ECLI:NL:RBGEL:2026:1768

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
140808-24
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38v SrArt. 38w SrArt. 285b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor belaging met gevangenisstraf en contactverbod

De rechtbank Gelderland heeft verdachte veroordeeld voor belaging (stalking) van zijn ex-partner over de periode van juni 2023 tot april 2024. Verdachte heeft zijn ex-partner veelvuldig gebeld vanuit de penitentiaire inrichting en via medegedetineerden geprobeerd contact te leggen, ondanks eerdere veroordelingen voor soortgelijk gedrag.

De rechtbank sprak verdachte vrij van de beschuldigingen dat hij medegedetineerden geld zou hebben aangeboden om zijn ex-vrouw te mishandelen of de ruiten van haar woning te vernielen, vanwege onvoldoende bewijs. Wel werd bewezen verklaard dat verdachte stelselmatig en opzettelijk de persoonlijke levenssfeer van zijn ex-partner heeft geschonden.

De rechtbank oordeelde dat de ernst van het feit en het recidivepatroon een gevangenisstraf van één jaar rechtvaardigen, met aftrek van het voorarrest. Een tbs-maatregel werd niet proportioneel geacht vanwege het ontbreken van een ernstig psychiatrisch ziektebeeld en de weigering van verdachte tot medewerking aan onderzoek.

Daarnaast legde de rechtbank een contactverbod op voor drie jaar met een vervangende hechtenis bij overtreding, om de slachtoffers te beschermen. Ook werden eerdere voorwaardelijke straffen ten uitvoer gelegd en de proeftijd verlengd. Het vonnis werd uitgesproken op 19 februari 2026 door de meervoudige kamer van de rechtbank Gelderland.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot één jaar gevangenisstraf en een contactverbod van drie jaar wegens belaging.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05.140808.24
Datum uitspraak : 19 februari 2026
Tegenspraak
verkort vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1963 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres], [postcode] in [woonplaats],
op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats].
Raadsman: mr. W. Vahl, advocaat in Barneveld.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging/tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1
hij in of omstreeks de periode van 16 juni 2023 tot en met 2 april 2024 te Barneveld en/of [plaats] en/of [verblijfplaats] en/of Voorthuizen, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer], door:
- die [slachtoffer] veelvuldig te bellen,
- die [slachtoffer], al dan niet met tussenkomst van derden, vanuit detentie te bellen, en/of
- aan medegedetineerden geld aan te bieden en/of daarbij te vragen ‘wie er voor 500 euro de ramen in wil gooien bij zijn ex-vrouw of wie er bereid is voor 5000 euro zijn ex-vrouw in elkaar te slaan’, althans woorden van gelijke aard of strekking,
met het oogmerk die [slachtoffer] voornoemd, te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
2
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 januari 2024 tot en met 2 april 2024 te [plaats], althans in Nederland, heeft gepoogd om een of meerdere personen, te weten een of meerdere medegedetineerden in de PI [plaats], door giften en/of beloften en/of door het verschaffen van middelen en/of inlichtingen te bewegen een misdrijf te begaan, te weten zware mishandeling met voorbedachte raad van [slachtoffer] en/of het vernielen van de ruiten van de woning van die [slachtoffer], immers heeft verdachte met dat opzet:
- een of meerdere medegedetineerden een bedrag van 500 euro, 1000 euro en/of 5000 euro in het vooruitzicht gesteld als die medegedetineerde verdachtes ex-vrouw in elkaar zou slaan en/of als die medegedetineerde de ruiten bij verdachtes ex-vrouw in zou gooien en/of alles kapot zou slaan, en/of
- aan een of meerdere medegedetineerden, te weten [naam 1] en/of [naam 2], een gouden ketting heeft overhandigd en/of (middels een bankrekening van een derde) een geldbedrag heeft overgemaakt, althans over laten maken, en/of daarbij de voorwaarde heeft gesteld dat die medegedetineerde verdachtes ex-vrouw in elkaar zou slaan en/of als die medegedetineerde de ruiten bij verdachtes ex-vrouw in zou gooien en/of alles kapot zou slaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 16 januari 2024 tot en met 2 april 2024 te [plaats] en/of te Voorthuizen, althans in Nederland, ten overstaan van een of meerdere medegedetineerden, [slachtoffer] (telkens) heeft bedreigd, met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft verdachte aan een of meerdere medegedetineerden geld geboden en/of geld betaald en/of daarbij gevraagd ‘wie er bereid zou zijn om voor 5000 euro zijn ex-vrouw in elkaar te slaan’, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, van welke bedreiging(en)/dreigende woorden voornoemde [slachtoffer] kennis heeft genomen.

2.Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Partiële vrijspraken
Zowel onder feit 1 als onder feit 2 primair en subsidiair is – onder meer – ten laste gelegd dat verdachte geld heeft aangeboden aan (een) medegedetineerde(n) om zijn ex-vrouw in elkaar te slaan.
De rechtbank constateert dat om tot een bewezenverklaring te komen van dit deel van de tenlastelegging het bewijs in beslissende mate zou steunen op de verklaring van [getuige]. De verdediging heeft in een eerder stadium verzocht deze getuige te horen en de rechtbank heeft dit verzoek toegewezen. Het is de rechter-commissaris echter niet gelukt deze getuige te horen, waardoor de verdediging niet in de gelegenheid is gesteld deze ‘beslissende’ getuige te ondervragen. De rechtbank heeft de mogelijkheid zo’n beslissende verklaring onder omstandigheden te gebruiken, maar zal hier extra behoedzaam mee om moeten gaan. De rechtbank constateert dat de getuige één maal telefonisch is gehoord en dat zijn verklaring niet is ondertekend. Het enige steunbewijs voor deze verklaring is een e-mailbericht van een medewerker van de Penitentiaire Inrichting [plaats] dat vier gedetineerden uit dezelfde cel, waaronder getuige [getuige], hebben verteld dat verdachte heeft gevraagd of iemand bereid zou zijn om voor 5.000 euro zijn vrouw in elkaar te slaan. De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen van het door verdachte aanbieden van geld aan (een) medegedetineerde(n) om zijn ex-vrouw in elkaar te slaan. De rechtbank spreekt verdachte daarom onder feit 1 en feit 2, primair en subsidiair, vrij van dit deel van de tenlastelegging.
Vrijspraak feit 2
Verder heeft de rechtbank niet de overtuiging dat verdachte (een) medegedetineerde(n) heeft uitgelokt tot het ingooien van de ruiten van zijn ex-vrouw. De rechtbank spreekt verdachte daarom ook voor wat betreft dat deel van de tenlastelegging, en dus integraal, vrij van feit 2. De rechtbank merkt hierbij in overvloede op dat het uitlokken tot het ingooien van ruiten van een woning geen bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling oplevert.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1
hij in
of omstreeksde periode van 16 juni 2023 tot en met 2 april 2024 te
Barneveld en/of[plaats] en/of
[verblijfplaats] en/ofVoorthuizen, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer], door:
- die [slachtoffer] veelvuldig te bellen,
en
- die [slachtoffer], al dan niet met tussenkomst van derden, vanuit detentie te bellen,
en/of
- aan medegedetineerden geld aan te bieden en/of daarbij te vragen ‘wie er voor 500 euro de ramen in wil gooien bij zijn ex-vrouw of wie er bereid is voor 5000 euro zijn ex-vrouw in elkaar te slaan’, althans woorden van gelijke aard of strekking,
met het oogmerk die [slachtoffer] voornoemd,
te dwingeniets
te doen, niet te doen,te dulden
en/of vrees aan te jagen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
belaging

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest en dat daarnaast de maatregel terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met dwangverpleging wordt opgelegd.
Subsidiair, voor het geval dat de rechtbank geen tbs met dwangverpleging oplegt, heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht een tussenvonnis te wijzen waarin een onderzoek door de reclassering wordt gelast naar de vraag of tbs met voorwaarden is aangewezen en zo ja, onder welke voorwaarden (in de vorm van een zogenaamd maatregelenrapport).
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit geen tbs met dwangverpleging, en ook niet een tbs met voorwaarden, op te leggen. Ook heeft de raadsman verzocht de voorlopige hechtenis per direct op te heffen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-partner. Hij heeft zijn ex-partner in een periode van ruim acht maanden veelvuldig vanuit de penitentiaire inrichting gebeld. Op het moment dat de penitentiaire inrichting het telefoonnummer had geblokkeerd, heeft verdachte vanuit de penitentiaire inrichting met behulp van (ex-)medegedetineerden via zogeheten ‘conference calls’ - om de blokkade vanuit de penitentiaire inrichting te omzeilen - het slachtoffer gebeld of geprobeerd te (laten) bellen.
Belaging, in het normaal spraakgebruik ook wel stalking genoemd, is een zeer hinderlijk en angstaanjagend feit. Stalking heeft in de regel enorm negatieve en vaak schadelijke gevolgen voor slachtoffers, omdat zij constant geconfronteerd worden met ongewenst contact en daardoor beperkt worden in hun vrijheid en hun gevoel van veiligheid en privacy. Uit de slachtofferverklaring blijkt ook dat het slachtoffer en haar kinderen hier last van hadden.
Uit het strafblad van verdachte van 16 februari 2022 blijkt dat verdachte in 2022 vier keer eerder voor belaging is veroordeeld. Dat verdachte ondanks die eerdere veroordelingen is blijven volharden in zijn stalkingsgedrag, zelfs vanuit de gevangenis, draagt bij tot de grote ernst van het feit.
Er is de afgelopen jaren veel tijd en energie geïnvesteerd in (pogingen tot) onderzoek naar de persoon van verdachte. Verdachte heeft daaraan veelal niet of slechts in beperkte mate willen meewerken. Zo ook in deze zaak.
Uit de Pro Justitia-rapportage van 29 januari 2026 blijkt dat de klinische observatie in het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) in de kern slechts een oppervlakkig beeld van verdachte heeft opgeleverd, waarbij is opgemerkt dat verdachte zich niet makkelijk laat kennen en vasthoudt aan een rooskleurige zelfpresentatie. Op basis van de beschikbare informatie bestaan geen aanwijzingen voor een ernstig psychiatrisch ziektebeeld, zoals een manie, depressie, psychose of dwangstoornis.
In het PBC-onderzoek heeft verdachte, conform zijn algehele weigering, ook niet willen spreken met onderzoekers over het hem ten laste gelegde. Hierdoor hebben onderzoekers nauwelijks zicht gekregen op mogelijke delictdynamiek en hypotheses ten aanzien van deze dynamiek, bijvoorbeeld op gebied van dominantie, controlebehoefte, krenking, rigiditeit, gebrekkige frustratietolerantie. Ook hebben onderzoekers (angst voor) verlating en mogelijk ervaren afwijzing in het geheel niet bij verdachte kunnen toetsen als mogelijke thematiek.
Nu niet bekend is in welk specifiek diagnostisch licht het disfunctioneren van verdachte moet worden gezien, het functioneren ten tijde van ten laste gelegde grotendeels onbekend is en ook niet bekend is welke drijfveren en emoties een mogelijke rol hebben gespeeld in het ten laste gelegde, onthouden onderzoekers zich van een uitspraak over een mogelijke doorwerking.
Er bestaat geen zicht op een eventuele toekomstige context buiten detentie, waardoor het risico op terugval buiten detentie niet onderbouwd in kaart kan worden gebracht.
Het voorgaande betekent dat onderzoekers geen uitspraak konden doen over een eventueel behandel- of interventieadvies.
De reclassering adviseert in haar rapport van 11 februari 2026 onderzoek te doen naar de mogelijkheid van tbs met dwangverpleging of tbs met voorwaarden.
De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van het feit het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen. Bovendien is het taakstrafverbod van toepassing, gelet op een eerdere veroordeling wegens belaging en de door verdachte voltooide taakstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank weegt daarbij in zeer strafverzwarende zin mee dat verdachte in 2022 al meermaals is veroordeeld, onder meer voor het stalken van hetzelfde slachtoffer.
De rechtbank ontwaart een patroon in de veroordelingen van verdachte, waarbij het telkens gaat om strafbare gedragingen die laten zien dat hij alleen maar aan zichzelf denkt, ongewenst macht uitoefent over zijn ex-echtgenote en/of over zijn kinderen, en daarbij herhaaldelijk hun fysieke en/of mentale grenzen overschrijdt.
Het lijkt er daarbij ook op dat verdachte niet of nauwelijks valt af te stoppen. Dat zijn slachtoffers meer dan eens duidelijk hebben gemaakt geen contact met hem te wensen houdt hem niet tegen, maar, naar uit het onderhavige feit blijkt, detentie evenmin. In deze zaak is hij er immers op geraffineerde, planmatige wijze in geslaagd zelfs vanuit de gevangenis zijn ex-vrouw te (laten) benaderen. Daarbij heeft hij eerst geprobeerd een van zijn dochters in te zetten en toen dat niet lukte, heeft hij zijn medegedetineerden voor zijn karretje gespannen.
De rechtbank acht daarom een flinke gevangenisstraf, voor de duur van één jaar, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.
De rechtbank is van oordeel dat oplegging van een tbs met dwangverpleging op dit moment, in het licht van de ernst van het hier bewezen feit, (nog) niet proportioneel is. Ook zal de rechtbank geen onderzoek laten verrichten naar de (on)mogelijkheid van een tbs met voorwaarden. Verdachte heeft namelijk meermalen in woord en in gedrag te kennen gegeven nergens aan te willen meewerken, zodat de stellige verwachting van de rechtbank is, dat hij zich ook niet aan voorwaarden in het kader van een tbs zou (kunnen) gaan houden. Een tbs met voorwaarden is alleen al daarom nu geen begaanbare weg, omdat die in dat licht alsnog zou neerkomen op een verkapte tbs met dwangverpleging.
De rechtbank ziet wel de noodzaak een maatregel te treffen ter bescherming van de slachtoffers van verdachte en zal aan hem daarom een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid ex artikel 38v Sr opleggen, ter voorkoming van strafbare feiten gericht tegen [slachtoffer] en haar kinderen. De maatregel bestaat uit een contactverbod met [slachtoffer] en haar kinderen voor de duur van drie jaren en voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet één maand hechtenis, waarbij de totale duur van de ten uitvoer gelegde vervangende hechtenis ten hoogste zes maanden bedraagt. Ter bescherming van [slachtoffer] en haar kinderen zal de rechtbank de maatregel ook dadelijk uitvoerbaar verklaren, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt richting [slachtoffer], gelet op de veelvuldige recidive.
8. De vorderingen tot tenuitvoerlegging (parketnummers 05.147313.22, 21.000190.22 en 21.000338.22)
05.147313.22
De politierechter heeft verdachte op 16 december 2022 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand.
De officier van justitie en de raadsman hebben verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging van die straf af te wijzen.
Bewezen is dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank is van oordeel dat de voorwaardelijk opgelegde straf daarom ten uitvoer moet worden gelegd.
De tijd die verdachte in de hoofdzaak (parketnummer 05.140808.24) te lang in voorarrest heeft gezeten zal worden gecompenseerd met de ten uitvoer te leggen straf.
21.000190.22
Het hof heeft verdachte op 30 november 2022 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden.
De officier van justitie en de raadsman hebben verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging van die straf af te wijzen.
Bewezen is dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank is van oordeel dat de voorwaardelijk opgelegde straf daarom ten uitvoer moet worden gelegd.
De tijd die verdachte in de hoofdzaak (parketnummer 05.140808.24) te lang in voorarrest heeft gezeten zal worden gecompenseerd met de ten uitvoer te leggen straf.
21.000338.22
Het hof heeft verdachte op 30 november 2022 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden.
De officier van justitie en de raadsman hebben verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging van die straf af te wijzen.
De rechtbank ziet aanleiding de bij die eerdere veroordeling vastgestelde proeftijd met één jaar te verlengen, zodat de bijzondere voorwaarden continueren.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en maatregel is gegrond op de artikelen 38v, 38w en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 spreekt verdachte vrij van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit 2;
 verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit 1, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van één jaar;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 legt een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op, inhoudende een contactverbod. Het contactverbod houdt in dat verdachte gedurende 3 jaren zich onthoudt van – direct of indirect – contact met:
- [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 1982;
- [naam 3], geboren op [geboortedatum 3] 2006;
- [naam 4], geboren op [geboortedatum 4] 2011;
- [naam 5], geboren op [geboortedatum 5] 2013;
- [naam 6], geboren op [geboortedatum 6] 2015;
 beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste 1 maand voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden in totaal.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen op grond van de opgelegde maatregel niet op.
 beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
 beveelt de tenuitvoerlegging van de op 16 december 2022 door de politierechter voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf van één maand (parketnummer 05.147313.22);
 De tijd die verdachte in de hoofdzaak (parketnummer 05.140808.24) te lang in voorarrest heeft gezeten zal worden gecompenseerd met de ten uitvoer te leggen straf;
 beveelt de tenuitvoerlegging van de op 30 november 2022 door het hof voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf van 8 maanden (parketnummer 21.000190.22);
 De tijd die verdachte in de hoofdzaak (parketnummer 05.140808.24) te lang in voorarrest heeft gezeten zal worden gecompenseerd met de ten uitvoer te leggen straf;
 verlengt de proeftijd als vermeld in het arrest van het hof van 30 november 2022 met één jaar;
 heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met onmiddellijke ingang.
Dit verkort vonnis is gewezen door mr. A. Tegelaar (voorzitter), mr. L.C.P. Goossens en mr. J. Wiersma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T.J. Schoen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 februari 2026.
Mrs. Tegelaar en Wiersma zijn buiten staat dit verkort vonnis mede te ondertekenen.