ECLI:NL:RBGEL:2026:1774

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
AWB-25_1077
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging invordering verbeurde dwangsom wegens illegale wooneenheden

Eiseres, eigenaresse van een pand in Nijmegen, had meerdere aanvragen gedaan voor een omzettingsvergunning om het pand om te zetten in vier onzelfstandige wooneenheden. Het college wees deze aanvragen af en legde een last onder dwangsom op om het aantal wooneenheden terug te brengen naar maximaal twee. Eiseres maakte bezwaar tegen deze last, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard en zij stelde geen beroep in tegen dat besluit.

Na een controle bleek dat eiseres niet had voldaan aan de last, waarna het college overging tot invordering van de verbeurde dwangsom van €3.200. Eiseres stelde beroep in tegen dit invorderingsbesluit. De rechtbank stelde vast dat de last onder dwangsom in rechte vaststaat en dat eiseres niet aan de last heeft voldaan, waardoor het college terecht tot invordering is overgegaan.

Eiseres voerde aan dat op grond van overgangsrecht geen overtreding was begaan, omdat het pand al sinds 2005 legaal werd verhuurd aan studenten. De rechtbank oordeelde echter dat dit geen bijzondere omstandigheid vormt om van invordering af te zien, mede omdat de omzettingsvergunningen onherroepelijk waren afgewezen en eiseres de overtreding niet heeft beëindigd.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wees terugbetaling van griffierecht en proceskosten af en bevestigde de invordering van de dwangsom.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt dat het college terecht de verbeurde dwangsom van €3.200 invordert wegens het niet terugbrengen van het aantal onzelfstandige wooneenheden.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/1077

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. A.A.M. van Hoorn),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen

(gemachtigde: M. Spoeltman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over invordering van de verbeurde dwangsom van € 3.200. Eiseres is het niet eens met de invordering en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college mocht overgaan tot invordering van de verbeurde dwangsom.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college mocht overgaan tot invordering van de verbeurde dwangsom. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres is eigenaresse van het pand op het perceel [locatie] in [plaats]. Zij heeft in het verleden meerdere aanvragen gedaan voor een omzettingsvergunning om dit pand in vier onzelfstandige wooneenheden om te zetten. Het college heeft deze aanvragen afgewezen.
2.1. Met het besluit van 12 september 2023 heeft het college eiseres gelast om de illegale situatie in het pand op het perceel [locatie] in [plaats] binnen vier maanden na verzenddatum van dit besluit op te heffen door het aantal onzelfstandige wooneenheden terug te brengen naar maximaal twee, bewoond door maximaal twee bewoners (vergunningvrij) of door het pand te (laten) bewonen door een gezin (eengezinsbewoning). Indien eiseres niet voldoet aan de last, verbeurt zij van rechtswege een dwangsom van € 3.200. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit, maar het college heeft het bezwaar met het besluit van 21 december 2023 ongegrond verklaard. Eiseres heeft geen beroep ingesteld tegen het besluit van 21 december 2023.
2.2. Op 20 februari 2024 heeft een toezichthouder van de Omgevingsdienst Regio Nijmegen een controle uitgevoerd aan de [locatie] in [plaats]. Daarbij is geconstateerd dat niet is voldaan aan de opgelegde last. Met de brief van 22 februari 2024 is daarom aan eiseres het voornemen kenbaar gemaakt om over te gaan tot invordering van de verbeurde dwangsom van € 3.200. Vervolgens is met het besluit van 20 juni 2024 overgegaan tot invordering van de verbeurde dwangsom. Met het bestreden besluit van
20 januari 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit gebleven.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 23 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank stelt voorop dat het college met het besluit van 21 december 2023 het bezwaar van eiseres tegen de met het besluit van 12 september 2023 opgelegde last onder dwangsom ongegrond heeft verklaard. Eiseres heeft geen beroep ingesteld tegen dat besluit. Dit betekent dat de opgelegde last onder dwangsom in rechte vaststaat.
3.1.
De rechtbank stelt verder vast dat eiseres niet heeft voldaan aan de opgelegde last waardoor de dwangsom is verbeurd. Dit betekent ook dat het college in beginsel terecht is overgegaan tot invordering van de verbeurde dwangsom. Bij een besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom moet namelijk aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht worden toegekend. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. [1]
3.2.
Verder kan een belanghebbende in de procedure tegen de invorderingsbeschikking in beginsel niet met succes gronden naar voren brengen die hij tegen de last onder dwangsom naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan slechts in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen indien evident is dat er geen overtreding is begaan en/of betrokkene geen overtreder is. [2]
Is sprake van een bijzondere omstandigheid waardoor van invordering moet worden afgezien?
4. Eiseres stelt dat sprake is van een bijzondere omstandigheid waardoor van invordering moet worden afgezien. Gelet op het overgangsrecht is er namelijk geen sprake van een overtreding. Ten tijde van de aanvraag van de omzettingsvergunning was sprake van een bestaande legale situatie waardoor eiseres voldoet aan de voorwaarden van het overgangsrecht. Dat diverse besluiten onherroepelijk zijn geworden, maakt het voorgaande niet anders. Er dient te worden gekeken naar de materiële situatie en niet naar de omstandigheid of formeel gezien een besluit in rechte is komen vast te staan.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college had moeten afzien van invordering. Het is namelijk niet evident dat er geen overtreding heeft plaatsgevonden. Eiseres heeft meerdere aanvragen ingediend voor een omzettingsvergunning, maar het college heeft deze aanvragen afgewezen. Deze afwijzingen zijn inmiddels onherroepelijk. Dit betekent dat eiseres niet de vereiste omzettingsvergunning heeft om de zelfstandige woonruimte in meer dan twee onzelfstandige woonruimten te veranderen, terwijl zij dat wel heeft gedaan. Om deze overtreding te beëindigen, heeft het college een last onder dwangsom opgelegd maar eiseres heeft de onzelfstandige woonruimten niet teruggebracht naar maximaal twee. Dat eiseres stelt dat zij het pand al sinds 2005, destijds met instemming van de gemeente, aan studenten verhuurt en zij in aanmerking had moeten komen voor een omzettingsvergunning vanwege het overgangsrecht, maakt het voorgaande niet anders. Dit had zij naar voren kunnen brengen in een procedure tegen de afwijzing van de aanvraag voor een omzettingsvergunning. Daarin is geen bijzondere omstandigheid gelegen op grond waarvan het college van invordering van de dwangsom af moet zien.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van
mr.L. Janssen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie onder meer de uitspraak van 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:309.
2.Zie de uitspraak van 6 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1183.