Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:1772

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
444784
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 7:758 BWAlgemene Voorwaarden SGN
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling factuur schilderwerk geweigerd wegens te late klacht over gebreken

SGN voerde schilderwerkzaamheden uit in 2023 en vorderde betaling van de factuur en contractuele rente van [gedaagde in conventie]. Deze stelde dat het werk ondeugdelijk was en betaalde niet. Na herstelwerkzaamheden bleef [gedaagde in conventie] klagen over gebreken, maar de rechtbank oordeelde dat deze klachten te laat waren ingediend volgens de Algemene Voorwaarden en artikel 7:758 BW Pro.

De rechtbank stelde vast dat de factuur van €10.143,02 betaald moest worden en wees de vorderingen in reconventie af. De overeengekomen rente van €500 per week werd deels toegewezen, maar gematigd tot €5.500 wegens disproportionaliteit. De vordering voor een voorschotfactuur werd afgewezen omdat nakoming niet in de rede lag.

Proceskosten werden toegewezen aan SGN, inclusief een gematigde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en [gedaagde in conventie] werd veroordeeld tot betaling van het toegewezen bedrag met wettelijke rente.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt [gedaagde in conventie] tot betaling van de factuur en een gematigde contractuele rente, wijst de reconventionele vorderingen af en legt proceskosten en incassokosten op.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/444784 / HA ZA 24-594
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van
S.G. NEDERLAND B.V.,
te Veenendaal,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: SGN,
advocaat: mr. C. Schimmel-Blom,
tegen
[naam gedaagde in conventie],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde in conventie] ,
advocaat: mr. A.F.J. Huigens.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 1 oktober 2025
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 23 januari 2026 om 9.30 uur. Daarin is onder meer het volgende opgenomen:
“De rechter stelt vast dat [gedaagde in conventie] niet is verschenen. De rechter deelt mee dat gisteren een e-mail van mr. A.F.J. Huigens is ontvangen, waarin deze zich stelt voor [gedaagde in conventie] en waarin om uitstel van de mondelinge behandeling wordt verzocht. Op die mail is gistermiddag door de rechtbank geantwoord dat de zitting doorgaat. De rechter houdt de inhoud van die brief van de rechtbank samengevat voor, namelijk dat de advocaat van [gedaagde in conventie] , [voormalig betrokkene] , zich op 19 juni 2025 tegen de rol van 30 juli 2025 heeft onttrokken, dat de conclusie van antwoord in reconventie met de eisvermeerdering daarna is genomen en volgens mr. Schimmel-Blom in overleg met [voormalig betrokkene] naar [gedaagde in conventie] in persoon is toegestuurd, dat de rolrechter aan [voormalig betrokkene] heeft laten weten dat een mondelinge behandeling zal worden bepaald en dat [gedaagde in conventie] voordien een andere advocaat kan stellen, onder de verwachting dat [voormalig betrokkene] dat aan [gedaagde in conventie] zou doorgeven, dat [gedaagde in conventie] in verband met het plannen van de mondelinge behandeling op 8 september 2025 de rechtbank heeft gemaild en daarbij zijn verhinderdata heeft opgegeven en dat hij daarbij heeft gemeld dat hij bezig is een andere advocaat te vinden. De rechter houdt voor dat [gedaagde in conventie] de gelegenheid heeft gehad een nieuwe advocaat te zoeken, maar dat die zich toen niet heeft gesteld. Duidelijk was dat [gedaagde in conventie] ervan op de hoogte was dat hij een andere advocaat moest vinden, want hij had de rechtbank gemaild dat hij een nieuwe advocaat zocht, en de akte vermeerdering eis is ook aan [gedaagde in conventie] in persoon gestuurd. Daarom is gisteren besloten de zitting door te laten gaan. Dat is per e-mail aan de advocaat van [gedaagde in conventie] meegedeeld. De rechter constateert dat [gedaagde in conventie] en zijn advocaat er kennelijk voor hebben gekozen niet naar de mondelinge behandeling te komen. De zitting gaat gewoon door. Op de akte vermeerdering eis is niet gereageerd.”
- Een e-mail van mr. Huigens van 23 januari 2026 om 10.19 uur, toen de mondelinge behandeling reeds was afgelopen, waarin hij het volgende heeft laten weten:
“Onder reserve van alle rechten merk ik op dat uit de stukken voorshands valt op te maken:
- dat de grondslag van de vordering (facturen) is betwist, waarna herstelwerkzaamheden zouden zijn verricht. Voor de stelling dat dit herstel gebrekkig was is bewijs aangeboden.;
- dat is betwist dat opmerkingen in een whatsapp bericht zouden hebben kunnen leiden tot een boetebeding, waardoor deze zaak voor de rechtbank in plaats van de kantonrechter werd gebracht.
Een en ander leidde ertoe dat bij voortprocederen cliënt zich in zijn verdediging geschaad acht. En ertoe zal leiden dat partijen in hoger beroep verder zullen moeten procederen.
Ik zie verdere rolberichten wel tegemoet. (…)”
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De zaak in het kort

2.1.
SGN heeft in 2023 schilderwerkzaamheden uitgevoerd in opdracht van [gedaagde in conventie] . In deze procedure vordert SGN betaling van de factuur voor deze werkzaamheden en daarnaast onder meer de contractuele rente. SGN heeft haar eis vermeerderd met de vordering tot betaling van een factuur voor schilderwerkzaamheden die nog niet zijn uitgevoerd, waarover partijen volgens SGN hadden afgesproken dat [gedaagde in conventie] die op voorschot zou betalen. [gedaagde in conventie] voert aan dat SGN de werkzaamheden in 2023 niet deugdelijk heeft uitgevoerd en dat hij om die reden betaling van de factuur voor die werkzaamheden heeft opgeschort. In reconventie vordert hij de schade die hij stelt als gevolg van de ondeugdelijke werkzaamheden te hebben geleden. Ook voert hij verweer tegen de contractuele rente. Op de vermeerdering van eis is geen verweer gekomen, omdat [gedaagde in conventie] toen niet meer werd bijgestaan door een advocaat.
2.2.
De rechtbank oordeelt dat [gedaagde in conventie] gehouden is tot betaling van de factuur voor de uitgevoerde schilderwerkzaamheden. Hij heeft te laat geklaagd over mogelijke gebreken aan de schilderwerkzaamheden. De contractuele rente wordt voor een deel afgewezen, evenals de vordering tot betaling van de factuur op voorschot. De vorderingen in reconventie worden allemaal afgewezen. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze beslissingen is gekomen.

3.De beoordeling

3.1.
Omdat de vorderingen in conventie en in reconventie met elkaar samenhangen, zullen deze gezamenlijk worden beoordeeld.
De vorderingen
3.2.
SGN vordert in conventie betaling van een bedrag van € 27.105,39. Dit bedrag bestaat uit de factuur voor de schilderwerkzaamheden (€ 10.143,02), een overeengekomen rente van € 500,- per week vanaf 23 april tot 21 november 2024 (€ 15.000,-), de wettelijke rente vanaf 13 juli 2023 tot en met 21 november 2024 (935,94) en buitengerechtelijke incassokosten (€ 1.026,43). Ook wordt de overeengekomen rente van € 500,- per week vanaf 21 november 2024 gevorderd en de wettelijke rente vanaf 22 november 2024. Bij akte vermeerdering van eis vordert SGN daarnaast een bedrag van € 9.383,16 voor een offerte die zij op 29 juni 2023 heeft uitgebracht aan [gedaagde in conventie] en die op voorschot betaald zou worden en de wettelijke rente hierover.
3.3.
[gedaagde in conventie] voert verweer en vordert in reconventie primair, indien het beroep op opschorting en verrekening slaagt, betaling van een bedrag van € 14.674,24 aan schade met de wettelijke rente daarover. Subsidiair vordert [gedaagde in conventie] betaling van € 25.954,30 met de wettelijke rente.
Vordering tot betaling factuur voor schilderwerkzaamheden toewijsbaar, te laat geklaagd over mogelijke gebreken
3.4.
SGN vordert betaling van de factuur van 13 juli 2023 voor uitgevoerde schilderwerkzaamheden bij [gedaagde in conventie] . [gedaagde in conventie] heeft niet betwist dat hij deze factuur niet heeft betaald. Hij voert aan dat hij de betaling ervan heeft opgeschort omdat SGN haar werkzaamheden niet goed zou hebben uitgevoerd. Hij wijst ter onderbouwing op het rapport van Woonkeur, waarin de gevels van de woning die door SGN zijn geschilderd als slecht worden beoordeeld. Ook staat in het rapport dat een deel van de schuur niet is geschilderd en dat de verflaag onregelmatigheden vertoont. De kosten van herstel worden in het rapport begroot op € 24.380,-. [gedaagde in conventie] had in september 2023 al gebreken gemeld, waarna SGN in oktober 2023 nog herstelwerkzaamheden heeft uitgevoerd. Deze blijken dus onvoldoende te zijn, aldus [gedaagde in conventie] .
3.5.
SGN voert hiertegen verweer. Zij stelt zich op het standpunt dat [gedaagde in conventie] te laat heeft geklaagd. Nadat de factuur op 13 juli 2023 is verzonden, had [gedaagde in conventie] nog een paar kleine correctiepunten, die SGN in oktober 2023 heeft uitgevoerd. Daarna is het schilderwerk naar tevredenheid opgeleverd. Op grond van artikel 14 lid 2 van Pro de Algemene Voorwaarden moeten zichtbare gebreken binnen 8 dagen na oplevering worden gemeld en over gebreken die bij oplevering niet direct kunnen worden geconstateerd, moet binnen zes maanden worden geklaagd. Pas op 26 september 2024 maakte [gedaagde in conventie] kenbaar dat er nog andere gebreken waren dan die in oktober 2023 reeds zijn hersteld. Verder voert SGN aan dat partijen een nieuwe inspectie hebben laten uitvoeren door Verf Advies Centrum. Daarin wordt de conclusie getrokken dat het merendeel van het werk naar behoren is uitgevoerd. Er staan enkele punten in die voor herstel in aanmerking komen, maar ook hiervoor geldt dat te laat is geklaagd.
3.6.
De rechtbank stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat op 13 juli 2023 de factuur is verzonden, dat [gedaagde in conventie] in september 2023 over enkele gebreken heeft geklaagd en dat SGN daarvoor in oktober herstelwerkzaamheden heeft verricht. Niet in geschil is dat de Algemene Voorwaarden van SGN van toepassing zijn op de overeenkomst. Ook stelt de rechtbank op basis van de uitvoerige whatsapp correspondentie tussen partijen vast dat van oktober 2023 tot en met september 2024 veelvuldig contact is geweest over betaling van de factuur door [gedaagde in conventie] . De inhoud van de gesprekken komt er kort gezegd op neer dat [gedaagde in conventie] de factuur erkent, telkens belooft dat hij voor een bepaalde dag zal betalen en dat betaling telkens uitblijft. Tot 24 september 2024 wordt door [gedaagde in conventie] op geen enkele manier gerept over het feit dat de werkzaamheden niet goed zijn uitgevoerd en dat hij daarom de betaling opschort. Nu hij dit pas bijna een jaar na oplevering van het werk doet, is hij daarmee zowel op grond van artikel 14 lid 1 en Pro 2 van de Algemene Voorwaarden van SGN als op grond van artikel 7:758 lid 1 BW Pro te laat. Dat betekent dat [gedaagde in conventie] niet gerechtigd was de betaling van de factuur op te schorten. Ook is SGN op grond van artikel 7:758 BW Pro lid 3 niet meer aansprakelijk voor gebreken, voor zover deze al voldoende zijn onderbouwd, die [gedaagde in conventie] ten tijde van de oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken. En voor zover sprake zou zijn van niet zichtbare gebreken, is SGN op grond van artikel 14 lid 2 en Pro 4 van de Algemene Voorwaarden niet aansprakelijk. Het verweer van [gedaagde in conventie] dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de uitvoering van de schilderwerkzaamheden, slaagt daarom niet en de vordering in conventie tot betaling van de factuur van € 10.143,02 zal worden toegewezen. Het betekent ook dat alle vorderingen in reconventie worden afgewezen.
Contractuele rente deels toewijsbaar, voor de gehele periode naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar
3.7.
SGN stelt zich op het standpunt dat partijen op 12 april 2024 een rentevergoeding van € 500,- per week overeen zijn gekomen, indien op 22 april 2024 de openstaande factuur niet volledig betaald zou zijn. Ter onderbouwing daarvan heeft SGN een whatsapp bericht overgelegd waarin [gedaagde in conventie] onder meer het volgende schrijft:
“Beste [naam] ,
Wij spraken af dat ik de betaling naar jou uitvoer tot en met de 22e april 2024. Mocht niet nagekomen worden mag er 500€ p.w. berekend worden aan rente. (…)”
3.8.
[gedaagde in conventie] betwist dat partijen hebben afgesproken dat er vanaf 23 april 2024 € 500,- per week aan rente in rekening gebracht mocht worden. Bij het versturen van het whatsapp bericht, was dit voorzien voor twee weken en de vordering is dan ook maar toewijsbaar tot een bedrag van € 1.000,-, aldus [gedaagde in conventie] . Subsidiair voert hij aan dat de rente zoals die nu wordt gevorderd exorbitant hoog is, in strijd is met de redelijkheid en billijkheid en daarom gematigd dient te worden.
3.9.
De rechtbank is van oordeel dat SGN voldoende heeft onderbouwd dat partijen vanaf 23 april 2024 een rente van € 500,- per week overeen zijn gekomen. Het standpunt van [gedaagde in conventie] dat dit slechts voor twee weken zou gelden, wordt niet onderbouwd. Dat het de verwachting zou zijn dat het slechts voor twee weken zou gelden, omdat dan betaling zou volgen, is daartoe onvoldoende en levert een onvoldoende betwisting op. Echter zou toewijzing van de vordering voor de rente van € 500,- per week tot aan heden een zodanig hoog bedrag opleveren in verhouding tot de toegewezen hoofdsom, dat dit naar het oordeel van de rechtbank naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De rechtbank zal het bedrag dat aan contractuele rente wordt toegewezen om die reden matigen. Zij zal dat doen tot een bedrag van € 5.500,- voor de periode van 23 april 2024 tot aan de datum van dagvaarding. Daarnaast is de wettelijke rente over de hoofdsom verschuldigd tot aan 23 april 2024 en ook weer na datum dagvaarding.
Vordering tot betaling van offerte op voorschot (vermeerdering eis) niet toewijsbaar
3.10.
SGN vordert in de akte vermeerdering van eis betaling van het bedrag van € 9.383,16 voor een offerte die hij heeft uitgebracht op 29 juni 2023. Zij stelt zich op het standpunt dat partijen hebben afgesproken dat deze offerte op voorschotbasis zou worden betaald, wat [gedaagde in conventie] in een whatsapp bericht van 9 april 2024 aan SGN heeft bevestigd. De advocaat van SGN heeft [gedaagde in conventie] per e-mail gesommeerd dit bedrag te betalen, betaling ervan is echter uitgebleven.
3.11.
[gedaagde in conventie] heeft geen verweer gevoerd op deze vordering. De rechtbank zal de vordering desondanks afwijzen. SGN heeft niet gesteld dat zij van plan is de schilderwerkzaamheden na betaling van deze factuur alsnog uit te voeren. De rechtbank is van oordeel dat dit gezien de verhouding tussen partijen en de gebeurtenissen van de afgelopen twee jaar ook niet in de lijn der verwachting ligt. Onder die omstandigheden is het naar het oordeel van de rechtbank naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om de vordering tot nakoming van betaling van de factuur op voorschot toe te wijzen. De vordering in conventie zal dan ook in zoverre worden afgewezen.
Proceskosten
3.12.
[gedaagde in conventie] is zowel in conventie als in reconventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van SGN worden begroot op:
- griffierecht
2.889,00
- salaris advocaat in conventie
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- salaris advocaat in reconventie
836,00
(2 x 0,5 punt × € 836,00)
-nakosten
296,00
Totaal
5.327,00
3.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Buitengerechtelijke incassokosten
3.14.
SGN vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten voor een bedrag van € 1.026,43. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank stelt vast dat [gedaagde in conventie] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de rechtbank controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. SGN heeft aan [gedaagde in conventie] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. Het bedrag dat SGN vordert is hoger dan de staffel dat hoort bij het toegewezen bedrag in hoofdsom. Daarom zal een bedrag van € 931,43 worden toegewezen.

4.De beslissing

De rechtbank
in conventie
4.1.
veroordeelt [gedaagde in conventie] om aan SGN te betalen een bedrag van € 15.643,02 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het bedrag van € 10.143,02, met ingang van 13 juli 2023 tot aan 23 april 2024 en vanaf 4 december 2024 tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde in conventie] om aan SGN te betalen een bedrag van € 931,43 aan buitengerechtelijke kosten
4.3.
wijst het meer of anders gevorderde af.
in reconventie
4.4.
wijst de vorderingen van [gedaagde in conventie] af,
in conventie en in reconventie
4.5.
veroordeelt [gedaagde in conventie] in de proceskosten van € 5.327,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde in conventie] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.6.
veroordeelt [gedaagde in conventie] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Keijzer en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.
822