) aan MKOW een subsidie verleend van € 200.000,00 ter bekostiging van restauratiewerk aan het kasteel. Op 2 september 2019 is deze subsidie vastgesteld op een bedrag van € 62.491,00, het meerdere was niet besteed.
3.4.
Uit een inventarislijst die aan [eiser] is verstrekt in het kader van een verzoek om openbaarmaking van publieke informatie, volgt dat op 13 februari 2020 een Memo van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed over kasteel Oud-Wassenaar definitief is geworden en dat het bureau Cultuur en Vrije Tijd bij e-mail van 17 februari 2020 heeft gevraagd om op de voet van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Bibob) een onderzoek te starten naar MKOW.
3.5.
Bij brief van 24 februari 2020 hebben GS [eiser] gevraagd om in het kader van de verleende subsidie zogeheten Bibob-formulieren in te vullen. Een dag later heeft [eiser] de formulieren ingevuld retour gezonden.
3.6.
[gedaagde] is registeraccountant en adviseert als zelfstandige overheden over toepassing van de Wet Bibob. Op 18 maart 2020 hebben GS [gedaagde] gevraagd om te ondersteunen in het Bibob-onderzoek in verband met de subsidieverlening.
3.7.
Bij brief van 21 april 2020 hebben GS aan MKOW laten weten dat binnen 14 dagen bepaalde vragen op de Bibob-formulieren alsnog beantwoord moeten worden en dat bepaalde bewijsstukken moeten worden aangeleverd, bij gebreke waarvan de subsidie zal worden ingetrokken.
3.8.
Op 17 mei 2020 heeft [gedaagde] aan GS gerapporteerd over het Bibob-onderzoek dat hij in verband met de subsidieverlening had verricht.
3.9.
Op 25 mei 2020 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [eiser] , [gedaagde] en [coördinator] , coördinator Bibob van de provincie Zuid-Holland. Het rapport van [gedaagde] was toen nog niet met [eiser] gedeeld.
3.10.
Bij besluit van 14 juli 2020 hebben GS de subsidie van € 62.491,00 ingetrokken op de grond dat ernstig gevaar bestaat dat deze mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen (art. 6 lid 1 en Pro art. 3 lid 1 aanhef Pro en onder b van de Wet Bibob). Op 7 augustus 2020 heeft MKOW bezwaar gemaakt tegen dat besluit.
3.11.
Op 2 september 2020 heeft [gedaagde] zijn rapport aangevuld, maar daarop de datum,
17 mei 2020, niet gewijzigd.
3.12.
Op 10 september 2020 hebben GS het Landelijk Bureau Bibob (LBB) om advies gevraagd over de intrekking van de subsidie.
3.13.
Op 20 oktober 2020 heeft [gedaagde] voor GS een notitie opgesteld waarin hij reageert op het debat in de bezwaarprocedure. Daarin komt [gedaagde] terug van zijn eerdere constatering dat te weinig omzetbelasting is afgedragen, in die zin dat als het klopt dat niet MKOW maar Stichting Kasteel Oud-Wassenaar (SKOW) huurfacturen heeft verstuurd, zoals [eiser] in bezwaar stelt, MKOW over de jaren 2016, 2017 en 2018 niet voor een bedrag van € 12.810,00 te weinig omzetbelasting heeft afgedragen, zoals [gedaagde] aanvankelijk had gerapporteerd in zijn rapport van 17 mei 2020.
3.14.
Op 22 oktober 2020 heeft een eerste hoorzitting in de bezwaarprocedure plaatsgevonden. [gedaagde] heeft daar bevestigd dat de (handgeschreven) huurfacturen niet van MKOW afkomstig zijn maar van SKOW. MKOW heeft daar opgeworpen dat [gedaagde] in zijn rapport tien facturen over 2017 dubbel heeft geteld en een factuur voor een bedrag van € 1.000,00 te hoog heeft vermeld.
3.15.
Op 23 november 2020 heeft Charter Real Estate B.V. (CRE) een principeverzoek bij de gemeente Wassenaar ingediend voor de herontwikkeling van het kasteel.
3.16.
Bij rapport van 19 maart 2021 heeft het LBB geadviseerd. Geconcludeerd werd dat er geen gevaar is gebleken dat de ontvangen subsidie mede gebruikt zal worden om uit strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, dan wel dat de ontvangen subsidie mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen (art. 3 lid 1 aanhef Pro en onder a respectievelijk b van de Wet Bibob).
3.17.
In het voorjaar van 2021 zijn er verkennende contacten geweest tussen CRE en de gemeente Wassenaar over aankoop en herontwikkeling van het kasteel.
3.18.
In opdracht van [eiser] heeft [bedrijf] (TFS) op
29 maart 2021 gerapporteerd over de bevindingen van [gedaagde] . In haar rapport bevestigt TFS dat [gedaagde] de in 3.14. bedoelde (reken)fouten heeft gemaakt.
3.19.
Op 14 juli 2021 is een koopovereenkomst tussen MKOW en CRE betreffende het kasteel bij het kadaster ingeschreven. De koopprijs is daarop weggelakt.
3.20.
Van 30 juli 2021 dateert een memo waarin [gedaagde] het advies van het LBB bespreekt op basis van vragen van de bezwarencommissie van de provincie Zuid-Holland aan GS. [gedaagde] concludeert dat het advies niet steunt op zorgvuldig onderzoek en daarom terzijde moet worden gelegd. Het LBB heeft niet alle relevante aspecten voldoende onderzocht en relevante feiten niet meegewogen bij de beoordeling van het gevaarvereiste, aldus [gedaagde] .
3.21.
Bij uitspraak van 30 augustus 2021 heeft de Accountantskamer te Zwolle aan [gedaagde] de maatregel van berisping opgelegd. De klacht van MKOW, [eiser] en B.V. Exploitatie Kasteel Oud-Wassenaar (BVEKOW), dat [gedaagde] zijn rapport voorafgaand aan het gesprek op 25 mei 2020 ten onrechte niet met hen heeft gedeeld, is gegrond bevonden. Dat geldt ook voor de klachten dat het rapport ten onrechte vermeldt dat over 2016 tot en met 2018 te weinig omzet is opgegeven en daardoor te weinig vennootschapsbelasting is betaald, en dat MKOW onterecht omzetbelasting in rekening heeft gebracht.
3.22.
Bij e-mail van 7 september 2021 heeft [gedaagde] aan GS laten weten dat hij zijn werkzaamheden neerlegt, omdat hij vanwege de berisping door de Accountantskamer een persoonlijk belang heeft gekregen bij de zaak.
3.23.
Blijkens de inventarislijst is op 13 september 2021 een e-mail verzonden met daarbij een afschrift van een bij het kadaster ingeschreven koopovereenkomst tussen MKOW en [eiser] betreffende het kasteel, die een koopprijs € 825.000,00 vermeldt.
3.24.
Bij brief van 17 september 2021 heeft [ambtenaar] namens de gemeente Wassenaar aan CRE gevraagd om een vragenformulier in te vullen in het kader van een integriteitsonderzoek in verband met de aankoop van het kasteel. Blijkens die brief is een gesprek voorzien op 22 september 2021.
3.25.
Bij brief van 20 september 2021 heeft [ambtenaar] namens [gedaagde] aan [eiser] bericht dat [gedaagde] hem als advocaat een tuchtrechtelijk verwijt van belangenverstrengeling maakt en voorts dat hij de deken om bemiddeling zal vragen als [eiser] niet ophoudt als advocaat (-gemachtigde) van [eiser] , MKOW en BVEKOW op te treden.
3.26.
CRE heeft aan [eiser] laten weten dat tijdens het gesprek op
22 september 2021 aan [ambtenaar] ter hand is gesteld een kopie van de koopovereenkomst tussen MKOW en CRE betreffende het kasteel van 14 juli 2021, waarin de koopprijs van € 3.500.000,00 niet was weggelakt.
3.27.
Bij brief van 30 september 2021 heeft [ambtenaar] namens [gedaagde] aan procureur-generaal Hofstee bericht dat [gedaagde] zich gesteld ziet voor de vraag of hij, gelet op zijn geheimhoudingsverplichting ingevolge art. 28 lid 1 Wet Pro Bibob, in het hoger beroep tegen de uitspraak van de Accountantskamer, gegevens die hij in het onderzoek op grond van de Wet Bibob heeft verkregen, mag delen met zijn gemachtigde, [ambtenaar] , en met de Accountantskamer en voorts of hij deze gegevens als bewijsmiddel mag gebruiken in dat hoger beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb).
3.28.
In een memo van [ambtenaar] aan de burgemeester van Wassenaar van
10 oktober 2021 staat dat MKOW volgens haar statuten niet bevoegd is het kasteel te verkopen en dat de eigendomsoverdracht daarom nietig is, en voorts dat de gemeente al beschikt over een advies om de bestuurder van MKOW te ontslaan.
3.29.
Op 25 november 2021 heeft een tweede hoorzitting in de bezwaarprocedure over intrekking van de subsidie plaatsgevonden. [gedaagde] was daar niet bij.
3.30.
Bij verzoekschrift van 19 januari 2022 heeft het Openbaar Ministerie op de voet van art. 2:298 BW Pro aan de Rechtbank Den Haag verzocht om [eiser] als bestuurder van MKOW te schorsen en te ontslaan. Daaraan is kort gezegd ten grondslag gelegd dat [eiser] als enig bestuurder van MKOW het kasteel aan zichzelf heeft verkocht en overgedragen en vervolgens aan een derde heeft doorverkocht en geleverd voor € 2.650.000,00 meer, en aldus zichzelf ten koste van MKOW heeft verrijkt en heeft gehandeld in strijd met de wet en de statuten van MKOW.
3.31.
Bij beschikking van 21 januari 2022 heeft de Rechtbank Den Haag [eiser] als bestuurder van MKOW geschorst.
3.32.
Bij brief van 25 maart 2022 heeft de bezwarencommissie van de provincie Zuid-Holland GS geadviseerd over het bezwaar tegen het besluit tot intrekking van de subsidie. Zij concludeert dat de subsidie ten onrechte is ingetrokken en dat het intrekkingsbesluit om die reden niet in stand kan blijven. Er is onvoldoende grond om te concluderen dat sprake is van een ernstig gevaar dat [eiser] in relatie staat tot strafbare feiten, zoals bedoeld in de Wet Bibob, aldus de commissie.
3.33.
Een tweede tuchtklacht van MKOW, BVEKOW en [eiser] tegen [gedaagde] heeft de Accountantskamer bij uitspraak van 11 april 2022 ongegrond bevonden.
3.34.
Bij beschikking van 25 oktober 2022 heeft de Rechtbank Den Haag [eiser] ontslagen als bestuurder van MKOW.
3.35.
Bij uitspraak van 19 december 2023 heeft het CBb het hoger beroep van [gedaagde] tegen de uitspraak van de Accountantskamer van 30 augustus 2021 ongegrond verklaard.
3.36.
Bij beschikking van 19 december 2023 heeft het Gerechtshof Den Haag de tot schorsing en ontslag van [eiser] strekkende beschikkingen van de Rechtbank Den Haag van 21 januari 2022 en 25 oktober 2022 bekrachtigd.
3.37.
Bij besluit op bezwaar van 9 januari 2024 hebben GS het besluit van 14 juli 2020 tot intrekking van de subsidie herroepen, zodat MKOW die niet terug hoeft te betalen. Daartoe is overwogen dat weliswaar ernstig gevaar bestond dat de subsidie mede zou worden gebruikt om strafbare feiten te plegen, maar dat dit gevaar is geweken met het ontslag van [eiser] als bestuurder van MKOW.
3.38.
In het najaar van 2024 heeft MKOW aan [eiser] laten weten dat zij hem wegens wanbeleid aansprakelijk houdt voor schade ter hoogte van € 700.000,00.
3.39.
Bij uitspraak van 19 november 2024 heeft het CBb het hoger beroep van [eiser] tegen de uitspraak van de Accountantskamer van 11 april 2022 ongegrond verklaard.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert dat de rechtbank [gedaagde] , uitvoerbaar bij voorraad, zal veroordelen tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat, ten aanzien van,
- de kosten van verdediging in de Bibob-zaak en de daaraan annexe procedures bij de Accountantskamer en in hoger beroep bij de CBb, en voorts van de Wob- en Woo-procedures,
- de kosten van verdediging in de procedure leidende tot schorsing en ontslag van [eiser] , en
- de kosten van verdediging in de door MKOW geëntameerde aansprakelijkheidsprocedure,
welke kosten in alle gevallen bestaan uit een vergoeding van € 300,00 per uur voor werkzaamheden van [eiser] , vermeerderd met de kosten van externe verleners van rechtsbijstand en adviseurs, en vermeerderd met verdere materiële kosten,
met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
4.2.
Aan zijn vordering legt [eiser] ten grondslag dat [gedaagde] jegens hem onzorgvuldig en daarom onrechtmatig heeft gehandeld, door (in strijd met krachtens art. 2 en Pro 3 van de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA) toepasselijke fundamentele beginselen):
a. a) ter zake van de door hem geconstateerde gebrekkige opgave van omzet- en vennootschapsbelasting door MKOW fouten te maken in zijn rapport voor GS,
b) voorafgaand aan het gesprek op 25 mei 2020 [eiser] niet in het bezit te stellen van dit rapport,
c) GS niet (tijdig) over de fouten in zijn rapport te informeren en die fouten, na het LBB-advies van 19 maart 2021 en de uitspraak van de Accountantskamer van 30 augustus 2021, te minimaliseren in zijn rapportage aan GS,
d) [eiser] te bedreigen met een dekenklacht als hij zich niet zou terugtrekken als vertegenwoordiger van MKOW en BVEKOW,
e) documenten over verkoop van het kasteel aan CRE, door [ambtenaar] vertrouwelijk van CRE verkregen in het integriteitsonderzoek naar CRE, door te spelen aan de Provincie Zuid-Holland te behoeve van de Bibob-procedure tegen MKOW en aan het Openbaar Ministerie ten behoeve van een ontslagprocedure tegen [eiser] ,
f) uit te lokken dat [ambtenaar] namens de gemeente Wassenaar dit integriteitsonderzoek naar CRE ging doen en vervolgens, als forensisch accountant van de Belastingdienst in het kader van het samenwerkingsverband RIEC Den Haag, op de ontslagprocedure heeft aangestuurd,
g) als accountant is doorgegaan met onderzoek naar [eiser] terwijl er twee tuchtklachten tegen hem liepen.
4.3.
[gedaagde] voert verweer. Hij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

De rechtbank is bevoegd en Nederlands recht is van toepassing
5.1.
In deze zaak met internationale aspecten heeft de rechtbank rechtsmacht op grond van art. 4 van Pro de Brussel I-bis Verordening (nr. 1512/2012), nu [gedaagde] in Nederland woont. De gestelde schade doet zich in Nederland voor, nu de proceskosten in Nederland gemaakt zijn c.q. worden. Ingevolge art. 4 lid 1 van Pro de Rome-II Verordening (nr. 864/2007) moet de vordering dan naar Nederlands recht worden beoordeeld.
Heeft [gedaagde] onrechtmatig gehandeld?
5.2.
Niet in geschil is dat de rechtbank moet beoordelen of [gedaagde] jegens [eiser] heeft gehandeld in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt en aldus een onrechtmatige daad heeft gepleegd. Daarbij is in de eerste plaats van belang of het verweten handelen feitelijk kan worden vastgesteld.
5.3.
De concrete verwijten die [eiser] [gedaagde] maakt, zullen hierna worden besproken, aan de hand van de opsomming ervan in 4.2. en te beginnen bij het sub c) bedoelde verwijt.
Gebrekkig informeren over fouten
5.4.
Over het verwijt sub c) overweegt de rechtbank het volgende. Blijkens randnummer 143 van de dagvaarding heeft [eiser] hier het oog op gebrekkig informeren van GS tijdens de procedure op bezwaar tegen het besluit tot intrekking van de vergunning op 14 juli 2020. Dat [gedaagde] GS na de uitspraak van de Accountantskamer van 30 augustus 2021 nog heeft geïnformeerd heeft [eiser] onvoldoende gemotiveerd gesteld. Dat dit gebrekkig is gebeurd, kan dan ook niet worden vastgesteld.
5.5.
Ter zitting heeft [gedaagde] verklaard dat hij de fouten in zijn rapporten van 17 mei en 2 september 2020 heeft verbeterd in zijn latere notitie van 30 juli 2021. Deze verklaring wordt ondersteund door het volgende. In zijn memo voor GS van 20 oktober 2020 heeft [gedaagde] onderaan pagina 2 vermeld dat zijn verwijt dat MKOW over 2016, 2017 en 2018 € 12.810,00 te weinig omzetbelasting heeft afgedragen vervalt, indien niet MKOW, maar SKOW aan BVEKOW heeft gefactureerd. Tijdens de eerste hoorzitting in bezwaar op 22 oktober 2020 heeft [gedaagde] , blijkens de een na laatste alinea van pagina 9 van het daarvan gemaakte verslag bevestigd dat zijn rapport in deze zin niet klopt. Uit de eerste alinea van pagina 16 volgt dat [gedaagde] toen ook heeft aangegeven dat hij de dubbeltelling van de factuur van [cateringsbedrijf] heeft hersteld in zijn memo van 20 oktober 2020. Blijkens pagina 21, de tweede alinea van onderen, heeft [gedaagde] toen bovendien erkend dat zijn spreadsheet een verschrijving van € 1.000,00 bevat. Verder merkt hij daar op dat hij de spreadsheet, waarmee hij blijkens de middelste alinea op pagina 15 van het verslag doelt op zijn oorspronkelijke spreadsheet, aan de kant had gelegd en vervangen door het overzicht van facturen en inkomsten op pagina 6 van zijn memo van 20 oktober 2020. Na het LBB-advies van 19 maart 2021 heeft [gedaagde] op 30 juli 2021 nog een memo voor GS opgesteld. Onderaan pagina 12 van dat memo heeft [gedaagde] nog eens bevestigd dat het verwijt dat MKOW € 12.810,00 te weinig omzetbelasting heeft afgedragen vervalt. Dit memo bevat op pagina 18 en 19 hetzelfde overzicht als was opgenomen op pagina 6 van het memo van 20 oktober 2020. Dat dit memo nog wel de eerder gemaakte fouten bevat heeft [eiser] niet (voldoende gemotiveerd) gesteld, zodat dit niet kan worden vastgesteld.
5.6.
Hieruit moet worden afgeleid dat [gedaagde] zijn fouten niet heeft genegeerd of geminimaliseerd, maar integendeel GS in de bezwaarfase juist heeft geïnformeerd over de cijfermatige fouten in zijn aanvankelijke rapporten en in zijn latere memo’s gecorrigeerde cijfers heeft gebruikt. Anders dan [eiser] onvoldoende gemotiveerd stelt, is het dus niet zo dat een fout rapport van [gedaagde] leidend is gebleven in de bezwaarprocedure. De gecorrigeerde cijfers hebben [gedaagde] alleen niet tot andere conclusies gebracht. Niet valt in te zien waarom [gedaagde] GS indringender op zijn fouten had moeten wijzen of daarvoor anderszins expliciet de verantwoordelijkheid had moeten nemen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het maken van de fouten in de hand werd gewerkt door de administratie van MKOW, die (in elk geval voor [gedaagde] ) niet overzichtelijk was. Dat [gedaagde] heeft geadviseerd om het LBB-advies niet te volgen, doet aan het voorgaande niet af. [eiser] heeft, hoewel hij het met de strekking ervan niet eens is, niet gewezen op concrete (reken)fouten in dat advies van [gedaagde] van 30 juli 2021. [eiser] verwijt [gedaagde] in dit verband nog wel dat hij in dat advies niet heeft vermeld dat GS zijn eerdere rapport zelf aan het LBB hadden toegezonden. Dat kan echter niet onzorgvuldig worden genoemd. GS mag worden geacht te weten wat zij zelf hebben gedaan.
Dreigen met een dekenklacht
5.7.
Ter zake van het verwijt sub d) geldt het volgende. In de brief waar het hier om gaat, heeft [ambtenaar] namens [gedaagde] kort gezegd aan [eiser] bericht dat een advocaat die in deze hoedanigheid optreedt voor een vennootschap waarvan hij zelf bestuurder is, tuchtrechtelijk verwijtbaar handelt, omdat hij dan een eigen belang heeft bij dat optreden. [eiser] is daarbij te kennen gegeven dat de kwestie bij de deken zal worden aangekaart als hij niet ophoudt als advocaat op te treden van MKOW en BVEKOW in hun aansprakelijkheidszaak tegen [gedaagde] .
5.8.
Begrijpelijk is dat de brief op [eiser] is overgekomen als een drukmiddel. Zo was deze brief kennelijk ook bedoeld. Het stond [gedaagde] echter vrij om gebruik te maken van zijn recht een tuchtklacht tegen [eiser] in te dienen en ook om [eiser] de gelegenheid te geven een dergelijke klacht te voorkomen. Omdat MKOW en BVEKOW een andere advocaat in de arm konden nemen, kan dat niet worden beschouwd als een poging om (in strijd met art. 6 EVRM Pro) rechtsbijstand te ontnemen of om de procedure waarbij hij zelf betrokken is te beïnvloeden. Dit handelen van [gedaagde] kan daarom ook niet in strijd worden geacht met de gedragsregels dat een accountant zich onthoudt van handelen dat zijn beroep in diskrediet kan brengen en dat een accountant zich bij zijn afwegingen niet ongepast laat beïnvloeden (art. 4 en Pro art. 11 van Pro de VGBA).
5.9.
Niet valt voorts in te zien dat [gedaagde] met deze brief handelt in strijd met een geheimhoudingsplicht (uit art. 28 Wet Pro Bibob of art. 272 Sv Pro). De inhoud van de brief geeft er geen blijk van dat [gedaagde] ontoelaatbaar geheimen heeft gedeeld met [ambtenaar] . Dat [eiser] de advocaat was van MKOW en BVEKOW was geen geheim.
5.10.
De conclusie is dat [gedaagde] met het aankondigen van dekeninterventie geen fout heeft gemaakt.
Doorspelen documenten aan provincie en OM
5.11.
[gedaagde] betwist dat hij de ongelakte koopakte tussen MKOW en CRE heeft doorgezonden. [eiser] baseert deze stelling, die de kern is van het sub e) bedoelde verwijt, erop dat CRE de ongelakte akte aan [ambtenaar] heeft gegeven, die de akte aan [gedaagde] heeft gegeven, waarna [gedaagde] de akte heeft doorgespeeld aan de provincie Zuid-Holland en het Openbaar Ministerie. Met de ongelakte akte bedoelt hij de volledige tekst van de koopovereenkomst inclusief koopprijs.
5.12.
Dat [gedaagde] de ongelakte akte heeft ontvangen en heeft doorgespeeld, leidt [eiser] slechts af uit indirecte, algemene feiten en omstandigheden. Zo wijst hij erop dat [ambtenaar] en [gedaagde] een relatie hadden als advocaat en cliënt en als collega Bibob-docenten, dat [gedaagde] de contacten met GS onderhield en dat GS over de ongelakte akte beschikte. Dit is echter allerminst sluitend bewijs dat [gedaagde] deze akte in bezit heeft gekregen en (al dan niet indirect) heeft doorgespeeld. Integendeel, een concreet aanknopingspunt dat het daadwerkelijk zo is gegaan, of dat het doorspelen met medeweten en goedvinden van [gedaagde] door een ander is gedaan, heeft [eiser] niet aangedragen. Als onvoldoende gemotiveerd gesteld komt dan niet vast te staan dat [gedaagde] de ongelakte akte heeft doorgespeeld aan de provincie of aan het OM.
5.13.
In dit verband maakt [eiser] [gedaagde] nog het aanvullende verwijt dat hij zijn geheimhoudingsplicht uit art. 28 van Pro de Wet Bibob heeft geschonden door de uitspraak van de Accountantskamer van 30 augustus 2021 door [ambtenaar] aan procureur-generaal Hofstee te laten sturen, met een afschrift aan de informatieofficier Wet Bibob van het Openbaar Ministerie in Den Haag, met de overduidelijke bedoeling om het Bibob-onderzoek naar MKOW en BVEKOW onder de aandacht van het OM te brengen.
5.14.
In de betreffende brief van 30 september 2021 heeft [ambtenaar] namens [gedaagde] geponeerd dat, in verband met het in te stellen hoger beroep tegen de uitspraak van de Accountantskamer, de vraag voor ligt of het [gedaagde] , gegeven zijn geheimhoudingsplicht ex art. 28 Wet Pro Bibob, vrij staat om gegevens en documenten uit het Bibob-onderzoek te delen met zijn advocaat en/of met de Accountantskamer en het CBb. De uitspraak is volgens de brief meegestuurd om te illustreren dat [gedaagde] zich bij de Accountantskamer vanwege deze geheimhoudingsplicht niet behoorlijk heeft kunnen verweren. [gedaagde] heeft onweersproken toegelicht dat [ambtenaar] de brief na voorafgaand telefonisch overleg met de informatieofficier op advies van deze informatieofficier heeft verzonden. Dat het eigenlijke oogmerk van de brief was om het Bibob-onderzoek bij het OM te pitchen, ligt dan niet voor de hand.
5.15.
De rechtbank laat verder in het midden of de inhoud van de brief van [ambtenaar] van 30 september 2021 en het meesturen van de uitspraak van de Accountantskamer aan het OM meebrengt dat [gedaagde] in strijd met art. 28 Wet Pro Bibob heeft gehandeld. Tegenover de betwisting door [gedaagde] heeft [eiser] namelijk onvoldoende gemotiveerd dat de brief met bijlage schadelijke gevolgen heeft gehad. Er zijn geen aanknopingspunten gesteld dat de schorsing- en ontslagprocedure daadwerkelijk (mede) is voortgekomen uit althans (mede) is toegelicht door het OM aan de hand van de inhoud van en bijlage bij deze brief, in die zin dat de schorsing- en ontslagprocedure achterwege zou zijn gebleven indien de geheimhoudingsplicht niet zou zijn geschonden. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [eiser] zelf stelt dat de volledige koopovereenkomst inclusief koopsom het ‘doorslaggevende bewijsstuk’ was.
Uitlokken van Bibob-onderzoek CRE en aansturen op ontslag
5.16.
Sub f) verwijt [eiser] [gedaagde] dat hij heeft uitgelokt dat [ambtenaar] namens de gemeente Wassenaar Bibob-onderzoek naar CRE ging doen en vervolgens, als forensisch accountant van de Belastingdienst in het kader van het samenwerkingsverband RIEC Den Haag, op de ontslagprocedure heeft aangestuurd. [gedaagde] betwist dat hij dit heeft gedaan. Hij is niet werkzaam geweest voor het RIEC en heeft daar voor het laatst in 2017 een training gegeven. [eiser] heeft zijn stellingen op dit punt uitvoerig toegelicht, in hoofdstuk 3.6. van de dagvaarding en ter zitting. De rechtbank moet echter vaststellen dat daarin concrete aanknopingspunten ontbreken voor de juistheid van deze stellingen. Het is gebleven bij aannames, gebaseerd op indirecte aanwijzingen die geen van alle overtuigen, ook niet in onderling verband en samenhang bezien. [eiser] neemt bijvoorbeeld aan dat de “E-mail over informeren RIEC partners dat bij klachtprocedure mogelijk artikel 28 is Pro geschonden door …” van 8 oktober 2021 (nummer 490 op de inventarislijst) door [gedaagde] is verzonden. [gedaagde] heeft dat betwist en enige concrete aanwijzing voor de juistheid van deze aanname ontbreekt. Voor de aanname dat de e-mail “Informeren … & partners over uitkomst melding kadaster” van 12 november 2021 (nummer 501 op de inventarislijst) door [gedaagde] is verzonden, ontbreekt eveneens een concreet aanknopingspunt. Ook de feitelijke grondslag van dit verwijt kan dan niet worden vastgesteld.
Continueren onderzoek
5.17.
Dit verwijt ziet erop dat [gedaagde] volgens [eiser] als accountant is doorgegaan met onderzoek naar [eiser] terwijl er twee tuchtklachten tegen hem liepen. [gedaagde] had zijn werk als adviseur van GS inzake het Bibob-onderzoek naar de subsidieverlening, na de eerste tuchtklacht moeten neerleggen, aldus [eiser] sub g).
5.18.
De rechtbank constateert dat [gedaagde] GS een week na zijn berisping door de Accountantskamer heeft bericht dat hij zijn werkzaamheden neerlegt. Dat hij daarna, dus na 30 augustus 2021 nog heeft gewerkt als adviseur van GS inzake het Bibob-onderzoek naar de subsidieverlening, of, in de termen van [eiser] , jacht op hem heeft gemaakt, heeft [eiser] onvoldoende gemotiveerd gesteld. Hij heeft gewezen op een lijst e-mails van 25 oktober tot en met 25 november 2021 (met nummers 491 tot en met 502 op de inventarislijst). De aanname dat deze e-mails door [gedaagde] zijn verzonden, heeft [eiser] echter niet genoegzaam toegelicht, zodat daarvan niet kan worden uitgegaan.
5.19.
Wel staat vast dat [gedaagde] , nadat [eiser] zich bij brief van 19 januari 2021 bij de Accountantskamer over [gedaagde] had beklaagd, maar voor zijn berisping, nog voor GS heeft gewerkt in het dossier. Zijn memo over het LBB-advies dateert immers van 30 juli 2021. Zonder toelichting, die ontbreekt, valt echter niet in te zien dat het enkele feit dat de tuchtklacht is ingediend, onzorgvuldig zou maken dat [gedaagde] zijn werk heeft voortgezet tot het moment van zijn berisping. Dat zou immers betekenen dat accountant-adviseurs van overheden heel eenvoudig buiten spel zouden kunnen worden gezet, voor in ieder geval de duur van de tuchtprocedure. Al met al ziet de rechtbank dus ook voor dit verwijt onvoldoende basis.
Schending hoorplicht
5.20.
Het sub b) gemaakte verwijt baseert [eiser] op de verplichting van [gedaagde] om de betrokkene over bevindingen uit een persoonlijk onderzoek te horen alvorens daarover te rapporteren aan zijn opdrachtgever, zoals neergelegd in Handreiking 1112 van de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA). [gedaagde] had [eiser] in de gelegenheid moeten stellen om kennis te nemen van en te reageren op zijn bevindingen, die waren gebaseerd op informatie van GS en op de resultaten van eigen persoonlijk onderzoek. Door dat niet te doen, maar die bevindingen wel te delen met GS en [eiser] daarover vervolgens rauwelijks te horen op 25 mei 2020, handelde [gedaagde] onzorgvuldig, aldus [eiser] . Hij beroept zich daarbij op de uitspraak van de Accountantskamer van 30 augustus 2021.
5.21.
[gedaagde] erkent deze omissie, maar werpt op dat [eiser] op 21 april 2020 al op hoofdlijnen was geïnformeerd over zijn bevindingen. Het gaat dan om de brief van GS waarin om beantwoording van bepaalde vragen wordt verzocht en om het aanleveren van bepaalde bewijsstukken. Hiermee miskent [gedaagde] dat de gedragsregel ertoe verplicht zijn bevindingen pas na het geïnformeerd horen van de betrokkene tegen wie een persoonsgericht onderzoek wordt verricht in handen te geven van de opdrachtgever. De strekking van deze regel is kennelijk mede dat onjuistheden in die bevindingen op voorhand kunnen worden gecorrigeerd, zodat de opdrachtgever een correct rapport zal ontvangen, zonder onterechte verwijten. De voormelde brief van GS bevat bovendien welbeschouwd geen van de verwijten uit het rapport van [gedaagde] van 17 mei 2020, ook niet de hoofdlijnen ervan. Het gaat slechts om neutraal geformuleerde vragen om nadere informatie. Dat er een andere brief is van eerdere datum waarin wel concrete verwijten staan, zoals [gedaagde] ter zitting heeft opgeworpen, heeft hij onvoldoende gemotiveerd gesteld.
5.22.
Dat deze omissie niet onrechtmatig zou zijn omdat [eiser] daardoor niet is benadeeld, kan de rechtbank niet volgen. Goed voorstelbaar is dat zonder deze omissie de aanvankelijke rapportage geen fouten zou hebben bevat en GS toen dus geen onterechte verwijten aan het adres van [eiser] in handen zou hebben gekregen. Het gaat erom dat het handelen van [gedaagde] aan [eiser] de mogelijkheid heeft ontnomen informatie te verschaffen vóór het delen van de verwijten met GS.
5.23.
Voor het overige is niet betwist dat [gedaagde] in de gestelde zin onzorgvuldig heeft gehandeld. Daarvan wordt dan uitgegaan. Omdat de geschonden norm mede ertoe strekt fouten in rapportages aan opdrachtgevers over persoonsgericht onderzoek te voorkomen, dergelijke fouten hier zijn gemaakt en vergoeding van de schadelijke gevolgen daarvan wordt gevorderd, is aan de eis van relativiteit uit art. 6:163 BW Pro voldaan. Iets anders is of de schade die [eiser] vergoed wil zien ook daadwerkelijk het gevolg is van deze onrechtmatige omissie. Zie daarover vanaf r.o. 5.28.
(Reken)fouten in de oorspronkelijke rapportages
5.24.
Ter zake van het sub a) aan [gedaagde] gemaakte verwijt geldt het volgende. Vaststaat dat, zoals [eiser] in dit verband stelt, de aanvankelijke rapportages van [gedaagde] (reken)fouten bevatten, zoals de tuchtrechter heeft geconstateerd in de uitspraak van 30 augustus 2021. Het gaat dan om het dubbel tellen van 10 facturen ad in totaal € 10.841,50 inclusief btw, overnemen van een factuurbedrag voor € 1.000,00 meer dan op die rekening is vermeld en onvermeld laten dat € 3.630,00 aan niet geboekte omzet in 2016 wel in 2017 is geboekt. [gedaagde] heeft aldus te veel omzet aangenomen en heeft dus ook ten onrechte geconcludeerd dat voor de desbetreffende bedragen te weinig vennootschapsbelasting is betaald. [gedaagde] heeft ten slotte ten onrechte aangenomen dat MKOW over 2016, 2017 en 2018 € 12.810,00 te weinig omzetbelasting heeft afgedragen.
5.25.
[eiser] suggereert dat [gedaagde] deze fouten met opzet heeft gemaakt, om voor GS een Bibob-grond te construeren, zodat GS [eiser] uit het bestuur van MKOW zouden kunnen werken. Voor deze vergaande suggestie heeft [eiser] echter onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld. Daarvan kan niet worden uitgegaan. Dat [gedaagde] de fouten heeft gemaakt, is niettemin tegenover [eiser] onzorgvuldig te achten in de hierboven in 5.2. bedoelde zin. Het onderzoek betrof weliswaar MKOW, aan wie de subsidie was verleend, maar [eiser] was haar (enige) bestuurder, zodat de rapporten feitelijk zijn handelen betroffen. [gedaagde] wist dat. [gedaagde] moet zich, als adviseur van GS in het Bibob-onderzoek naar de subsidieverlening aan MKOW, ook hebben gerealiseerd dat zijn bevindingen GS aanleiding zouden kunnen geven om de integriteit van [eiser] negatief te beoordelen, een ernstige consequentie. [gedaagde] kan zich in dit verband niet achter GS verschuilen. Van een redelijk handelend en bekwaam Bibob-adviseur, die tevens registeraccountant is, mag worden verwacht dat hij, juist ook ter bescherming van de belangen van de natuurlijke persoon in kwestie, de hiervoor vastgestelde elementaire fouten niet maakt. Deze door [gedaagde] geschonden zorgvuldigheidsnorm strekt tot bescherming tegen de schade zoals door [eiser] gesteld.
5.26.
[gedaagde] werpt nog op dat hij niet over alle relevante administratie beschikte toen hij zijn aanvankelijke rapportages uitbracht, waarmee hij erop doelt dat MKOW en SKOW geen behoorlijke financiële administratie voerden, wat heeft geleid tot een verkeerde interpretatie van facturen. Dit doet aan het voorgaande echter niet af. Ook dan mocht van [gedaagde] worden verwacht dat hij facturen niet dubbel telde, een factuurbedrag niet verkeerd overnam en een verantwoording in het verkeerde jaar rapporteerde.
5.27.
Wat betreft de € 12.810,00 te weinig afgedragen omzetbelasting is in dit verband het volgende van belang. [gedaagde] is er aanvankelijk van uitgegaan dat de handgeschreven facturen door MKOW waren verzonden. Zoals in 5.5. is overwogen bleek hem later echter dat de facturen afkomstig waren van SKOW, zodat dit verwijt niet op ging. Mogelijk valt het [gedaagde] niet aan te rekenen dat hij dit destijds vanwege de staat van de administratie van MKOW en SKOW niet meteen goed heeft gezien. Echter, juist ter vermijding van vergissingen als deze schrijven de gedragsvoorschriften van zijn beroepsgroep voor dat de betrokkene moet worden gehoord alvorens aan de opdrachtgever wordt gerapporteerd. Zoals in 5.23. is vastgesteld heeft [gedaagde] zich ten onrechte niet aan deze regel gehouden. Bij zorgvuldig handelen door [gedaagde] zou ook deze fout dus niet zijn gemaakt. Dat [gedaagde] de fout heeft gemaakt is dan onzorgvuldig, ook als die mogelijk deels in de hand werd gewerkt door een gebrekkige administratie.
Causaal verband
5.28.
Vervolgens is de vraag of de schade waarvan [eiser] vergoeding verlangt het gevolg is van het onrechtmatig handelen, zoals dat is vastgesteld in 5.23. en 5.25. Met andere woorden, waren de kosten van rechtsbijstand en de materiële kosten die [eiser] vergoed wil zien vermeden als [gedaagde] [eiser] wel had gehoord naar aanleiding van zijn voorlopige bevindingen en daarna aan GS zou hebben gerapporteerd zonder de in 5.24. bedoelde fouten?
5.29.
In dit verband is in de eerste plaats van belang dat GS, al voordat zij [gedaagde] op 18 maart 2020 inschakelden, tot het Bibob-onderzoek hadden besloten en dat onderzoek in gang hadden gezet met het verzoek aan [eiser] om Bibob-formulieren in te vullen. GS zagen kennelijk zelf termen voor het beginnen en uitvoeren van dat onderzoek. Verder moet worden geconstateerd dat de rapporten van [gedaagde] van 17 mei en 2 september 2020 weliswaar cijfermatige fouten en dus onterechte verwijten bevatten, maar dat daarin ook vele andere bevindingen staan die serieuze integriteitsvragen doen rijzen, welke bevindingen ook in het intrekkingsbesluit zijn verwerkt. In de bezwaarfase is [eiser] uitgebreid gehoord en zijn de fouten alsnog gecorrigeerd, zoals in 5.5. uiteen is gezet. GS zijn zich niettemin en ondanks de adviezen van het LBB en de bezwarencommissie en het staken van de bemoeienissen van [gedaagde] , tot in het besluit op bezwaar op het standpunt blijven stellen dat de subsidie terecht op grond van de Wet Bibob was ingetrokken. Of die beslissing juist is, staat in deze procedure niet ter beoordeling. Deze feitelijke gang van zaken maakt evenwel aannemelijk dat, zoals [gedaagde] opwerpt, in de hypothetische situatie, dus zonder onzorgvuldig handelen van [gedaagde] , de subsidie ook zou zijn ingetrokken, met alle gevolgen van dien.
5.30.
[eiser] , op wie stelplicht en bewijslast van
condicio sine qua nonverband rusten, heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om vast te kunnen stellen dat het anders zou zijn gelopen als de fouten van [gedaagde] die in dit vonnis zijn komen vast te staan, worden weggedacht. [eiser] stelt weliswaar dat zonder het onrechtmatig optreden van [gedaagde] het intrekkingsbesluit niet zou zijn genomen, hij niet uit het bestuur van MKOW zou zijn verwijderd en hij geen claim wegens wanbeleid aan zijn broek zou hebben gekregen en daarom ook geen kosten voor verweer had hoeven maken, maar waarop hij dat baseert licht hij, in het licht van het voorgaande, onvoldoende toe.
5.31.
Zo stelt [eiser] dat de beslissing van de Accountantskamer van 30 augustus 2021 de grondslag onder de Bibob-beoordeling volledig onderuithaalde, maar dit onderbouwt hij in de dagvaarding verder niet, terwijl zoals gezegd het intrekkingsbesluit niet alleen op de onterecht gebleken verwijten lijkt te zijn gebaseerd en de juistheid van dat besluit materieel is gehandhaafd door GS, ook nadat van de onterechte verwijten was gebleken.
5.32.
Ter zitting heeft [eiser] met een beroep op het advies van de bezwaarcommissie en op het besluit op bezwaar wel nog gesteld dat de fiscale vergrijpen waarop het gevaar van art. 3 Wet Pro Bibob is gegrond puur gebaseerd zijn op de foute bevindingen van [gedaagde] . [gedaagde] heeft dit betwist, onder meer onder verwijzing naar zijn rapport van 30 juli 2021, en ook deze stelling heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd. Gegeven de gemotiveerde betwisting, alle bevindingen van [gedaagde] en de motivering van het intrekkingsbesluit lag het op de weg van [eiser] te demonsteren dat louter de later onterecht gebleken verwijten reden waren voor dat besluit. Dat heeft hij niet gedaan. Het is ook niet zo dat de bezwarencommissie alle AWR-feiten van tafel heeft geveegd. Zij was alleen van mening dat op basis van de AWR-feiten geen Bibob-gevaar kon worden vastgesteld en heeft de vraag of overtredingen van de AWR hebben plaatsgevonden expliciet in het midden gelaten. Bovendien laat dit alles onverlet dat GS zich, ondanks de uitspraak van de Accountantskamer en het advies van de bezwaarcommissie, hoe dan ook op het standpunt zijn blijven stellen dat er een toereikende Bibob-grond voor intrekking was, ook nadat [gedaagde] zijn advieswerk had neergelegd.
5.33.
Niet kan dan worden vastgesteld dat de kosten van rechtsbijstand en de materiële kosten die [eiser] vergoed wil zien, zouden zijn vermeden als [gedaagde] [eiser] wel had gehoord over zijn voorlopige bevindingen en daarna aan GS zou hebben gerapporteerd zonder de in 5.24. bedoelde fouten. Dit met uitzondering van de kosten van de eerste tuchtrechtelijke procedure, nu die kosten zonder fouten van [gedaagde] niet gemaakt zouden zijn. Deze kosten zijn gemaakt ter vaststelling van aansprakelijkheid in de zin van art. 6:96 lid 2 aanhef Pro en sub b BW en zijn dus slechts toewijsbaar voor zover het redelijk was om ze te maken. Zoals [gedaagde] opwerpt kan een tuchtrechtelijke procedure als uitgangspunt niet worden aangemerkt als een redelijke maatregel ter vaststelling van aansprakelijkheid. Zie daarvoor Hoge Raad 10 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0690, r.o. 3.3. [eiser] heeft niet gesteld dat en waarom in deze zaak van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. Ook de kosten van de eerste tuchtrechtelijke procedure zijn dan niet toewijsbaar.
Slotsom en proceskosten.
5.34.
Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] weliswaar onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld, maar dat de mogelijkheid van schade als gevolg daarvan niet aannemelijk is geworden. De gevorderde veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat is dan niet toewijsbaar. Bij deze stand van zaken heeft [eiser] onvoldoende belang bij de gevorderde verklaring voor recht. Het gevorderde moet dan integraal worden afgewezen.
5.35.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
331,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.826,00
5.36.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.826,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten, vanaf 5 maart 2026 tot de dag van volledige betaling,
6.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.L. van de Sande en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.
512/1906